Zelfpellende bananen

Commissaris Kalebas was met zijn vrienden Krijn en Nelis aan het pakken voor hun volgende overlevingstocht. 'Zwitsers zakmes, primus, spiritus, twee stukjes huishoudzeep', zei hij, terwijl hij deze artikelen een voor een in zijn rugzak stak. 'Dat is allemaal wel mooi en aardig, maar zullen we voor de zekerheid ook maar niet wat krachtvoedsel meenemen? Je weet maar nooit op die Drentse hei. Schrijf op, Nelis: 'een kokosbrood, twee stukken ontbijtkoek, een pond hagelslag. En... ja, koop ook nog maar een lekkere tros zelfpellende bananen!'

Vandaag gaan we kijken hoe een banaan zich geheel zelfstandig van zijn schil kan ontdoen, als je hem maar de mogelijkheden geeft. We hebben nodig: een flink rijpe banaan, een beetje spiritus, lucifers en een fles waarvan de halsopening net iets smaller is dan de banaan.

Ontbloot alleen het topje van de banaan. Giet wat spiritus in de fles, steek deze aan door er een brandende lucifer op te gooien en zet dan snel de ontblote bananenpunt op de fles. De halsopening is nu afgesloten door het vruchtvlees van de banaan, terwijl de schil aan de buitenkant zit.

Als je dit allemaal goed hebt uitgevoerd, betekent dat maar een ding: gaan met die banaan! De vrucht zal zich onder het uitstoten van onwelvoeglijke geluiden de fles inwurmen, waarbij hij zich en passant van zijn jasje ontdoet.

In feite is het natuurlijk niet de banaan zelf, maar de spiritus die voor deze pelstunt zorgt. Bij het verbranden van de spiritus wordt de zuurstof opgebruikt. Omdat de fles is afgesloten door de bananenpunt, kan er geen zuurstof meer van buiten worden aangezogen en daalt de luchtdruk. De druk van de buitenlucht is daardoor groter dan die in de fles, met als gevolg dat de banaan naar binnen wordt geduwd en daarbij zijn schil kwijt raakt.

Een variant op deze truc is om een gepeld hardgekookt ei door een (te nauwe) hals van een fles te laten zuigen. Het ei gaat er in een wip doorheen, terwijl alle andere manieren die je probeert leiden tot het stukgaan van het ei. Een leuk raadsel voor verjaarspartijen.

De oudste bewaard gebleven ondubbelzinnige referentie aan het noorderlicht uit de Klassieke Oudheid dateert van 476 voor Christus, een fragment van Plutarchus. Aristoteles beschreef het in zijn Meteorologica uit eigen waarneming. De Romein Seneca verhaalt in zijn Naturales Quaestiones trouwens van een voor de hand liggende vergissing: op een avond in het jaar 37, tijdens het bewind van keizer Tiberius, rukten vanuit Rome enkele cohorten soldaten uit naar de nabije kustplaats Ostia, omdat de hemel daarboven rood gekleurd was en de nederzetting dus waarschijnlijk in brand stond. Het was uiteraard slechts het noorderlicht.