Zware wapens zijn hier op hun plaats; Het beleid van de welstandscommissies

Wat is het nut van welstandscommissies? Ze beoordelen niet of een gebouw mooi of lelijk is, maar of een ontwerp aan de gestelde eisen voldoet en of het gebouw past in zijn omgeving. In de ogen van het publiek is het adviserende werk van de commissies nooit goed. Ook de betrokken architecten zijn niet helemaal tevreden, er zou beter moeten worden samengewerkt met gemeentebesturen: 'Of je moet de hele zaak vrijgeven, zoals in Belgie, of de welstandscommissies moeten zo vroeg mogelijk bij de plannen voor stadsontwikkeling worden betrokken.'

Van duiventil tot wolkenkrabber, van dakkapel tot treinstation: nagenoeg alles wat in Nederland wordt gebouwd, is door een welstandscommissie bekeken en beoordeeld. Sinds begin deze eeuw is deze kwaliteitscontrole bij wet verordonneerd, maar helpt het ook? Is Nederland er mooier door geworden - of hooguit minder lelijk? De 'Schoonheidscommissies' zijn een oneindige bron van meningsverschillen en een dankbaar mikpunt van spot. Wie zijn deze onzichtbare bewakers, dat zij voor ons mogen uitmaken wat schoonheid is? 'De debilisering van het stadsbeeld, de vertrutting van de woonstijl, de vermonsterlijking van de horizon, het staat allemaal op rekening van de architecten', schrijft Gerrit Komrij in Het boze oog.

In de afgelopen paar jaar is de controle op het uiterlijk van Nederland aanzienlijk verscherpt. In Rotterdam, Den Haag en Maastricht zijn de welstandscommissies opnieuw opgezet, met nieuwe leden en meer politiek gewicht.

Het lijkt nu dan ook onbestaanbaar dat de Schoonheidscommissie begin deze eeuw eerst het ontwerp voor de Bijenkorf afkeurde en vervolgens het Koninklijk Instituut voor de Tropen, dat als een 'onrustig agglomeraat van de meest verschillende bouwfragmenten' werd omschreven, 'hetwelk zich kwalijk aanpast aan het straatbeeld ter plaatse'. Geergerd vroeg de directeur van Publieke Werken zich af, of de commissie bestond uit 'kunstrechters' voor wie de politici nederig het hoofd moeten buigen, of eenvoudigweg een sluis was die de 'zieltogende eentonigheid' moet voorkomen. 'Het is voor de grondexploitatie van veel belang', schreef hij, 'dat de commissie geen eisen stelt, waaraan slechts kunstenaars kunnen voldoen.'

Dat alles speelde zich af in 1913, maar heeft aan actualiteit niets verloren. De Bijenkorf en het Tropeninstituut zijn er gekomen, ze zijn voor de stad gezichtsbepalend geworden. Hetzelfde geldt voor Rietvelds huis voor Truus Schroder in Utrecht. 'Schoonheid' kan dus een kwestie van gewenning zijn. De Beurs van Berlage bijvoorbeeld werd bij oplevering zwaar gekritiseerd, en het neo-Gothische Rijksmuseum en Centraal Station van de katholieke architect Cuypers ontlokten ook veel kritiek. In de jaren dertig vond de architect J. Gratama, lid van de Schoonheidscommissie voor Amsterdam-Zuid, dat de Nieuwe Zakelijkheid alleen ergens afgelegen in een soort 'concentratiekamp' zou moeten worden getolereerd.

Het is dus mogelijk dat de Lombroso-toren van De Nederlandsche Bank op het Frederiksplein, overigens afgekeurd door de welstandscommissie, over een eeuw als een architectonische maatstaf wordt beschouwd. En wie weet komt er een tijd dat de kantoorwijken van Amsterdam-Zuidoost, nu een leegte waarin lukraak dozen zijn neergezet, ooit worden verklaard tot beschermd stadsgezicht.

