DE DOOD VAN ROST VAN TONNINGEN; Een reconstructie

Het moet toeval zijn - want als het geen toeval was, waren we er door haar wel op gewezen - dat de memoires van mevrouw Florentine Heubel juist voor 21 december 1990 verschijnen (bij uitgeverij De Krijger in het Belgische Erembodegem). Op deze datum, Winterzonnewende in de Germaanse mystiek, is het namelijk vijftig jaar geleden dat zij in Hilversum trouwde met NSB-coryfee mr. Meinoud Marinus Rost van Tonningen. Enkele weken eerder had hij haar in de duinen bij Wassenaar de vraag gesteld: ' Florelore, wil je mijn vrouw worden?'

Het was een huwelijk dat de Nieuwe Orde in Nederland haast leek te symboliseren. De bruid: een mooie, pas zesentwintigjarige bankiersdochter en leidster van de Jeugdstorm. De bruidegom: een zesenveertigjarige oogappel van Reichsfuhrer SS Heinrich Himmler, door hem ertoe voorbestemd om NSB-leider Mussert te overvleugelen (maar dat wist Mussert, een van de voornaamste gasten op de bruiloft, natuurlijk niet). Rost van Tonningen was sinds enkele maanden bewindvoerder van alle socialistische organisaties en media, de gouden kans om de massa's voor het nationaalsocialisme te winnen en om zich als hun natuurlijke leider te profileren.

Als ambtenaar van de burgerlijke stand fungeerde de pas benoemde

B-burgemeester van Hilversum, jonkheer Ernst von Bonninghausen. Na afloop van de door meer dan duizend mensen bezochte receptie in een Hilversums hotel keerde het paar terug naar 'Het Zonnehuis', Florrie Heubels ouderlijke woning aan de Bussumergrintweg 5, waar het feestdiner werd gegeven. Tafelheer van de bruid was niemand minder dan Himmlers vertrouweling Hanns Albin Rauter, de Hohere SS- und Polizeifuhrer in Nederland en de latere schrik van de illegaliteit. In de memoires lezen wij hoe Rauter tijdens het diner de schrijfster schalks toefluisterde: ' Und, Frau Florrie, erwarten Sie schon einen kleinen Rost van Tonningen?'. Naar eigen zeggen had 'Frau Florrie' geantwoord dat SS-Standartenfuhrer Kranefuss tijdens diens onderzoek naar haar arische afstamming - voorwaarde voor een huwelijk onder auspicien van de SS - Meinoud en haar dermate voor de voeten had gelopen dat het er nog niet van was gekomen.

Toch heeft dit huwelijk drie zonen voortgebracht. En nog veel meer dan dat. Nederland heeft er een halve eeuw na dato een levend memento van de nazitijd aan overgehouden. Zonder deze bruiloft was 'Rost van Tonningen' geen naam geworden die nog tot op de dag van vandaag geregeld door de krantekolommen spookt, aangevuurd door een weduwe die nog steeds onafgebroken eerherstel voor haar man zoekt. Haar autobiografie, die nu inderdaad uitkomt, onder de titel Op zoek naar mijn huwelijksring, is van dat streven een onderdeel. Uit dat boek blijkt opnieuw hoezeer haar behoefte aan rehabilitatie wordt gevoed door haar onwrikbare overtuiging dat haar man kort na de oorlog geen zelfmoord heeft gepleegd, maar om het leven is gebracht. Zonder de moord-these zou er geen weduwe Rost van Tonningen zijn zoals we die hebben leren kennen.

