Symboliek van de Brandenburger Tor; De rol van Westerse televisiecamera's bij val van de Berlijnse Muur; De Brandenburger Tor werd het decor voor speelfilms en musicals; Overal verrezen Germania, Bavaria en andere allegorische dames

Henri Beunders, oud-correspondent van NRC Handelsblad te Berlijn, heeft onderstaande tekst gisteren uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

Na de val van de Muur stond de Brandenburger Tor bijna permanent in het licht van de cameralampen. Terecht, want vrijwel iedereen was het eens met de uitspraak dat de Duitse kwestie open was zolang de Brandenburger Tor gesloten bleef. In de Westerse media komt men sindsdien wel de opvatting tegen dat al die deining rond de Brandenburger Tor vooral een media-spektakel was. Sommigen gaan nog een stapje verder: het waren de Westerse media die deze poort hebben opengebroken. De tv-golven uit het Westen mogen dan misschien niet de kracht hebben gehad van een laserstraal, maar toch wel van de permanente waterdruppel die het Oostblok uiteindelijk heeft uitgehold.

Theorieen

Het opvallende aan deze opvatting is dat deze juist opduikt in een periode waarin de zo populaire theorieen over de grote invloed van de televisie danig in moeilijkheden verkeren. Deze theorieen kwamen op het volgende neer. 1. De televisie is een manipulatie-instrument van de elite. 2. De televisie herbergt zedelijke gevaren. De kijker heeft - in een negatieve omdraaiing van Bertolt Brechts uitspraak: 'Im Kino bekommt man den Appetit, zu Hause wird gegessen' - sterk de neiging buiten na te doen wat hij binnen ziet. 3. De kijker raakt door die wirwar van beelden langzaam maar zeker de kluts kwijt en kan ten slotte de fictie niet meer van de werkelijkheid onderscheiden. Deze kritische visies kwamen samen in de overtuiging dat het uiteindelijke resultaat van al die televisie de 'Mediamens' zou zijn, die men zich als een zombie of zelfs als een menselijke mutant zou moeten voorstellen. De laatste jaren wint evenwel de opvatting terrein dat de kijker, al is het maar dankzij de afstandsbediening, meer baas is over de beeldbuis dan al deze pessimisten voor mogelijk hielden.

Dat de massamedia een invloed hebben gehad op de revoluties in Midden- en Oost-Europa is zonneklaar. Maar welke rol deze media precies hebben gespeeld, dat blijft ondanks alle licht van de camera's nog tamelijk duister. Daarvoor zijn revoluties veel te complexe fenomenen.

Revolutionaire momenten

Jakob Burckhardt, de negentiende-eeuwse cultuurhistoricus, heeft de revolutionaire momenten in de geschiedenis ooit als volgt gekarakteriseerd: 'Allein wenn die Stunde da ist, und der wahre Stoff, so geht die Ansteckung mit elektrischer Schnelle uber Hunderte von Meilen und uber Bevolkerungen der verschiedensten Art, die einander sonst kaum kennen. Die Botschaft geht durch die Luft, und in den einem worauf es ankommt, verstehen sie sich plotzlich alle, und ware es auch nur ein dumpfes: 'Es muss anders werden'!'

Als we de gemoedstoestand van het Duitse volk dat eind vorig jaar rondom de Brandenburger Tor samendromde, willen peilen, is het daarom niet voldoende de aandacht te concentreren op de media. Het woord 'schijn' in schijnwerper betekent niet alleen licht maar ook bedrieglijkheid.

Men kan het verloop der gebeurtenissen niet verklaren zonder de economische, sociale, politieke en militaire aspecten erbij te betrekken. Het is in dit geval ook nuttig de uitstraling te onderzoeken die het bouwwerk zelf heeft uitgeoefend. Dan zien we dat de Brandenburger Tor bijna sinds de opening, twee eeuwen geleden, een centraal decorstuk waar omheen het drama van de Duitse geschiedenis zich voltrok. Dat de poort een magisch monument werd dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Eiffeltoren of het Vrijheidsbeeld, nog al eens van karakter veranderde.

