'Keating Five' zitten klem tussen geld en gunsten

WASHINGTON, 1 dec. - Wat een toeschouwer van een zitting van de Amerikaanse Senaat doorgaans opvalt, is de hoffelijkheid, de vele complimenten, schouderklopjes en gevleugelde woorden waarmee de meestal oudere 98 heren en twee dames elkaar bejegenen. Als een senator het volstrekt met een ambtgenoot oneens is, heeft hij 'alle respect voor de zeer eminente heer uit South Carolina met wie ik van mening verschil'.

Maar de afgelopen week boden de hoorzittingen van de Commissie voor Ethiek een heel ander tafereel. Vijf senatoren zijn ervan beschuldigd dat ze ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op toezichthouders van de overheid op spaarbanken om een belangrijke geldschieter voor hun verkiezingscampagnes te ontzien. Deze contribuant was Charles Keating, de voorzitter van een conglomeraat van spaarbanken dat op de staatskosten van twee miljard dollar failliet is gegaan.

Tegen Keating loopt nu een strafzaak wegens fraude. De vijf betrokken senatoren hebben de bijnaam de 'Keating Five' gekregen: de Democraat Dennis De Concini en de Republikein John McCain uit Arizona, de Democraten Alan Cranston uit Californie, Donald Riegle uit Michigan en voormalig astronaut John Glenn uit Ohio.

De zes senatoren van de Commissie voor Ethiek staan nu voor de onaangename taak deze vijf collega's uit hun club te berispen of zelfs te royeren. Hun voorzitter, Howell Heflin, was ongebruikelijk direct tegenover de eminente collega's: 'Veel medeburgers geloven blijkbaar dat u bent omgekocht, dat u uw senaatslidmaatschap hebt verkocht, dat u uw eer en goede naam voor contributies en andere voordelen hebt verhandeld.'

Op de achtergrond speelt zowel de wijze waarop campagne worden gefinancierd als het spaarbankschandaal dat de belastingbetalers meer dan een half miljard dollar kan gaan kosten. Eerder sneuvelden al de toenmalige voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, Jim Wright, en de toenmalige Democratische leider in het Huis, Tony Coelho, door onethisch gedrag dat te maken had met spaarbanken.

Volgens de wet mogen senatoren voor hun campagne contributies accepteren van belangengroepen en individuen. Ook mogen ze kiezers of bedrijven uit de eigen deelstaat helpen met bureaucratische problemen. De 'Keating Five' voerden een lobby voor een zakenman die 1,3 miljoen dollar aan hun campagnes bijdroeg. De vraag waar de commissie nu voor staat, is of een senator wel mag lobbyen voor een geldschieter.

De meeste senatoren vinden dat geoorloofd. Geen enkele geschreven ethische code voor de Senaat zou dergelijke gelijktijdigheid verbieden. 'Anders zou ik nooit een kiezer mogen helpen als die aan mijn campagne had bijgedragen', zei een senator tijdens de hoorzittingen.

De senatoren beschuldigen de onafhankelijke advocaat Robert Bennett, die de feiten voor de ethische commissie heeft uitgezocht, van een tendentieuze presentatie en van het uitvinden van regels die nergens zijn vastgesteld. Senator Cranston zegt dat de belangenverstrengeling slechts schijn is. Hij zegt dat veel senatoren onder de regels van Bennett 'dekking moeten zoeken'. Uiteraard zijn er ook veel senatoren die tegelijkertijd diensten verlenen en geld ontvangen. Maar niet voor kiezers die Keating heten. Bennett stelt dat iedere beroepsgroep de 'schijn van belangenverstrengeling' moet voorkomen, dus ook senatoren.

Pogingen tot hervormingen van de wijze van financiering van verkiezingscampagnes zijn dit jaar gestrand. De Democraten wilden de bijdragen van de belangengroepen niet missen en de Republikeinen wilden hun eigen geld en dat van rijke mensen kunnen blijven gebruiken. Geld is een belangrijk machtsmiddel voor Congresleden. Bij de afgelopen Congresverkiezingen van 6 november hebben zich nauwelijks verschuivingen voorgedaan omdat uitdagers nooit zoveel geld voor televisiereclame bij elkaar kunnen krijgen als zittende Congresleden.

In zijn hoogtijdagen stond de spaarbankmagnaat Keating bekend als geslaagd zakenman en filantroop die geld gaf aan moeder Teresa. De Federale Raad van Toezicht op Hypotheekbanken dacht na enig onderzoek anders over Keatings edelmoedigheid. Hij gaf zichzelf als topman van de spaarbank Lincoln Savings jaarinkomens van twee tot drie miljoen dollar. Veel familieleden plaatste hij in directieposities, ook tegen vorstelijke salarissen, zodat de familie Keating tientallen miljoenen tegelijk verdiende. Ook leende hij miljoenen uit aan projectontwikkelaars die nooit bouwden.

Lincoln Savings bleek geen enkele interne richtlijn voor dergelijke leningen te kennen. Acountants van het vooraanstaande kantoor Arthur Andersen vulden de mappen van Lincoln Savings later met schijnpapieren voor de leningen, die aanvankelijk nooit waren gedocumenteerd. Keating meende zich dit net zoals veel andere spaarbankdirecteuren te kunnen veroorloven omdat president Reagan, gesteund door het Congres, de toezichtregels zoveel mogelijk wilde opheffen. De overheid was wel aansprakelijk omdat ze alle spaarbankrekeningen tot 100.000 dollar had verzekerd.

Keating oefende veel druk uit op senatoren en congresleden om de onderzoekers van de overheid uit zijn spaarbank te houden. Zijn campagnebijdragen waren duidelijk niet filantropisch bedoeld. De voorzitter van de Commissie voor Banken bijvoorbeeld, senator Riegle, had voor zijn campagne geld van Keating gekregen. Kort daarop had Riegle een vergadering belegd tussen de senatoren en de voorzitter van de Federale Raad van Toezicht voor Hypotheekbanken. Een senator, Concini, ging daarbij zelfs zo ver dat hij de voorzitter van de raad, Ed Gray, voorstelde een nieuwe regel in te trekken die de investeringen van spaarbanken aan banden legde. Keating zou dan als tegenprestatie weer geld uitlenen voor hypotheken.

De senatoren McCain en Glenn trokken zich uit de zaak terug zodra ze hoorden dat er een strafonderzoek gaande was tegen Keating. Onderzoeker Bennett vindt daarom dat zij vrijuit gaan. Cranston en De Concini bleven doorlobbyen voor hun weldoener die uiteindelijk een einde heeft gemaakt aan hun goede naam.

    • Maarten Huygen