Nobel mens

In de ogen van mevrouw was haar man een genie, een briljant financieel expert en een nobel mens, die voor Nederland veel goeds heeft bereikt, maar die van een bovenverdieping in de Scheveningse Strafgevangenis te pletter is gegooid omdat hij 'teveel wist'. Zij is ook niet de enige die de moord-these op zijn minst voor plausibel houdt. Zo schreef Arie Kuiper elf jaar geleden in het weekblad De Tijd: ' Er zijn sterke aanwijzingen dat Rost van Tonningen na de oorlog in de strafgevangenis van Scheveningen op gruwelijke wijze is mishandeld en de dood is ingedreven.' In zijn in 1988 verschenen memoires (Brandwacht in de coulissen) schrijft voormalig geheim agent P. Brijnen van Houten dat Rost ' alles wist van iedereen die de NSB in belangrijke mate geldelijk gesteund had en de betrokkenen zouden natuurlijk zo veel mogelijk verhinderen dat hij daarover ondervraagd zou worden'. Hij concludeert: ' Men moet dus wel haast geloof hechten aan de velen die vertellen dat Rost van Tonningen bij zijn zelfmoord in de Scheveningse gevangenis een handje geholpen werd'.

Wat de weduwe in haar autobiografie voor het eerst heeft gedaan, is het verhaal van de moord op haar man plastisch en gedetailleerd vertellen. Ze leunt daarbij, zegt ze, zwaar op een bron, namelijk een Haagse politieman, die haar eind jaren veertig eigener beweging was komen opzoeken om haar uit de doeken te doen wat er in 'Scheveningen' was gebeurd. Deze politieman, die zij in haar memoires de naam 'Gross' geeft, had Rost van Tonningen kort voor de Duitse inval in mei 1940 op last van de regering gearresteerd en voor internering (samen met nog twintig anderen wier loyaliteit in geval van een Duitse invasie in twijfel werd getrokken) overgebracht naar een fort bij Ooltgensplaat op Goeree-Overflakkee. Uit dankbaarheid voor het feit dat Rost van Tonningen hem, 'Gross', na de Nederlandse capitulatie geen haar had laten krenken, zou hij later de weduwe de waarheid over het lot van haar man hebben verteld.

Inderdaad heeft er tot 1953 een 'Gros', met een s, bij de Haagse politie gewerkt. De combinatie van gegevens van de gemeentepolitie, het Haagse gemeentearchief en van Gros' oudste zoon Johannes levert het volgende op. De Fries Jacob Gros, geboren in 1900 en gestorven in 1968, kwam begin jaren twintig bij de Haagse politie. Hij klom op tot politiek rechercheur, speciaal belast met het volgen van de NSB in de Residentie. Johannes Gros bevestigt dat zijn vader begin mei 1940 persoonlijk Rost van Tonningen oppakte om hem naar Ooltgensplaat te brengen.

Tijdens de bezetting wilde Gros niet langer dienst doen in een politiek gevoelige functie. Hij vroeg en kreeg overplaatsing; tot de bevrijding hield hij zich bezig met het oplossen van roofovervallen. Omdat hij 'goed' was, werd hij nog voor het einde van de oorlog gevraagd deel te gaan uitmaken van een bijzondere arrestatie-eenheid, die meteen na 5 mei 1945 'foute' elementen arresteerde en verhoorde. Om die reden moest Gros vaak in de Scheveningse gevangenis zijn, en het is alleszins aannemelijk dat hij daar van alles heeft gehoord, ook over de dood van Rost van Tonningen. Blijft het probleem dat er geen enkel tastbaar bewijs is van wat hij de weduwe Rost van Tonningen nu precies heeft verteld en wanneer dat is gebeurd. Johannes Gros acht het niet waarschijnlijk dat zijn vader zoveel sympathie voor het gezin Rost van Tonningen koesterde. ' Ik woonde toen nog thuis en ik kan me niet herinneren dat hij er ooit iets over heeft gezegd. Maar ja, hij vertelde niet bepaald honderduit over zijn werk. Daarvoor was hij toch wel teveel rechercheur.' Mevrouw Rost houdt desgevraagd staande dat Gros senior haar een aantal malen heeft bezocht.