Als de opvattingen over 'mooi' en 'lelijk' en 'passend' met de tijd zo verschuiven, wat is dan het nut van de welstandscommissies? 'Over mooi en lelijk, over kwesties van stijl laten we ons niet uit', zegt Theo Bosch, architect en sinds bijna vier jaar voorzitter van de nieuwe welstandscommissie in Den Haag. 'Kwaliteit staat in de architectuur los van stijl. Wij beoordelen of het programma van eisen goed is opgelost, hoe het gebouw in de omgeving past, of de gevel meer is dan alleen een decor. Al is de stijl nog zo mooi, een dode straatwand van bergingen wordt afgekeurd.'

Van een slecht ontwerp kan geen commissie iets briljants maken, hoogstens - met een mengeling van kritiek en begeleiding - iets aanvaardbaars. Het werk van deze bewakers van het stadsbeeld is per definitie onzichtbaar; wij als voorbijgangers, werknemers, bewoners zullen nooit weten hoeveel erger het allemaal had kunnen zijn.

Hemelbestormers

Het is juist de 'prophylactische werking' van het welstandstoezicht die de gedreven socialist Henri Polak in 1925 roemt in de brochure Laren in het Gooi: de schoonheid van het oude dorp en hetgeen gedaan werd om deze te behouden en te hernieuwen. Schoonheid laat zich niet per verordening afdwingen, erkent Polak. 'Doch het is volkomen gewettigd, te verklaren, dat het bouwen van absoluut leelijke, hinderlijke, opzichtige, banale, met het karakter van landschap en dorp strijdige, voorkomen werd.'

Op initiatief van burgemeester Van Nispen tot Sevenaer had Laren in 1912 als eerste een Schoonheidsbepaling opgenomen in de bouwverordening. De schilders van de Haagse School hadden het pittoreske dorp ontdekt en het raakte steeds meer in trek. 'Allerlei zonderlinge menschentypen, onmaatschappelijken, nieuwlichters, wereld- en hemelbestormers, quasi-artiesten, decadenten en gedegenereerden van diverse pluimage, voelden zich tot dat milieu aangetrokken, leefden erin of zwierven er om heen', aldus Polak.

Hij fulmineert tegen de gevolgen - 'leelijke villa's, allerakeligste burgerwoninkjes met serres als vogelkooitjes' - en vreest dat Laren net als Hilversum en Bussum 'zijn karakter zal verliezen en overgeleverd zal worden aan de genade van den grondspeculant, van den eigenbouwer en den prularchitect. Het intuitieve schoonheidsgevoel van vroegere geslachten scheen geheel verloren te zijn gegaan.' Triomfantelijk besluit hij: 'Wie bouwen wil te Laren weet bij voorbaat, dat een minderwaardig ontwerp geen kans heeft, toegelaten te worden. Het reeds begonnen onheil werd gekeerd en het bedrijven van meerder euvel werd voorkomen.'

Het voorkomen van 'meerder euvel' is ondankbaar werk. Kenmerkend voor het werk van de welstandscommissies is dat het nooit, maar dan ook nooit goed is: of de waakhonden van de welstandscommissies hebben liggen slapen ('hoe hebben ze dat ooit kunnen goedkeuren?') of het zijn bedilzieke kritikasters (volgens de indieners van afgekeurde plannen). Met het afkeuren van bouwplannen maken de commissieleden zich evenmin populair bij hun vakgenoten. Frank Wintermans, architect in Eindhoven en sinds anderhalf jaar lid van de nieuwe Maastrichtse welstandscommissie: 'De plaatselijke kring van de architectenbond was aanvankelijk blij dat wij meer inbreng kregen. Maar nu blijkt dat wij meer afkeuren dan goedkeuren, zet dat kwaad bloed.'