In 1866 verzamelden de Berlijners zich spontaan bij de Brandenburger Tor voor de intocht van de Pruisische troepen die zojuist de Oostenrijkse broeders hadden verslagen. En dat deden ze ook na de zege op de Fransen bij Sedan op 2 september 1870, en wel op de eerste avond na de slag, dit dank zij de uitvinding van de telegrafie. Op deze avond werd de eerste foto van de hel verlichte poort genomen. De Pariser Platz was, zonder veel manipulatie, een heilige plek geworden, voor het seculiere geloof in het Duitse rijk.

De officiele intocht door de poort op 16 juni 1871 van de in Versailles tot keizer gekroonde Wilhelm I bevestigde dit geloof middels een groots en geregisseerd spektakel. Uit heel Duitsland, uit heel Europa waren meer dan een miljoen nieuwsgierigen aangereisd. In de winkels waren alle mogelijke herdenkings-snuisterijen te koop zoals kogelvormige, met de keizerlijke adelaar gekroonde zakhorloges die waarschijnlijk meer patriottisch dan comfortabel waren. Bij de bakkers lagen marsepeinen imitaties van de Brandenburger Tor.

De grote Nederlandse dagbladen versloegen de gebeurtenissen uitvoeriger dan ooit. Het waren becommentarierende en, bij gebrek aan foto's en televisie, zeer beeldende verslagen. 'De geestdrift te beschrijven, welke zich allerwege openbaarde, mag als schier onmogelijk worden beschouwd', zo begon de correspondent van het Handelsblad zijn verslag dat bijna de hele voorpagina vulde. Ook de man in Berlijn van de NRC had er moeite mee. 'Het gegons eener fel bewogen zee kan er slechts eenig denkbeeld van geven'. Hij beschreef de lauwerkransen die als een regen op de overwinnaar neervielen, het statige gelui der klokken, het indrukwekkende gebulder van het kanon, de prins die in de brandende hitte van zijn paard was gevallen. Geen detail bleef de lezer bespaard.

Aan het overwinningsaltaar werden God, de keizer en Bismarck gedankt omdat Duitsland nu de rang had ingenomen die het onder de Europese staten behoorde te bekleden. Een van de dominees zei volgens de NRC-correspondent dat men God vooral dankbaar moest zijn dat hij 'Pruissen en Duitschland sterk en tot beschermer van den Europeeschen vrede heeft gemaakt'. Dat was volgens hem de reden dat het festijn 'zoo ordelijk' was afgelopen. 't Is blijkbaar dat iedere burger, groot of klein, van al dat gewicht, van al den ernst van het feest is doordrongen'.

De Handelsblad-correspondent concludeerde: 'Niemand behoeft te vreezen, dat overmoed zich van de gemoederen van vorst en volk zal meester maken.'

Tot het ontslag van Bismarck in 1890 bleef de Duitse overmoed inderdaad binnen de perken. Intern bleef het vinden van nationale symbolen een probleem, maar niet voor Bismarck. Of de nationale vlag nu groen of geel was, hem was alles goed. Zo had Duitsland geen nationale vlag tot 1892, en kreeg het pas na de Eerste Wereldoorlog een nationale hymne.

De behoefte aan oorlogsmonumenten was echter groot, en de burgers richtten deze spontaan zelf op. Overal verrezen Germania, Bavaria en andere allegorische dames. Ze waren evenwel eerder uitingen van groeiende burgertrots en kunstzin dan van een eensgezinde verering van Duitsland. De monumenten in de stad werden na verloop van tijd tot tramhaltes, de regionale monumenten doelen van zondagse uitjes.

Dit gold ook voor de grote, nationaal bedoelde monumenten in het landschap: het Hermann-monument, het Germania-monument en het Kyffhauser-monument waar Wilhelm I op de top staat met onder hem de slapende, mythische Barbarossa. Wel kwamen hier regelmatig groepen politieke pelgrims bijeen die met het zingen van 'Wacht am Rhein' opstonden en met 'Deutschland uber alles' naar bed gingen. En al deze menselijke en mythische Duitsers die vanaf hun sokkel even somber als krachtig de oneindigheid inkeken, werden misschien wel karakteristiek voor de gemoedstoestand van het Duitse volk. Maar de Brandenburger Tor bleef het bekendste monument, vooral na het aantreden van keizer Wilhelm II in 1888. Toen werd Unter den Linden de pronkallee van de ganzepas waar men, geheel conform de nieuwe ideologie dat de mensheid pas met de luitenant begon, niet veel anders zag dan sabel, helm en vederbos.