Tegenover deze toch wat vage bewijsvoering staat dat de harde gegevens voor de aannemelijkheid van de zelfmoord-these tot nu toe ook aan de magere kant zijn geweest. Voor de drie alinea's die Loe de Jong in deel 12 van zijn standaardwerk aan de dood van Rost wijdt, geeft hij ook in de wetenschappelijke editie geen enkele bron. In andere publikaties waarin de zelfmoord van Rost van Tonningen aan de orde komt, wordt verwezen naar de brochure die de 'foute' predikant Van der Vaart Smit in 1948 liet verschijnen over de wantoestanden in de kampen en gevangenissen voor politieke delinquenten. Er zit niets anders op dan te proberen de laatste weken uit het leven van Meinoud Rost van Tonningen te reconstrueren en de resultaten daarvan te vergelijken met de memoires van de weduwe.

Naar het front

Begin januari 1945 nam Rost in de rang van Obersturmfuhrer dienst bij de Landstorm Nederland, een onderdeel van de Waffen SS. Hij had in de voorgaande jaren dat plan wel vaker geopperd. Dat was telkens een teken geweest dat zijn carriere haperde. Hij had in 1941 geroepen dat hij in dienst ging bij de Waffen SS toen zijn poging de arbeiders via het apparaat van de linkse partijen, vakbeweging en media voor het nazisme te mobiliseren, was mislukt. Wegens zijn financiele deskundigheid had Rost toen zijn benoeming tot president van De Nederlandsche Bank gekregen, alsmede de status van tweede plaatsvervangend leider (na Mussert en Van Geelkerken) van de NSB. Ook later had hij wel met dienst nemen gedreigd als hij als bankpresident zijn zin niet kreeg; volgens zijn weduwe had hij met dit dreigement verscheidene malen concessies van de Duitsers losgeweekt.

Uit het feit dat Rost zichzelf tenslotte inderdaad terugvond in het uniform van de Waffen SS, valt af te leiden dat er geen deus ex machina meer was geweest om zijn stagnerende loopbaan weer op gang te helpen. In december 1944 was hij door Mussert als plaatsvervangend NSB-leider ontslagen omdat deze Rosts geintrigeer tegen hem beu was. Bovendien had hij, blijkens de autobiografie van zijn weduwe, ten huize van Reichskommissar Seyss-Inquart ruzie gemaakt met zijn opperste beschermheer Himmler, zo hevig dat zijn buiten wachtende lijfwachten hun wapens ontgrendelden in de veronderstelling dat Rost zou worden gearresteerd. Dat gebeurde niet, maar toen Rost aankondigde naar het front te willen vertrekken, weerhield ook Himmler hem niet van dit plan.

De laatste maanden van de oorlog was Rosts eenheid gelegerd aan de zuidelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug, in de buurt van Amerongen (de zuidelijke frontlijn liep immers langs de grote rivieren). Eind maart 1945 bezocht zijn vrouw hem daar. ' Na lang zoeken over eenzame, verlaten velden vond ik tegen het morgengloren eindelijk mijn man, in een kapot geschoten oude boerderij met twee kameraden, Nederlandse SS-officieren, vrijwel zonder munitie, ' schrijft de weduwe. ' Ik zat op mijn mans schoot. We omhelsden elkander.' Het zou de laatste keer zijn dat ze elkaar zagen. Florrie Rost van Tonningen vluchtte daarna met haar twee kinderen - ze stond op het punt te bevallen van een derde - in een op houtgas rijdende auto van De Nederlandsche Bank naar het noorden. En Rost?

