Zo ging het in 1950 met N-Korea

NEW YORK, 30 nov. - De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft slechts een keer eerder vergelijkbaar gebruik van geweld gesanctioneerd: toen hij in de zomer van 1950 een door de Verenigde Staten geleide alliantie toestond de Noordkoreaanse invasie van Zuid-Korea ongedaan te maken.

Dit was mogelijk omdat China, dat Noord-Korea steunde, nog geen zetel in de raad had. Die werd bezet door in de in Taiwan gevestigde Nationalistisch-Chinese autoriteiten. Uit protest daartegen boycotte de Sovjet-Unie de raad sinds 13 januari 1950.

Toen communistisch Noord-Korea op 25 juni 1950 het zuiden binnenviel, kwam de Veiligheidsraad nog diezelfde dag bijeen. Hij bepaalde dat de Noordkoreaanse actie een schending van de vrede vormde, en riep op tot een onmiddellijke terugtrekking van de Noordkoreaanse troepen naar de grens langs de 38ste breedtegraad.

Twee dagen later aanvaardde de raad een resolutie waarin werd geconstateerd dat Noord-Korea zich niet had teruggetrokken, en dat militaire spoedmaatregelen noodzakelijk waren. Daartoe ried hij de lidstaten aan Zuid-Korea de noodzakelijke hulp te geven om de aanval af te slaan. De VS gaven daarop hun luchtmacht opdracht tot acties tegen Noordkoreaanse doelen en begonnen een marine-blokkade van de Koreaanse kust.

Op 7 juli nam de Veiligheidsraad weer een resolutie aan, waarin hij alle VN-leden aanried troepen en andere militaire hulp ter beschikking te stellen van 'een verenigd commando onder de Verenigde Staten'. Hij vroeg de VS een commandant te benoemen en gaf de troepenmacht toestemming de VN-vlag te voeren in de loop van haar operaties tegen Noordkoreaanse troepen, samen met de vlaggen van de verschillende deelnemende landen. (Reuter)