Verzwakt front

PRESIDENT BUSH heeft niet helemaal zijn zin gekregen. De Irakezen hebben twee weken langer dan Bush had gewild de gelegenheid om zich op een aanval van de multinationale strijdkrachten voor te bereiden. Vooral de Sovjet-Unie en Frankrijk hadden erop aangedrongen Saddam Hussein iets meer tijd te geven voor bezinning. De betreffende resolutie waarin de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vanaf midden-januari ledenlanden tot het gebruik van geweld machtigt om Irak uit Koeweit te verdrijven is aangenomen met twee stemmen tegen, Cuba en Jemen, en bij een onthouding, China.

Met name de verbreking door Peking van de eensgezindheid die de vijf permanente leden tot dusver tegenover Irak hadden weten te bewaren, is teleurstellend. Weliswaar heeft China geen gebruik gemaakt van zijn veto, maar zijn onthouding is een verzwakking van de positie van de Verenigde Naties. De Chinezen geven als uitleg dat een eventueel gewapend optreden tegen Irak ook buiten de regio zodanig ernstige gevolgen zal hebben, dat zij zich daar niet achter kunnen scharen. Dit argument plaatst hun steun voor de vorige tegen Bagdad gerichte resoluties in een merkwaardig licht, want het houdt in dat de werking van het Handvest van de Verenigde Naties zover reikt als op een bepaald ogenblik opportuun wordt geacht.

EEN STEEKHOUDENDER argument voor onthouding bij de stemming over de resolutie zou geweest zijn de boycot van Irak nog wat langer een kans te geven, een argument dat in de hoorzittingen van de Amerikaanse Senaat opgeld blijkt te doen. Het probleem bij een verlengde boycot is dat het Iraakse leger al maanden bezig is Koeweit niet alleen formeel maar ook praktisch van de kaart te vegen. Een eerdere beslissing van de Veiligheidsraad om de beschikbare gegevens van de oorspronkelijke Koeweitse bevolking in verzekerde bewaring te nemen, duidt aan dat hier geen spoken worden opgeroepen. Als het doel van de acties van de VN inderdaad het behoud van een lidstaat van de Volkerenorganisatie is, dan zullen de aangewende middelen daartoe moeten reiken. Een langdurige boycot of een gewapend optreden, het blijft wat dat betreft een keuze uit twee kwaden.

De uitspraak van de Veiligheidsraad plaatst ledenlanden voor een probleem. Een aantal malen is bijvoorbeeld Nederland al gevraagd zijn militaire inspanning in de Golf op te voeren, voorzover bekend was het verzoek gericht op gespecialiseerde eenheden die de aanwezige grondstrijdkrachten zouden kunnen bijstaan. Een van de argumenten waarmee Den Haag het verzoek op armlengte heeft gehouden, was dat er eerst een uitspraak van de VN moest zijn. Die is er nu en de nieuwsgierigheid gaat ernaar uit waartoe dat in de praktijk zal leiden. Hier ligt een verantwoordelijkheid waaraan men zich niet kan onttrekken zonder aan geloofwaardigheid in te boeten.

UITERAARD VALT op dat de lidstaten van de Veiligheidsraad die de jongste resolutie onderschreven lang niet alle een militaire bijdrage leveren aan de onderneming. Met name de afwezigheid van de Sovjet-Unie is markant. Minister Sjevardnadze suggereerde dat zijn land na Tsjechoslowakije en Afghanistan behoefte heeft aan een laag militair profiel in de wereld. Men kan voor die overweging waardering hebben en toch vaststellen dat zij afbreuk doet aan de positie van de Verenigde Naties indien het tot een gewapend optreden komt. De rol van de Verenigde Staten is nu overheersend, een toestand die buiten en binnen dat land om uiteenlopende redenen op groeiende weerstand stuit. Het anti-Saddamfront heeft nu zijn verregaande legitimatie maar raakt meer en meer politiek verzwakt.