Kamp Elst

In haar autobiografie drukt de weduwe de tekst af van een brief die is gedateerd 13 juni 1945 en die is geschreven door het predikantenechtpaar Vlasboom in het dorpje Overlangbroek. ' De laatste drie weken van Uw man's diensttijd was de heer Rost van Tonningen in ons dorp ingekwartierd, ' schrijft mevrouw Vlasboom. ' Daar de kommandeur zijn kwartier had in onze pastorie, bezocht hij dien meermalen in ons huis. Ook het laatste uur dat hij vrij was, bracht hij in de pastorie door. Van hieruit ging hij dinsdagavond 8 mei in krijgsgevangenschap.' Het dichtstbijzijnde kamp voor krijgsgevangenen was ingericht in het dorpje Elst bij Amerongen (niet te verwarren met Elst in de Betuwe). Daar werd Rost van Tonningen dan ook op 17 mei door de Canadese Field Security, de speciale eenheid voor het opsporen van oorlogsmisdadigers en politieke delinquenten, ontdekt. Hier begint de versie die zijn weduwe van de gebeurtenissen geeft, van de achterhaalbare feiten af te wijken.

Volgens haar heeft prins Bernhard bij een inspectie van het kamp Elst haar man tussen de andere militairen herkend en bij de Field Security aangegeven. Voor deze bewering geeft zij geen bron of bewijs. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is de toedracht banaler geweest. Bij het doornemen van de war diaries, de logboeken die de eenheden van de Field Security bijhielden en die nu berusten bij de National Archives in Ottawa, vond Peter Romijn, een onderzoeker van Oorlogsdocumentatie, een aantekening voor 17 mei, 12 uur: ' Tonningen interrogated and arrested. Listed as Dutch war criminal.' De praktijk was dat de Field Security routinematig kamp na kamp bezocht, alle gevangenen ondervroeg en de gegevens vergeleek met de informatie die ze tevoren over gezochten had gekregen.

Rost had natuurlijk over zijn identiteit kunnen liegen, maar in dit geval lag dat niet voor de hand. Hij had zichzelf blijkens een brief van een medegevangene aan mevrouw Rost, die de tekst in haar boek heeft afgedrukt, al nadrukkelijk gemanifesteerd als initiatiefnemer van een voorstel de krijgsgevangenen de gelegenheid te geven om voor Nederland in Indie of op Nieuw-Guinea te gaan vechten.

Rost werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de Field Security aan de Maliebaan in Utrecht en daar verder ondervraagd.

Volgens de war diaries deed hij 20 mei een zelfmoordpoging, waarvoor hij naar een Utrechts ziekenhuis werd gebracht (vermoedelijk het Stads-en Academisch Ziekenhuis). Een Canadese militair betrok de wacht bij zijn bed.

Volgens de weduwe was het geen zelfmoordpoging. Haar man had, schrijft ze, elke pagina van zijn 'politiek testament' oftewel het proces-verbaal van zijn verhoor met zijn eigen bloed willen waarmerken om vervalsing te voorkomen. Dat verklaart echter niet waarom hij niet volstond met een prik in zijn vinger. In plaats daarvan had hij allebei zijn polsen opengesneden en zichzelf ook nog een snee in de nek toegebracht. Niet alleen wordt dit vermeld in de war diaries, het staat ook op de 'discharge slip', het ontslagbewijs uit het ziekenhuis, gedateerd 1 juni 1945.

Los hiervan rijst de vraag of Rost van Tonningen er de man naar was om zelfmoord te plegen. Zijn weduwe zal dat uiteraard met klem ontkennen, maar Rost van Tonningen is door tijdgenoten vrijwel eensluidend beschreven als een instabiel karakter, neigend naar extremen. In het werk van De Jong vallen typeringen van Rost op als 'grillig', 'kwetsbaar', een 'amokloper', een 'turbulente persoonlijkheid'. Seyss-Inquart vond Rost 'innerlijk onzeker'. Bij Oorlogsdocumentatie berust een sombere brief die Rost half juni 1944 - de Geallieerden waren in Normandie nog niet eens door de Duitse linies heengebroken - aan een partijgenoot schreef en waarin hij zegt niet aan zelfmoord te denken. Kennelijk dacht hij er toch aan, maar verwierp hij die mogelijkheid voor dat moment.