Zo zag de Brandenburger Tor in de jaren tot 1914 talloze pompeuze ontvangsten. Hierdoor groeide weliswaar de kloof tussen de kostuumkeizer en zijn volk dat dit theater veel te gekunsteld vond. Maar uiteindelijk, bij het uitbreken van de oorlog, zorgden alle opgekropte sociale spanningen en de gevoelde noodzaak te moeten strijden voor de Duitse cultuur, er toch voor dat de Brandenburger Tor opnieuw het middelpunt werd van een geestdriftige oceaan van mensen zoals in 1866 en 1871. De correspondent van het Handelsblad, Max Blokzijl, bevond zich in deze mensenmassa die op 31 juli 1914 de toespraak van de keizer tot de Berlijners aanhoorde. Hij constateerde 'volmaakte eendracht, volmaakte wil om zich op te offeren'.

Zelfs onder de pacifisten weerklonk de strijdkreet 'Wir wollen toten wie die anderen'. De stelling dat de Duitsers het slachtoffer waren van Wilhelms gerichte mediapolitiek is daarom te eenvoudig. Het nationalisme was een veel complexer fenomeen.

Het gejubel bij de Brandenburger Tor nam af naarmate de oorlog zijn frisse en vrolijke karakter verloor, hoeveel propaganda men ook inzette. De keizer mocht in 1916 nog wel gauw het opschrift 'Dem deutschen Volke' laten aanbrengen boven de ingang van het Rijksdaggebouw, dat hij daarvoor steevast het Rijksapenhuis had genoemd, het volk keerde zich uiteindelijk tegen hem. Op 12 oktober 1918 reed hij voor het laatst door de poort om nooit meer terug te keren.

Eenheid en verdeeldheid liggen dicht bijelkaar in Duitsland. Tijdens de korte burgeroorlog die volgde na november 1918 veranderde de Brandenburger Tor meermalen van bezitter, nu eens was ze van regeringsgetrouwe troepen, dan weer van revolutionaire arbeiders en soldaten.

Na 1920 werd het rustig in de stad. De Brandenburger Tor werd weer een gewone poort, het decor voor speelfilms en musicals. Maar in de politiek van de Weimar Republiek bleef het parool van zowel extreem links als extreem rechts: 'Wer Berlin hat, hat Deutschland'. De Brandenburger Tor werd het toegangsbewijs voor de macht in de nieuwe republiek.

Dat op 30 januari 1933 niet zomaar een nieuwe macht door de Brandenburger Tor trok, maar dat Duitsland met de glans van duizenden lichten zijn donkerste periode inging, dat was voor de onafhankelijke Nederlandse dagbladen onmiddellijk duidelijk. 'Roes als na een revolutie'. Zo luidde de volgende ochtend de openingskop in het Handelsblad. Blokzijl beschreef uitvoerig hoe de fakkeloptocht zich in de Tiergarten in beweging zette richting Brandenburger Tor, hoe lang het 'Heil Hitler' en 'Heil Deutschland' werd gescandeerd, hoe de politie haar zoeklichten niet richtte op de 'bruine batallions', maar op het venster waar Hitler de partijhulde in ontvangst nam.

Zijn conclusie: 'Wij zijn sinds hedenavond op elke toekomstige verrassing voorbereid.'

In de liberale, sociaal-democratische en ook in enkele protestantse bladen, verscheen na de 'Machtubernahme' gedetailleerde informatie over de nazi-praktijken. En dat het mis zou gaan, daarover waren deze auteurs het wel eens. De meeste confessionele kranten zagen Hitler daarentegen als een tijdelijke crisismanager die, aldus De Standaard, in het chaotische Duitsland 'een zegenrijke invloed' zou uitoefenen.

