Topkitsch I

In Boedapest zag ik onlangs de nieuwe opera Mario en de Magier van Janos Vajda, op een verhaal van Thomas Mann, en even daarna de premiere in Amsterdam van Jan van Vlijmens Van Gogh-opera Un malheureux vetu de noir; vervolgens in Brussel de opera Stephen Climax van Hans Zender (op Joyce's Ulysses), en tussendoor nog een zelfstandig deel van Kagels Staatstheater op de Duitse televisie - zo kon het wel weer even. Al die werken zijn van huis uit serieel, dat wil zeggen gebaseerd op de reeksentechniek. Drie van de vier (Van Vlijmens opera uitgezonderd) maken daarnaast gebruik van muzikale stijlcitaten, bij Kagel zelfs bijna exclusief (een paar Beckettiaans afgedragen gitaarakkoorden, heel nostalgisch).

Deze weinig hoopgevende ervaringen hebben mij opnieuw gesterkt in de overtuiging dat het serialisme niet geschikt is voor het theater. Het mist ieder vermogen tot een dwingende harmonische progressie, en dus tot drama. 'Alles kan', zei Boguslav Schaffer, de Poolse reeksen-theoreticus, anything goes: ieder (chromatisch) akkoord kan op ieder (chromatisch) akkoord volgen. Er is geen hoorbare reden meer waarom de ene oplossing 'goed' is en de andere 'fout', zoals bij de klassieke diatonische tonaliteit. (Dit toonbederf is begonnen met de gigantische harmonische glijmanoeuvres van Richard Wagner.)

Het resultaat van een en ander is een muziek die alleen nog maar kan hollen of stilstaan, telkens opnieuw, een hele avond lang, doodvermoeiend. Omdat de Reeks geen waarneembare muzikale dieptestructuur is, ontstaat een volstrekt decoratieve muziek, gespeend van ieder drama. De stilistische (diatonische) quotes dienen dan om dit bezwaar te ondervangen. Het resultaat is onveranderlijk een soort muzikaal montagedier, met de kop van een stier, het lijf van een vis, een vogelstaart, vleermuisvleugels, kippepoten, en veel, heel veel insektesprieten - een stilistisch monstrum zonder levensvatbaarheid, laat staan dat het zou kunnen vliegen. Het is kitsch voor intellectuelen, topkitsch.

Het irritante van de consonante volkskitsch van schlagers en operettes is vooral het bedachte ervan, de doorzichtige emotiemanipulatie - het is 'niet geboren maar gemaakt'. De dissonante intellectuelenkitsch is daarbij vergeleken cerebraal-in-het-kwadraat, afgeladen met pretenties, en navenant weerzinwekkend. Het is mensonterend om te zien hoe een deel van het publiek onder leiding van zijn hulpbehoevende critici zichzelf bedriegt en daar steeds weer intrapt; en hoe weinig het ze allemaal kan schelen - morgen halen ze weer een ander pak bij de Society Shop.

De opera, zoals we die kennen van het bloeiende repertoire, kon pas ontstaan aan het begin van de Renaissance, toen het diatonische serialisme van de middeleeuwse Nederlandse Scholen eindelijk overwonnen was. De geboorte van de opera was tevens de geboorte van de diatonische tonaliteit, zoals die tenslotte door Rameau theoretisch zou worden geformuleerd - overigens onder veel tegenzin van zijn tijdgenoten.

Maar niets is zo praktisch als een goede theorie: een paar eeuwen zou de opera (en die niet alleen) hierdoor in bloei staan. Met de komst van Schonbergs chromatisch serialisme ging de opera in een creatieve winterslaap. Daaruit zal ze pas weer gewekt worden in de lente van een nieuwe, chromatische tonaliteit. Die lente is in aantocht.