Vloer schoonlikken

De versies lopen uiteen van wat er met Rost na diens ontslag uit het ziekenhuis op 1 juni gebeurde. Volgens zijn weduwe is hij al eind mei naar de strafgevangenis in Scheveningen vervoerd en daar dagenlang onderworpen aan barbaarse martelingen (geslagen worden met een gummiknuppel; aan een touw om zijn geslachtsdelen voortgetrokken worden; vloeren met zijn tong schoonlikken). In haar boek noemt ze daarvoor geen bron, maar op mijn vraag in die richting gaf ze mij een kopie van een verklaring die 7 december 1949 is opgesteld en getekend door een medegevangene van Rost, de oud-politieman J. M. Vietor. De verklaring was indertijd kennelijk bedoeld voor de al genoemde predikant Van der Vaart Smit, die in 1949 met een herdruk van zijn brochure bezig was. Vietor was een van de meest beruchte 'foute' politiemannen uit de oorlog, door wiens toedoen tientallen verzetsmensen zijn opgepakt. Volgens zijn verklaring was Vietor eind mei in 'Scheveningen' binnengebracht, toen Rost er al was. ' Rost van Tonningen, die ik persoonlijk kende, ' schrijft hij, ' was een der personen die het ergst mishandeld werden. Elke nacht werd hij uit zijn cel gehaald [... ] en over de gaanderijen gejaagd. Bij elke hoek en bij elk dwarspaadje werd hij opgewacht door een onzer 'nationale helden', die hem met de kolf van een karabijn of met een stuk hout afranselde. De helden brulden dan hysterisch: 'Rost, heb jij de gulden verpest?' Als Rost van Tonningen, die zich zo lang mogelijk goed hield, dan luide riep: 'Neen, ' werd hij opnieuw afgerost. [... ] Deze behandeling moest Rost van Tonningen elke avond, zolang als ik hem levend heb gezien, ondergaan.'

De rest van het verhaal is volgens de weduwe dan weer afkomstig van Jacob Gros. Deze zou haar hebben verteld dat geruchten over de mishandeling van Rost en de andere gevangenen tot de Haagse politie waren doorgedrongen. Op het bureau werd daarop een plan beraamd om Rost uit de klauwen van zijn folteraars te bevrijden. Dit plan lekte echter uit, aldus de cruciale passage in het boek van mevrouw Rost. ' Toen mijn man weer na een vreselijke nacht naar buiten werd gedreven om hem met een volle ton fecalien te bevuilen, heeft een bewaker hem plots gegrepen en over een 1.25 meter hoge leuning van het trapportaal gewerkt. Dat gebeurde in de vroege morgen van 6 juni 1945.'

Wolvenplein

De sterfdatum 6 juni 1945 en de plaats van zijn overlijden staan onomstotelijk vast, maar was Rost inderdaad de daaraan voorafgaande dagen in de Scheveningse gevangenis? Bij navraag in het Rijksarchief Utrecht, waar de administratie van de Utrechtse gevangenis en van het huis van bewaring wordt bewaard, blijkt Rost van Tonningen niet eind mei, niet 1 juni, maar pas 4 juni de Utrechtse strafgevangenis aan het Wolvenplein te hebben verlaten. 's Avonds om half zeven, anderhalf etmaal voor zijn dood, werd hij opgehaald door een Amsterdamse politieman. In de administratie bevindt zich een briefje: ' Op last Chef Staf Militair Gezag heeft A. Cammaert, Inspecteur van Politie, Commandant Staf Politie Reserve te Amsterdam, overgenomen van den Directeur van de Strafgevangenis te Utrecht den gedetineerde M. Rost van Tonningen.'