Wintermans begeleidt in Maastricht de ontwikkeling van een gebied waar de kopers van kavels hebben moeten beloven zich voor de hedendaagse architectuur in te spannen. Hij geeft zonder omhaal toe dat het vaak frustrerend is. 'De meeste kopers willen gewoon zo snel mogelijk een huis, en van de architecten is zestig, zeventig procent gewend zeer traditionele woningen te bouwen. Wij proberen ze tot een moderner architectuur aan te sporen, maar van de vijf die ik van de week heb begeleid is er een die er naar mijn idee wat van kan.' Heeft het dan nog zin? 'Sommige architecten denken nu langer na voordat ze bij ons komen. Maar bij tachtig procent denk ik nog altijd: hier is niet meer dan een middag over nagedacht.'

Betuttelend

'Schoonheidscommissies' hadden de naam behoudende clubs te zijn die het als hun missie zagen om alles wat modern was, tegen te houden. Begin jaren tachtig gingen er stemmen op om dit achterhaalde, betuttelende instituut af te schaffen: deze vorm van controle was volgens tegenstanders duur, veel te subjectief en veroorzaakte onnodige vertraging. Maar binnen slechts enkele jaren tijd heeft het welstandstoezicht een heel ander imago gekregen. Veel van de mensen die nu ermee belast zijn, moesten er vroeger niets van hebben.

Tjeerd Dijkstra bijvoorbeeld, ex-Rijksbouwmeester en supervisor van de Amsterdamse IJ-oevers, heeft als student 'het stel oude bebaarde heren' vervloekt dat zijn eerste opdracht afkeurde, een huis dat hij voor een oom in Bilthoven zou bouwen: er moest per se een schuin pannendak op. Toen die oom, een prominente hoogleraar, daarop dreigde Bilthoven te verlaten besloot de wethouder het advies van de commissie toch maar te negeren.

Die ommezwaai is deels te danken aan de toegenomen belangstelling voor architectuur, zowel bij de politiek als bij het publiek. Bovendien is bij gemeentebesturen het besef doorgebroken dat een stevig welstandstoezicht een bruikbare verdediging kan zijn tegen projectontwikkelaars. Zware wapens zijn hier op hun plaats, zegt architect en lid van de welstandscommissie in Amsterdam Sjoerd Soeters. 'In de ogen van projectontwikkelaars zijn gebouwen geen statement, geen uiting van cultuur, maar puur een investering die net als een auto wordt afgeschreven aan de hand van grondprijzen en bedrijfsresultaten.'

De Rotterdamse commissie probeert ook de positie van de architect te versterken. 'We bieden architecten rustig de kans ons oordeel te 'misbruiken' om de opdrachtgever te pressen tot betere architectuur', zegt Wim van Krimpen, directeur van de Kunsthal in Rotterdam en lid van de welstandscommissie die daar anderhalf jaar geleden een nieuwe opzet kreeg. 'De architecten willen vaak meer, maar worden door hun opdrachtgever gedwongen om budgettaire redenen water in de wijn te doen. Daarom zeggen we af en toe: een beetje minder grondexploitatie, graag, en een beetje meer architectuur.'

De welstandscommissies zijn nog altijd adviesorganen, geen 'kunstrechters'. Het staat de politici vrij van de adviezen af te wijken - dus moeten ze het hebben van hun gezag en een goede verstandhouding met de politiek. 'Je moet het volle vertrouwen hebben van het stadsbestuur, anders nemen de architecten en bouwers je niet serieus', aldus Van Krimpen. 'Zo simpel is het.'

Dakkapellen

Het lot wil, dat de Amsterdamse welstandscommissies - een voor de oude, een voor de nieuwe stad - aan de Wibautstraat vergaderen, een verkeersader die als een litteken dwars door een kleinschalige woonbuurt is getrokken. Vandaag bevat de agenda van de 'commissie nieuwe stad' bijna vijftig punten. Naast grote bouwplannen, bijvoorbeeld rond Sloterdijk en het Westelijk Havengebied, zit daar ook veel klein grut bij, zoals bergingen, dakkapellen en een schuur van betonnen planken voor de imkersvereniging van Amsterdam-Noord (die overigens wordt afgekeurd: landelijk Noord vraagt om donkergroen hout).