Pas toen duidelijk werd dat de nazi's het christendom helemaal niet zo positief zagen als gedacht, werd hun toon iets scherper, maar niet voor lang. Al snel leidde de druk uit Hitler-Duitsland tot een vergaande zelfcensuur bij bijna alle kranten. Dat de Nederlandse media zichzelf allengs het zwijgen oplegden, was het gevolg van de angst voor het achter Duitsland liggende Sovjet-gevaar, de eigen economische afhankelijkheid van Duitsland en de eigen militair-politieke machteloosheid.

Een aspect werd in de Nederlandse pers van meet af aan onderschat. Dat was het geniale talent van Hitler - die ervan uitging dat de massa door argumenten niet te overtuigen was - om met mythen, symbolen en illusies de gefragmenteerde natie tot een krachtige 'Gemeinschaft' om te toveren.

In tegenstelling tot keizer Wilhelm II maakte hij het volk, weliswaar onder zijn strakke regie, zelf tot hoofdrolspeler in het Duitse drama.

De architectuur nam in Hitlers kunst- en cultuurpolitiek een belangrijke plaats in. Volgens hem had het volk 'verbindende middelpunten' nodig als het niet wilde versplinteren. Daarnaast zag hij de architectuur - die ook voor hem een combinatie moest zijn van orde en schoonheid - als 'gebouwde wereldbeschouwing'. Grote bouwwerken genoten daarom de voorkeur. Ze moesten het individu klein maken, de eigen aanhang sterken in de overtuiging dat de beweging eeuwig was, en het hele volk met zichzelf imponeren om zo het nationale minderwaardigheidscomplex uit te drijven.

De bouwplannen van hoofdopzichter Albert Speer waren een voortzetting van die uit de Weimar-tijd, alleen wat grootschaliger. Op het kruispunt in het centrum moest een triomfboog komen zoals de Parijse Arc de Triomphe, maar dan twee keer zo groot. Naast de Brandenburger Tor was het Grote Plein gepland met plaats voor een miljoen mensen. Aan de rand van deze 'heilige plek' zou een 'Volkshal', verrijzen, waarvoor Hitler - net als voor de triomfboog - ooit zelf een schetsje op papier had gekrabbeld.

De inhoud van deze tweehonderdnegentig meter hoge Dom moest zeventien keer die van de Sint-Pieter worden. De koepel zou bekroond worden met een lichttoren met daarop een wereldbol, en daarop de gouden rijksadelaar. Duidelijker kon de aanspraak van Hitler op de wereldheerschappij niet in architectuur worden uitgedrukt.

Nu was dergelijke imponeer-architectuur natuurlijk niets nieuws. De tendens naar het kolossale formaat kenmerkt in het algemeen de ontwikkeling van de twintigste eeuw. Ook het functionalisme deed eraan mee, en de wederopbloei van het classicisme zag men elders eveneens.

Wat deze bouwlust zo irrationeel maakt was de ongegeneerde imitatie van bestaande vormen die men simpelweg tot in het gigantische wilde vergroten. Dit driedimensionale zwelgen had ook zo zijn risico's. Zo wezen critici van de Volkshalle er bijvoorbeeld op dat zich binnen de koepel wolken zouden gaan vormen, hetgeen het imponerende effect wellicht nadelig zou kunnen beinvloeden.

Het zal duidelijk zijn dat wanneer Germania zou zijn voltooid de Brandenburger Tor als symbool van Duitsland zou hebben afgedaan, ja, tot een soort fietsenrek zou zijn gereduceerd. Maar Germania was eind jaren dertig nog niet voltooid, en voor Hitler bleef de poort voorlopig het centrale decorstuk, waarop telkens de schijnwerpers werden gericht. De belichting, een vast onderdeel van Hitlers toneelregie, moest het monumentale karakter van het Derde Rijk, en het magische karakter van het Duitse volk, onderstrepen.

De wereld van droom en illusie kreeg miljoenen Duitsers in haar greep, zowel door de nationale liturgie waarin de nazi's alle vormen uit de voorgaande eeuwen samenvoegden, als door de politieke terreur en de macht van de propaganda, al is het laatste woord over de preciese relatie tussen behoefte aan en de zelfstandige macht van deze propaganda nog steeds niet gezegd.

