Twaalf maanden en 1,8 mln geeist voor visfraude Urk

ZWOLLE, 30 nov. - Tegen een oud-wethouder van Urk en de huidige directeur van de gemeentelijke visafslag is gisteren voor de rechtbank in Zwolle een gevangenisstraf geeist van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk. Wegens de betrokkenheid bij het ontduiken van vangstquota is tegen de gemeente Urk een boete van 1,8 miljoen gulden geeist.

De gemeente Urk, eigenaar van de visafslag, werd in 1985 en 1986 veroordeeld omdat ze Urker vissers actief had bijgestaan bij het ontduiken van de vangstbeperkende maatregelen. 'Heel Urk werkt samen om ondanks Europese regelgeving te zorgen dat hardwerkende mensen brood op de plank houden', aldus de oud-wethouder visserijzaken in zijn laatste woord voor de meervoudige kamer van de rechtbank.

De Zwolse officier van justitie, mevrouw I. van Zevenbergen, legde de oud-wethouder en de directeur van de gemeentelijke visafslag valsheid in geschrifte ten laste. Ook zouden ze zich hebben onttrokken aan de bewaarplicht van 'weegbrieven'.

Uit de reconstructie van de zaak door de officier kwam naar voren dat begin 1988 de gemeentelijke visserijafslag van Urk er slecht voorstond. Vissers verhandelden een belangrijk deel van hun vangsten buiten de afslag om ten einde de controle te bemoeilijken van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van landbouw en visserij (AID).

Uit het requisitoir - door de raadsman van de gemeente, mr. A. van Stigt, smalend 'een spannend jongensboek' genoemd - kwam naar voren dat twee inwoners van Urk, onafhankelijk van elkaar, een constructie hadden opgezet die voor alle betrokkenen voordeel opleverde. Van de vissers kochten zij het deel van de vangst dat eigenlijk illegaal werd aangevoerd. Die partij kwam wel op de afslag terecht maar kon, mede door de opstelling van de visafslag, niet meer aan een viskotter worden toegeschreven. Ook het vangstdeel dat nog in het bezit was van de vissers werd vervolgens verhandeld via de afslag. 'Het ging erom dat de afslag weer het middelpunt werd', aldus de voomalige wethouder visserijzaken.

Om potentiele kopers duidelijk te maken dat het ondanks de ingewikkelde constructie ging om een en dezelfde vangst werden de twee gedeelten onmiddellijk na elkaar geveild. 'De kopers wilden nu eenmaal graag de herkomst weten van de vis', aldus de officier.

In de hal van de afslag stond de totale vangst nog steeds nagenoeg bijeen. Alleen voor de AID moest de gemeenschappelijke herkomst verborgen blijven. Op iedere kist met vis behoort volgens de wet een briefje te liggen waarop die herkomst is aangegeven. Op het ene deel van de kisten lagen dan ook briefjes met het scheepsnummer, een zogenaamd UK-nummer als het gaat om Urker kotters. Op het deel van de vangst dat al een keer was 'verkocht' werd een briefje gelegd met de aanduiding IS, gevolgd door drie getallen. Die aanduiding was voldoende voor verwerking via de computer van de afslag, maar gaf geen enkele aanwijzing over herkomst en eigenaar van de partij. Op deze constructie baseerde mevrouw Van Zevenbergen haar aanklacht van valsheid in geschrifte.

Er ontstond een probleem toen betrokkenen zich realiseerden dat de 'weegbrieven' van de vangsten voor de AID een nuttig hulpmiddel konden zijn bij het achterhalen van fraudes. Dat document dient twee jaar te worden bewaard, maar dat durfden de betrokkenen niet aan. De weegbrieven werden eerst vanuit de afslagadministratie overgebracht naar het archief van het gemeentehuis van Urk en vandaar zijn ze meegenomen en vernietigd.

Op 4 oktober 1988 ging de AID tot actie over. Er werden huiszoekingen verricht. De betalingscircuits werden via de banken op Urk ontrafeld. Tot in mei 1989 zijn de telefoons van de betrokkenen afgeluisterd. Enkele betrokkenen werden enige dagen in verzekerde bewaring gesteld.