Een stedebouwkundige van de deelraad Osdorp komt voor de tweede keer praten over een plan voor een blok kantoren en woningen. Sjoerd Soeters heeft er geen goed woord voor over. 'Osdorp heeft een eenduidige architectonische taal', legt hij uit. 'De bebouwing daar heeft allemaal ongeveer dezelfde hoogte en ligging. Er is geen reden om zo'n ongelooflijk zware massa op een hoek te plaatsen, en ook nog schuin. Dit is een Mondriaan waar een bos bloemen is ingetekend. Ik vind het soep.'

Ondanks deze duidelijke afwijzing is de ambtelijk secretaris er niet gerust op. 'Ik ben bang dat ons advies opzij wordt geschoven en dat het er over een jaar toch staat. De stedebouwkundigen van nu krijgen steeds meer weg van projectontwikkelaars.'

Een politiek gevoelige bouwaanvraag ligt nu voor de vierde keer bij de welstandscommissie: PTT Telecom wil in Sloterdijk een hoofdkantoor bouwen. 'Neo-stalinistisch, ' zegt Soeters, 'een slechte vorm van barok. De PTT wil nadrukkelijk een autoritair, centralistisch gebouw. Als welstandscommissie kun je niets aan die wens veranderen, hoogstens aan de vertaling ervan in architectuur.' Maar burgemeester Van Thijn liet al blijken de maquette mooi te vinden - waarop architect en opdrachtgever met een vage glimlach om de lippen achterover konden gaan zitten. 'We hebben al drie gesprekken gehad met de architecten, maar ze trekken zich niets aan van onze kritiek. De PTT zegt botweg: niet goed? Dan gaan we ergens anders heen. Door daarmee te dreigen is de tweede toren van de Nederlandsche Bank er ook gekomen.'

Slotstuk van de middagzitting is een berging in Zuidoost. De commissieleden vermoeden dat de foto van dit corpus delicti door de buren is ingestuurd. Betrapt! 'Guttegut', verzucht de secretaris, 'de welstandscommissie als concierge.'

Scharnieren

In Den Haag, Rotterdam en Maastricht waar het welstandstoezicht is verscherpt, worden de commissies eerder bij plannen van de gemeente betrokken dan in Amsterdam en zitten de politiek en het welstandstoezicht dus meer op een lijn. De benoeming van de voorzitters, respectievelijk de architecten Theo Bosch en Jan Hoogstad, was duidelijk een politieke keuze. Het verschil in waardering met Amsterdam blijkt uit de honorering: in Rotterdam is dat fl. 250 per uur, in Amsterdam amper fl. 150 per dag.

In Rotterdam wordt tachtig procent van de bouwaanvragen door de ambtenaren afgehandeld. 'Alleen de plannen die van wezenlijke invloed zijn op het beeld van de stad, de 'scharnierpunten', worden aan ons voorgelegd', zegt Wim van Krimpen, die samen met Hoogstad en de Groningse hoogleraar Ed Taverne in de nieuwe commissie in Rotterdam zit. Onder het regime van dit drietal is spiegelend glas taboe. 'De glazen doos van Nationale Nederlanden naast het station vinden wij niet direct publieksvriendelijk', zegt Van Krimpen droogjes. 'Dat ontwerp is van voor onze tijd, wij hadden het ook nooit goedgekeurd. Je moet aan de buitenkant van een gebouw kunnen zien waar de verdiepingen zitten. De mensen die er werken moeten een eigen zonwering hebben en zelf een raam kunnen opendoen. Eisen die voor de architectuur nogal ingrijpend zijn. Natuurlijk is een centrale klimaatbeheersing veel goedkoper, maar over de kosten geven wij geen mening.'

Over een ding zijn alle betrokkenen het eens: of je moet de hele zaak vrijgeven, zoals in Belgie, of de welstandscommissies moeten zo vroeg mogelijk bij de plannen voor stadsontwikkeling worden betrokken. Als de commissie pas iets te berde kan brengen als het gebouw al getekend is, vist ze achter het net. Daarom eiste Theo Bosch bij zijn aantreden in Den Haag dat de commissie zich niet alleen met bouwplannen mocht bezighouden, maar ook met de stedebouw. Daar is bovendien wekelijks 'collegiaal overleg' met afzonderlijke architecten, zelfs over zeer voorlopige schetsen.