Al is er geen keihard bewijs, het is wel mogelijk een onderbouwd vermoeden voor de reden van deze Amsterdamse interventie te opperen. De Field Security wilde de her en der door haar opgepakte arrestanten, onder wie Rost, na hun verhoor centraal onderbrengen in de gevangenis die op dat moment onder Canadese jurisdictie stond, namelijk de Strafgevangenis Scheveningen. De Field Security kampte echter met een tekort aan personeel voor de uitvoerende taken. In Amsterdam was, zoals De Jong in deel 12 schrijft, een voornamelijk uit (oud-)marechaussees bestaande arrestatieploeg actief die nauw samenwerkte met de Field Security. De betiteling Politie Reserve zegt in dit verband weinig: allerlei groepen die in afwachting van de zuivering van de gewone politiekorpsen overal in het land politietaken waarnamen, noemden zich zo. Een leidinggevende van deze Amsterdamse arrestatieploeg belastte zich dus met het transport van deze prominente gevangene.

Waar Rost in de nacht van 4 op 5 juni was, is niet na te gaan. Wegens de slechte verbindingen, waardoor een tocht van Utrecht naar Den Haag nog bijna een hele dag kon duren, is het onwaarschijnlijk dat Rost diezelfde avond van 4 juni nog in Scheveningen is afgeleverd. Daartegen spreekt ook de verklaring die Musserts tweede man Van Geelkerken, die eveneens in 'Scheveningen' vast zat, in 1948 aflegde. Hij was 'op een nacht in de maand juni' 1945 uit zijn cel gehaald om met een gevangene te worden geconfronteerd. Die gevangene bleek Rost van Tonningen te zijn. De volgende ochtend, bij het openen van de cellen, had Van Geelkerken gehoord dat Rost zojuist van de eerste verdieping naar beneden was gesprongen en dood was. De confrontatie met Van Geelkerken heeft dus op de avond van 5 juni plaatsgehad en is alleen verklaarbaar als we ervan uitgaan dat Rost zojuist was binnengebracht.

Waar kan Rost dan wel zijn geweest? Een plaats dient zich dan als mogelijkheid aan, gezien de herkomst van Rosts bewaker: Amsterdam. De administratie van alle gevangenissen en huizen van bewaring in Amsterdam, en die van het cellencomplex aan het Amsterdamse hoofdbureau van politie is nagenoeg volledig bewaard gebleven, maar de naam van Rost van Tonningen komt er niet in voor. Dat hoeft evenwel niets te betekenen. Volgens de historicus Guus Meershoek, co-auteur van een boek over de bevrijding van Amsterdam, had de Amsterdamse arrestatiegroep die met de Field Security samenwerkte, een eigen tijdelijke gevangenis in een gevorderd schoolgebouw of iets van dien aard in Amsterdam Zuid. Het is heel goed mogelijk dat Rost daar de nacht heeft doorgebracht en de volgende ochtend op transport naar Scheveningen is gegaan. De lange reistijden in aanmerking nemende, kan het dan kloppen dat Rost op de avond van 5 juni in de Scheveningse gevangenis arriveerde. Hij moest een cel op de eerste verdieping van het hoofdgebouw betrekken.

Duitse sluipschutters

Nu van het verhaal over de dagenlange martelingen die Rost in Scheveningen moest verduren, niets is overgebleven, zou denkbaar zijn dat ook de aan Jacob Gros toegeschreven onthulling over een complot ter bevrijding van Rost onzin is. Dat is niet zo. Wel degelijk deed op de avond van 5 juni 1945 het sterke gerucht de ronde dat er een poging tot bevrijding van de nazi-prominenten uit de gevangenis op handen was. Alleen werden geen Haagse politiemannen voor samenzweerders aangezien, maar Duitse sluipschutters en hun gewapende NSB-handlangers. Die zouden zich in de Wassenaarse duinen - dezelfde als die waar Rost vijf jaar eerder zijn 'Florelore' om haar hand had gevraagd - schuilhouden. Waar dat gerucht vandaan kwam, is een raadsel.

