Twintigste-eeuws portret vaak zelfportret

Tentoonstelling: Eigenwijze portretten. Stadsgalerij Heerlen, Raadhuisplein 19, Heerlen. T/m 16/12; open: di t/m vr 11-17 uur, za en zo 14-17 uur. Catalogus fl. 15,00.

De belangstelling voor traditionele schilderkunst neemt toe. Decennia lang was het schilderen niet echt bon ton, en wanneer er in galeries en musea voor hedendaagse kunst al schilderijen werden getoond, moesten die een 'grensverleggend karakter' hebben. Tegenwoordig organiseren als vooruitstrevend bekend staande galeries en kunstcentra echter weer tentoonstellingen van figuratieve schilderijen.

In de stadsgalerij te Heerlen is nu een expositie te zien van portretten. Geert van Beieren, een van de twee eigenaren van galerie Art en Project, stelde op verzoek van de Rijksdienst Beeldende Kunst een tentoonstelling samen uit de Rijkscollectie. Hij koos werk van vier hedendaagse schilders en een beeldhouwster, bij wie alle vijf het portret een hoofdrol speelt. De exposanten - Charlotte van Pallandt (1898), Dolf Henkes (1903-1989), Ad Gerritsen (1940), Emo Verkerk (1955) en Philip Akkerman (1957) - vertegenwoordigen drie kunstenaarsgeneraties. Het is een eigenzinnige en geraffineerde selectie van werken. De door Van Beieren gekozen portretten hebben niets te maken met het traditionalisme dat onder het mom van vernieuwing de huidige golf van salonkunst kenmerkt.

In de voorgaande eeuwen was het portret een soms meer, soms minder geidealiseerde afbeelding van een persoon. In het portret, dat als zelfstandige kunstvorm in de Renaissance ontstond, viel van alles af lezen over de geportretteerde: behalve zijn karakter bijvoorbeeld ook zijn sociale positie.

In de twintigste-eeuwse portretkunst is hiervan nauwelijks sprake. In de loop der eeuwen is het portret eerder een weerspiegeling geworden van de zieleroerselen van de schilder. Natuurlijk speelde de subjectieve interpretatie van de kunstenaar altijd al een rol, maar in de twintigste eeuw is die interpretatie de eigenlijke inhoud van het portret geworden. Dat geldt ook voor de portretten die in Heerlen te zien zijn. Hier hebben de schilders zich niet uitgeput in de minutieuze weergave van sieraden, zijde en brokaat om de sociale status van de geportretteerde te illustreren en zijn er geen welsprekende gebaren te zien die iets over het karakter moeten verduidelijken. Soberheid kenmerkt de moderne portretten en de afgebeelde personen zijn op een enkele uitzondering na anoniem of zelfportretten.

Charlotte van Pallandt neemt op de tentoonstelling in verschillende opzichten een uitzonderingspositie in. Zij schildert niet maar werkt in brons, en zij heeft vele portretopdrachten uitgevoerd. Een aantal daarvan is op de expositie te zien. Het zijn klassieke koppen, van bijvoorbeeld koningin Juliana en Baronesse van Heemstra, waaruit vooral verhevenheid spreekt, soms met een lichte ondertoon van melancholie. Boeiender zijn de kleine beeldjes in een vitrine. Leunende Vrouw (1965) heeft prachtige contouren. De welvingen van rug en schouderbladen, versterkt door een draaiing van hoofd en schouders, zijn met grote aandacht en liefde gemodelleerd.

De vorig jaar overleden schilder Henkes heeft al zijn werken aan het rijk vermaakt. De door Van Beieren gekozen doeken zijn geen portretten in de strikte zin van het woord, maar eerder anekdotische voorstellingen, waarin een niet nader gedefinieerd type - een Mexicaanse vrouw, een voorbijganger bij een terras op Curacao - het middelpunt is. De drie overige exposanten schilderen uitsluitend portretten. Zij gebruiken alle drie het portret als middel tot introspectie, maar dat is dan ook de enige overeenkomst tussen hun onderling sterk verschillende doeken.

Gerritsen schildert gezichten van fictieve personen: een Cineaste, een Vrouwenportret en een Mannenportret. Zijn gestileerde werkwijze neigt naar abstractie, met weinig details, harde contouren en grote kleurvlakken. De kleur is een belangrijk expressiemiddel. Zo verlenen de violette en zeegroene kleurnuances aan de Cineaste een dromerig, meditatief karakter. Verder overheersen echter vervreemding en kille verstarring. Akkerman concentreert zich sinds 1981 op het maken van zelfportretten. Steeds weer schildert hij zijn gelaat met de vlezige mond en de hoge jukbeenderen, in driekwart profiel. Het is alsof hij met zijn turende blik zichzelf probeert te doorgronden. Hij heeft verschillende stijlen doorlopen, van pointillisme tot een tijdloos realisme. In elkaars gezelschap komen deze portretten het best tot hun recht. Als zelfstandige schilderijen hebben ze niet voldoende zeggingskracht.

Het lijkt alsof Verkerk het portret opnieuw heeft moeten uitvinden. Zijn afbeeldingen van door hem bewonderde of geliefde personen zijn intuitief en atmosferisch van aard en ze wekken de indruk dat hij tastend zijn weg vindt en pas na lang zoeken de juiste elementen voor zijn portretten bij elkaar heeft. Zo begon hij ooit gezichten samen te stellen uit fragmenten die hij als kartakteristiek beschouwde: bijvoorbeeld alleen een oor en een haarlijn. De laatste paar jaar voegde Verkerk de fragmenten samen tot een hechter geheel totdat hij de collage verruilde voor het 'gewone' schilderen in olieverf op linnen. Verkerks portret van Slauerhoff - ook weer eerder een impressie van of een hommage aan de dichter dan een portret - is het hoogtepunt van de expositie in Heerlen. Slauerhoff is omgeven door een zacht en grijzig licht zoals je aantreft in de vochtige atmosfeer bij de Noordzee. Er spreekt weemoed uit de kleuren, uit zijn gezicht en uit de hele sfeer. Hij heeft een pet op, uit zijn mond bengelt een sigaret. In het frisse roze gelaat schilderde Verkerk met een paar sierlijke, trefzekere verfstreken een rode neus en mond. Dit is echte, onvervalste expressionistische schilderkunst.