Zo moet het in Amsterdam ook, zegt Sjoerd Soeters: 'De problemen waar de welstandscommissie voor wordt geplaatst zijn steeds meer stedebouwkundig van aard. Wij moeten kunnen meepraten over de uitgangspunten van een plan en niet alleen over de vorm van de ramen. Nu gaat het zo van: doe maar een voorstel, dan zien we wel. De discussie wordt gevoerd in het luchtledige.'

Medeschuldig

Met de verschuiving van de architectuur van het utilitaire naar het kunstzinnige zijn ook de criteria voor wat 'wel staat' ongrijpbaarder geworden. 'In de vorige eeuw bestond er een eenheid van constructiemethodes, materialen, normen van techniek en cultuur', zegt Sjoerd Soeters. 'Nu is er een veelheid aan opvattingen die met elkaar botsen, die naast elkaar een kakofonie vormen. In architectenland is de tendens naar normloosheid; ook in de opleidingen ligt de nadruk sterk op individuele uitingen. Er worden nu ontwerpen goedgekeurd die het tien jaar geleden zeker niet hadden gehaald.

'Het gevaar bestaat dat de commissie medeschuldig is aan een gebouw dat veel en veel beter had gekund. Maar een heleboel architecten kunnen gewoonweg niet beter! Velen komen bij ons en vragen: hoe wilt u het hebben, commissie, zeg het maar. Zonder enige persoonlijkheid of architectonische stellingname.'

In welstandscommissies zitten voornamelijk architecten, steeds vaker bijgestaan door stedebouwkundigen en mensen uit de werelden van de monumentenzorg en de beeldende kunst. Zou het oordeel van de commissie niet representatiever zijn als er meer niet-architecten in zaten, meer gewone 'gebruikers'? Soeters ziet er niets in. 'Met iemand die niet meer kan inbrengen dan dat hij een ontwerp - en dan ook nog op papier - mooi of lelijk vindt, kun je geen debat voeren. Aan een opinie zonder motivering heeft niemand iets. Zoals gezegd: het is niet zo dat gebouwen die sommigen mooi vinden en anderen lelijk, er niet zouden mogen komen.'

Welstandstoezicht is van meet af aan een zaak van architecten onderling geweest, zegt Dirk Baalman, architectuurhistoricus aan de Vrije Universiteit en auteur van de studie naar de dubbelzinnige verhouding tussen het welstandstoezicht en degenen die de controle uitoefenen. 'Al zolang als de Schoonheidscommissies bestaan wordt over de samenstelling geredetwist. Het basisprincipe is hetzelfde als van een jury: zet een aantal subjectieve deelnemers bij elkaar en er komt een min of meer objectieve consensus uit. Die consensus over wat kwaliteit is, blijkt er ook altijd te zijn - althans onder vakgenoten.'

Bij het vellen van een oordeel wordt volgens Baalman wel degelijk gelet op de naam van de ontwerper. 'Een aannemer of timmerman krijgt van onder uit de zak', zegt hij, 'terwijl bij een collega, zeker als het iemand is met een naam, er niet echt wordt ingegrepen. Op deze manier leggen ze zichzelf en elkaar normen op, maar maatschappelijk gezien is het een soort eigenrichting.'

De 'schoonheid' van Nederland is gebaat bij architecten die elkaars opvattingen en ontwerpen bestrijden - al is dat binnen het gesloten, en daardoor omstreden circuit van de welstandscommissies. De hang naar een strengere controle op bouwplannen is wellicht een teken van een wijdverbreide onvrede over hoe Nederland eruitziet. Die controle is sinds dit voorjaar ook ingebouwd in de nieuwe Woningwet, die gemeenten verplicht in hun bouwverordening welstandscriteria op te nemen. Direct daarop werd er een stuurgroep gevormd - want wat die criteria zijn, weet nog niemand.