Worteltjes

Sinterklaasje bonne bonne bonne,

Die eet wortels: vele vele tonnen,

Wanneer de bomen zijn ontbladerd

En de maand December nadert.

Reken maar uit: miljoenen kinderen

Zetten (wie zou ze verhinderen?)

Elke nacht hun schoentjes klaar;

En in zo'n schoen, wat vindt Piet daar?

Een winterwortel voor 't paard.

Geen kleintje is dat dier vervaard,

Maar tien ton wortels is wat veel,

Dat krijgt 't beest niet door zijn keel.

Dus gaat de rest naar Sint en Piet,

Een andere oplossing is er niet:

Ze moeten dagelijks wortels eten,

Tot ze zich geen raad meer weten.

Op Maandag worteltjes, gestoofd,

Ten minste een bord of drie per hoofd,

En Dinsdag, onder regenbuien,

Drie borden hutspot zonder uien.

Op Woensdag warme worteltaart,

Een flink stuk wordt bewaard voor 't paard.

En Donderdags eten ze wortelpuree,

Ook daarvan eet het paard weer mee.

Op Vrijdag eten ze ze rauw,

Op de daken, in de kou,

En, zelfs bijna buiten Westen,

Op Zaterdagen nog de resten.

Maar Zondag, bij de wortelsoep,

Riep Piet: genoeg van al die troep!

Wortelbroodjes, wortelbollen,

Wortelkoekjes, wortelrollen,

Wortelbrei en wortelpap,

En grote glazen wortelsap:

't Wordt tijd om dat nu af te wijzen,

Wij zijn gewend aan Spaanse spijzen!

Ik wed dat zelfs de Goede Sint

Die wortels niet te vreten vindt.

Vat moed, vat moed! sprak Sinterklaas,

Blijf je tegenzin de baas,

Na de zesde, moet je weten,

Kunnen we weer Spaans gaan eten.

Tot volgend jaar om deze tijd

Zijn we dan van de peen bevrijd.