De enige die er ooit iets over heeft geschreven, is mr. A. Adama Zijlstra, directeur van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen, die het Kurhaus en enkele grote hotels in Scheveningen bezat. In zijn memoires (Vaarwel Scheveningen) beschrijft Adama Zijlstra hoe hij in de nazomer van 1945 na een jarenlange afwezigheid (Scheveningen was Sperrgebiet geweest wegens de kans op een Geallieerde landing op de kust) in de badplaats terugkeerde en de bunkers met de tussenliggende gangenstelsels aan het strand te zien kreeg. ' Wat mij niet erg aanstond, was de omstandigheid dat uit deze gangen in de achter ons liggende zomermaanden reeds ettelijke Duitse 'snipers', dus sluipschutters, waren tevoorschijn gehaald en dat vermoed moest worden dat er nog enkelen waren overgebleven, ' schreef hij. ' Tenminste, men vond voortdurend etensresten, lege blikjes etc. Vermoed werd dat deze 'snipers' 's nachts op roof uit gingen. Ik besloot mijn deur goed op slot te houden' (Adama Zijlstra woonde tijdelijk in een van de EMS-hotels).

In elk geval was het gerucht over de aanstaande overval vanuit de duinen die juni-avond zo sterk dat detachementen van de marechaussee en van de Prinses Irenebrigade het consigne kregen een cordon rond de gevangenis te leggen. Onder degenen die die nacht paraat waren om de aanval af te weren, waren W. M. Erwich en A. N. Westdorp, twee Zeeuwse rijkspolitiemannen die tijdelijk dienst deden bij de Koninklijke Marechaussee in Den Haag. Hun gewone taak was het verrichten van politiediensten en het overbrengen van gevangenen, maar op de avond van die vijfde juni ' waren we opgetrommeld om wacht te lopen, buiten de eigenlijke gevangenis, maar binnen de muren, ' herinnert Erwich zich. ' Er gebeurde niets die nacht. Toen het licht werd, het moet tegen zessen zijn geweest, kregen we te horen dat de extra bewaking werd ingetrokken en dat we ons in de gevangenis moesten verzamelen.' De centrale hal van de gevangenis stroomde vol tijdelijke bewakers. Ondertussen openden de cipiers zoals elke ochtend om zes uur de celdeuren, en de gevangenen kwamen een voor een naar buiten om hun ton te gaan legen.

' Net toen ik binnenkwam, ' aldus Erwich, ' zei iemand: 'Rost van Tonningen komt naar buiten!' Ik wist niet precies hoe hij eruit zag, maar ik zag anderen omhoog kijken naar een bepaalde cel op de eerste of op de tweede verdieping. Er stonden twee man, de bewaarder met de sleutel en een man met een geweer. Er kwam een man met een tonnetje naar buiten.' De bewaarders, voor wie dit kennelijk routine was, maakten zich op om met de gevangene tussen zich in richting trappenhuis te marcheren. Erwich weet zeker dat niemand de gevangene Rost aanraakte. ' Het lijkt me trouwens onhandig iemand te vermoorden terwijl je wordt bekeken door tientallen vreemden van wie je niet weet hoe ze zullen reageren.' Erwich vervolgt zijn ooggetuigeverslag: ' Hij [Rost] deed een stap richting trappenhuis, liet plotseling het tonnetje vallen, stapte op de balustrade af en gooide zich er met zijn hoofd voorover overheen.'

Erwichs collega Westdorp moest van verder weg komen en was op het moment van Rosts val nog niet in de gevangenis. Hij arriveerde een paar minuten later. ' Toen ik langs de portier kwam, zei hij: 'Als je Rost van Tonningen nog wilt zien: die is dood. Over de balustrade gesprongen. Hij ligt er nog.' Westdorp, politieman onder alle omstandigheden, schreef deze woorden meteen in zijn agenda omdat hij dacht dat ze misschien nog eens van nut konden zijn.

    • Gerard Mulder
    • Met Medewerking van Jeannette Joosten