Wagner betwijfelt nut Oosteuropa bank

WASSENAAR, 30 nov. - Een groep invloedrijke Nederlanders, onder wie voormalig Shell-topman dr. G. A. Wagner en drs. F. A. Engering (directeur-generaal buitenlandse economische betrekkingen van Economische Zaken), heeft twijfels over de oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. De groep, bestaande uit ondernemers, wetenschappers, ambtenaren en politici, heeft de afgelopen maanden onderzoek gedaan naar de situatie in Oost-Europa. Gekeken is ondermeer naar de mogelijkheden en onmogelijkheden voor het Nederlands bedrijfsleven in die regio.

In het vandaag gepubliceerde onderzoeksrapport schrijft de groep: 'Er is geen grond gevonden om geheel nieuwe instellingen en organisaties te vormen. De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling is een uitzondering en er is alle aanleiding het daarbij te laten. Haar rol is vooralsnog onduidelijk, maar de concretisering van het beleid moet nauwlettend worden gevolgd.'

Wagner voegt daaraan zelf toe: 'Je moet je altijd twee tot drie maal bedenken voor je nieuwe organisaties opricht. Die leiden tot meer bureaucratie en als ze er eenmaal zijn gaan ze nooit meer weg, ook niet als ze overbodig zijn geworden. Ik vraag me af of deze taak (die de Oosteuropa bank nu op zich heeft genomen - red.) niet gewoon aan de Wereldbank had kunnen worden toegevoegd.' Volgens Wagner moet het reilen en zeilen van de Oosteuropa bank nauwlettend worden gevolgd, 'want er zit tenslotte ons belastinggeld in'.

Wagner is voorzitter van de Oost Europa studiegroep van de Atlantische Commissie en van de Europese Beweging in Nederland. Deze studiegroep heeft vandaag haar bevindingen aangeboden aan staatsecretaris Van Rooy (economische zaken) onder de titel 'Midden en Oost-Europa, een concrete uitdaging voor Nederland en de Gemeenschap'.

De studiegroep concludeert dat het Nederlands bedrijfsleven het verhoudingsgewijs in Oost-Europa niet zo goed doet, mede als gevolg van te zwakke financiele ondersteuning door de overheid. De Nederlandse overheid zou bij voorbeeld de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM) op Oost-Europa meer financiele armslag moeten geven, ze zou de Wet herverzekering investeringen moeten uitbreiden naar Oost-Europa; en zou de Nederlandse ambassades in die regio moeten versteren met mensen die voldoende op de hoogte zijn van de noden en behoeften van het Nederlands bedrijfsleven.

Wagner zelf komt met wat gewaagdere aanbevelingen. Zo pleit hij in verkapte termen voor het in het leven roepen van een aparte staatssecretaris voor Oosteuropese Zaken. Maar hij verwacht dat zijn idee in politiek Den Haag wel onmiddellijk naar beneden zal worden gehaald. Hij vindt ook dat Nederland moet bekijken in hoeverre ontwikkelingsgeld dat nu nog naar de Derde Wereld gaat, niet beter kan worden gebruikt voor de opbouw van Oost-Europa.

'Ik ben geen voorstander van het beknibbelen op ontwikkelingshulp. Maar ik vind wel dat Oost-Europa ten minste net zoveel aandacht moet krijgen als de Derde Wereld en dat die aandacht moet worden vertaald in actie, in geld. Ik vind dat we moeten bekijken of we het geld dat we over de gehele linie te besteden hebben voor ontwikkelingssamenwerking, wel effectief genoeg gebruiken.'

Over zijn voorstel om een aparte staatssecretaris voor Oosteuropese Zaken te benoemen, merkt Wagner op: 'Dat is niet bedoeld als kritiek op de huidige regering. De problemen in Oost-Europa zijn gewoon veel complexer geworden. (...) Als je geintegreerde informatie wil hebben en een geintegreerd beleid, waarbij de ene hand weet wat de ander doet, moet je ergens een focal point hebben. Als ik premier was zou ik een staatssecretaris willen hebben.'

Wagner is verheugd over de afbraak van het IJzeren Gordijn, heeft hoop voor de toekomst, maar is ook bezorgd over de instabiliteit 'die per definitie volgt op vrijheid na lange onderdrukking'.