Verhoudingen bij 'etnische studies' ernstig verstoord; Rapport kraakt optreden van hoogleraar culturele minderheden C. P. Mullard

AMSTERDAM, 5 dec. - Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam gaat een onderzoek instellen naar de situatie binnen het centrum voor raciale en etnische studies (CRES).

Aanleiding is de al jarenlang verstoorde werkverhouding tussen hoogleraar dr. C. P. Mullard en zijn medewerkers. Volgens rector magnificus prof.dr. S. K. Thoden van Velzen wordt voor dit onderzoek binnenkort een vertrouwenspersoon van buiten aangetrokken. Het college heeft daarvoor drs. B. de Hon gevraagd, burgemeester van Diemen en oud-lid van het college van bestuur.

De problemen kwamen eind oktober naar buiten. Mullard reageerde toen op het rapport van een 'innovatiecommissie' die het reilen en zeilen binnen de faculteit der pedagogische, andragogische en onderwijskundige wetenschappen (PAOW), waar het centrum is ondergebracht, heeft onderzocht.

De commissie, ingesteld door het faculteitsbestuur, noemde de ontwikkeling van de in 1984 ingestelde leerstoel van Mullard 'teleurstellend'. Studenten hadden weinig belangstelling voor het vakgebied, het terrein van de leerstoel (onderwijs en culturele minderheden) werd 'matig bestreken' en onderzoeksopdrachten bleven uit. De commissie adviseerde het centrum op te heffen en de medewerkers onder te brengen bij de vakgroep onderwijskunde, dan wel van het centrum een werkgroep te maken waaraan ook andere vakgroepen deelnemen.

Volgens Mullard hoeven de bevindingen van de commissie met betrekking tot zijn centrum geen verbazing te wekken. 'Mijn achtergrond is niet het onderwijs en etnische studies, ik ben socioloog van origine. Tijdens de sollicitatiegesprekken is dat ook helder naar voren gekomen', aldus de hoogleraar in een reactie in het Amsterdamse universiteitsblad Folia.

Ook speelt volgens hem een rol dat bij het kiezen van onderzoeksonderwerpen in centra als het zijne een 'witte' en een 'zwarte' invalshoek kunnen botsen. Mullard is zwart, de meeste van zijn medewerkers zijn van Nederlandse afkomst.

Mullards reactie staat haaks op de inhoud van een vertrouwelijk en anoniem rapport dat medewerkers van het centrum op verzoek van het faculteitsbestuur begin dit jaar hebben opgesteld. Aanleiding voor het verzoek waren aanwijzingen omtrent het slecht functioneren van het centrum op het terrein van onderzoek, onderwijs, bestuur en beheer.

In het vertrouwelijke rapport wordt op al deze terreinen de vloer aangeveegd met Mullard. Volgens de opstellers heeft Mullard nauwelijks belangstelling voor het onderzoek van zijn staf, heeft hij de laatste jaren onvoldoende gepubliceerd en is hij niet geinteresseerd in het verwerven van onderzoeksfondsen.

Voorts kritiseren zij Mullards begeleiding van studenten en promovendi. Wat beheer en bestuur betreft wordt hem vooral verweten vaker niet dan wel op het centrum aanwezig te zijn en vele, hoge reis- en onkostendeclaraties in te dienen waarvan sommige, aldus het rapport, dubbel zijn geind. Problemen zijn er ook met de 'tijdrovende' nevenwerkzaamheden van Mullard, die volgens de opstellers bestaan uit werk aan de University of London, 'examining work' aan Engelse universiteiten en een eigen, eveneens in Groot-Brittannie gesitueerd advies- en trainingsbureau.

Een van zijn vroegere promovendi, dr. H. G. Dors: 'Ik besloot eind 1984 bij Mullard te promoveren. Al snel bleek dat hij tijd noch belangstelling had voor mijn onderzoek. Afspraken kwam hij niet na, op de hoofdstukken die ik hem stuurde kwam geen respons.' Dors, van Surinaamse afkomst, wilde promoveren op inter-etnische vriendschapsrelaties. Hij zocht twee extra begeleiders. In zijn proefschrift staat Mullard als laatste promotor vermeld. Dors vindt het 'een probleem' dat een hoogleraar de taal van het land waarin hij werkt niet kent. In de zes jaar van Mullards hoogleraarschap heeft een promovenda haar onderzoek bij hem afgerond, met een Engelstalig proefschrift.