Goethe schreef ooit: 'Der Wahn hat, so lange es dauert, eine unuberwindliche Wahrheit', en dat gold in het Derde Rijk nog steeds. In 1940 trokken de troepen nog in triomf door de Brandenburger Tor, maar zodra de bommen op Berlijn begonnen te vallen, keerde men de schijnwerpers angstig naar de lucht in het Westen. Men zag met het oog op het moreel ervan af de quadriga in veiligheid te brengen. Men besloot er een gipsafdruk van te maken. Op het moment dat de sovjetsoldaten de Brandenburger Tor veroverden, was er van het magische monument niet veel meer over. En van Berlijn evenmin.

Wel behield de poort zijn symbolische karakter, maar nu voor de overwinnaars. De laatste militaire vertegenwoordigers van het Derde Rijk werden er met opzet onderdoor gevoerd naar het hoofdkwartier van het Rode leger ter ondertekening van de capitulatie.

Een van de laatste zinnen die Hitler sprak voor zijn zelfmoord was: 'Als het Duitse volk in deze noodlotsstrijd verzaakt, zal ik het niet beklagen'. De Oostduitse staats- en partijchef Erich Honecker zou bijna vijfenveertig jaar later ongeveer hetzelfde zeggen over zijn vluchtende volk. En ook die waarschuwing zou vergeefs zijn. Maar in 1946 was de toekomst nog vol hoop voor de Duitse communisten. Op 1 mei trokken ze 'Bruder zur Sonne' zingend tot aan de Brandenburger Tor die nog net in de Sovjetsector lag. Het was de eerste demonstratie op weg naar de deling van Berlijn, van Duitsland en van Europa.

Zoals bekend pretendeerden de DDR-leiders, in tegenstelling tot die van de Bondsrepubliek, niets van doen te hebben met het Duitsland van Hitler en Bismarck. Wat betreft de symbolen die ze gebruikten om de nieuwe staat vorm te geven - de vlaggen en vaandels, de marsen en fakkels, de uniformen en strijdliederen -, was er evenwel een grote mate van continuiteit te bespeuren.

Ook de DDR beschouwde de bouw- en kunstpolitiek als centraal element in de vorming van de socialistische mens. Daarom beval Walter Ulbricht in 1950 het keizerlijke stadspaleis op te blazen en zijn opvolger Honecker liet juist op deze plek zijn witmarmeren paleis, het Palast der Republik, bouwen.

De Brandenburger Tor bleek echter voor de DDR een te verleidelijk symbool om met de grond gelijk te maken. In 1951 werd de poort provisorisch gerepareerd waarbij de overgebleven resten van Victoria en het vierspan werden verwijderd. Alleen de rode vlag van de wereldrevolutie wapperde nog boven de Pariser Platz. Tijdens de plotselinge opstand van 17 juni 1953 was deze vlag het belangrijkste doelwit van de Oostberlijnse arbeiders.

De Bondsrepubliek werd na 1949 een wat koele staat die haar nieuwe identiteit vond in de opbouw van de democratie en in de economische welvaart. Nationale symbolen werden bewust niet en later slechts zeer geleidelijk weer toegelaten. De zeventiende juni werd een nationale feestdag, maar werd als zodanig niet bij de Verenigde Naties aangemeld. Een herdenking bij het Germaniamonument werd verboden. Het 'Deutschland uber alles'-couplet werd uit het Duitslandlied verwijderd. De onthoofde toren van de Gedachtniskirche werd het ansichtkaartsymbool van West-Berlijn. De Brandenburger Tor kon alleen als heimelijk symbool naar een andere toekomst verwijzen.

Toch was het weer deze poort die, midden in de koude oorlog, voor het opvallendste symbolische contact zorgde. Tijdens een nieuwe poging tot restauratie stuitte Oostberlijn op het probleem dat de ruim duizend gipsafdrukken zich in West-Berlijn bevonden. Na heftige debatten stond de Westberlijnse senaat de vervaardiging van een nieuwe quadriga toe.