In het vertrouwelijke rapport worden meer promovendi aangehaald die slechte ervaringen hebben gehad met Mullard. In een aantal gevallen is hem verzocht zich als promotor terug te trekken. Varina Tjon-a-Ten, een van de betrokken promovendi, noemt Mullards (tijdelijke) begeleiding 'een schoonheidsfout'. Volgens een onderzoekster die anoniem wenst te blijven zei Mullard haar dat hij alleen als promotor wilde optreden als zij jaarlijks 50.000 gulden betaalde voor administratieve bijstand van het centrum, waar zij een dag per week zou moeten verblijven. Daarop verbrak zij het contact. Dors noemt Mullard 'een keiharde materialist', die 'zelfs een keer heeft geprobeerd geld van de rekening voor mijn onderzoek te halen'.

Ook hij wijst erop dat Mullard weinig onderzoek verricht of binnenhaalt. In het rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vorig jaar uitbracht over 'Allochtonenbeleid' komt Mullards naam in de 85 voetnoten van het hoofdstuk Onderwijs niet voor. Volgens een woordvoerder van SVO, het instituut dat onderzoek ten behoeve van basis- en voortgezet onderwijs coordineert, 'is de bijdrage van het centrum voor raciale en etnische studies minimaal'. Hem is maar een project bekend: een evaluatie van het onderwijsvoorrangsbeleid in Amsterdam.

Naar aanleiding van het vertrouwelijke rapport gaf het college van bestuur dit voorjaar een externe acountant de opdracht een onderzoek in te stellen naar de financiele handelwijze van Mullard. De acountant vond wat dat betreft geen onregelmatigheden. Daarop besloot de hoogleraar tegen de gang van zaken bij de totstandkoming van het vertrouwelijke rapport in beroep te gaan. Zijn advocaat, mr. A. van Hees, diende vervolgens een klaagschrift in bij het Ambtenarengerecht in Amsterdam, waarvan de mondelinge behandeling volgend jaar januari wordt verwacht.

In het klaagschrift worden de anonimiteit, de onvolledigheid en de onjuistheid van het vertrouwelijke rapport gelaakt. Van Hees: 'In feite is de zaak afgerond. Immers, uit het acountantsrapport blijkt geen verwijtbaar handelen. De vertrouwenspersoon die het college van bestuur aanstelt zal zijn onderzoek richten op het functioneren van het centrum als geheel. Mijn client wil nu weten waar het anonieme rapport vandaan komt.'

Ook Thoden van Velzen onderstreept dat er, gezien de uitkomst van het acountantsrapport, geen aanwijzingen zijn van laakbaar financieel handelen door Mullard. 'Het onderzoek dat wij nu willen moet duidelijk maken waarom de onderlinge verhoudingen zo ernstig verstoord zijn. Er heerst binnen het centrum een sfeer van wederzijds wantrouwen. Mullard had er waarschijnlijk beter aan gedaan zijn medewerkers te vertellen waar zijn buitenlandse reizen voor dienden.'

Op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen antwoordt Thoden van Velzen: 'Als je in het Maagdenhuis zit (het bestuurscentrum van de UvA - red.), duurt het een tijdje voor je weet wat elders binnen de universiteit aan de hand is.'

Dr. H. G. Dors daarentegen meent dat 'men uit angst om voor racist te worden uitgemaakt de situatie bij het centrum heeft laten doorzieken. Mullard geeft veel mensen het idee dat ze vooral niets negatiefs over zwarten mogen zeggen. Intussen telt hij zelf in het wetenschappelijke wereldje niet meer mee. Hij doet geen onderzoek en heeft dus niets nieuws te melden. Het is bij retoriek gebleven. Maar zo'n uitspraak zal hij, zelfs van mij als zwarte, wel racistisch vinden'.

Mullard weigert 'in dit stadium' van het nieuwe onderzoek commentaar te geven.