Op 22 september 1958 ging na een triomftocht door West-Berlijn de strijdkar de lucht in, gevolgd door Victoria, maar zonder de Pruisische adelaar en het IJzeren Kruis. Dit waren volgens Oost-Berlijn 'met bloed en vuil bezoedelde symbolen van de reactie'.

Hoezeer voor Nederland de afkeer van het communisme de gemengde gevoelens jegens de Duitsers had overvleugeld, bleek na de 'operatie zonder naam' die in de eerste minuut van zondag 13 augustus 1961 werd gestart om de leeglopende DDR van de ondergang te redden. De Brandenburger Tor werd afgegrendeld, er werd een DDR-vlag op gezet, leden van de grenstroepen installeerden zich ernaast.

De Brandenburger Tor werd na augustus 1961 een verplicht nummer voor alle hoge bezoekers aan Berlijn. De bezoekers uit het Oosten namen een kijkje in het 'DDR-informatiecentrum' in het tolhuis. De bezoekers uit het Westen konden niet huiswaarts keren zonder een - door fotografen en camera's vastgelegde - beklimming van het platformpje aan de Muur. Dergelijke beelden werden, net als die van de Glienicker Brucke en Checkpoint Charlie, in de loop der jaren zo'n cliche dat de Westerse media er bijna geen aandacht meer aan besteedden.

Hoe groot de symboolwaarde van de Brandenburger Tor nog altijd was, bleek pas na 9 november vorig jaar. Hoewel met de val van de Muur de deling in de praktijk al was opgeheven, bleven de televisie-ploegen wekenlang kamperen voor de poort. Zij zagen de opening ervan plotseling weer als het symbool van de revolutie, maar ook als dat ene plaatje dat de regiekamer nodig had om de vreugdevolle chaos in Berlijn voor de kijkers overzichtelijk te maken. De volksfeesten rond de poort lieten zich echter niet regisseren. Het waren bonte spektakels waarin iedereen zijn eigen uitleg gaf aan de symbolische betekenis ervan. Zo betastten bij de officiele opening op 22 december vorig jaar oude mensen ongelovig de dorische zuilen, trokken bruidsparen erdoor en verkochten handige handelaren passende buttons, T-shirts en handdoeken.

In de oudejaarsnacht werd de poort extra bijgelicht door een groot vuurwerk. En aangezien heilige plaatsen bijna per definitie onheilige daden uitlokken, klommen jongelui naar de top, gingen daar de paarden en Victoria met hamers te lijf, deden hun behoefte in de strijdkar en bekalkten het geheel met leuzen als 'Vive l'Anarchie'. Na afloop was het dak bezaaid met drankflessen, spuitbussen en wat damesondergoed en telde Victoria's lauwerkrans niet een blaadje meer. Meegenomen als souvenir, zoals beneden de Muur al weken lang tot gratis souvenirwinkel geworden was. Het volk had de natie en haar symbolen onder de voet gelopen.

Sinds de Duitse eenwording geldt de Brandenburger Tor als nationaal monument. Aangezien nationale gedenktekens en symbolen nog altijd een gevoel willen vertolken dat de gehele natie betreft, ging aan het gebruik ervan in de historische nacht van 2 op 3 oktober jongstleden, toen de Duitse eenwording formeel werd bekrachtigd, een politieke woordenstrijd vooraf. De ene geestelijke wilde zijn kerkklokken laten klinken als 'zwevend engelenhaar', de andere weigerde deze 'verordonneerde feestdag met wat vrome rekwisieten op te fleuren'. In Bonn besloot men het 'Schwarz-Rot-Gold' toch maar niet op de Brandenburger Tor te hijsen, aangezien deze er wegens de restauratie onmiddellijk weer vanaf zou moeten worden gehaald, hetgeen als een slecht voorteken voor de Duitse toekomst werd beschouwd.

Op 10 november vorig jaar dankte Willy Brandt God dat hij de val van de Muur nog had mogen beleven. Ook op 3 oktober van dit jaar spraken de politici hun dank uit jegens de hogere machten. President Richard von Weizsacker verklaarde: 'Zo beleven wij de dag van vandaag als een geschenk. De geschiedenis heeft het ditmaal goed met ons Duitsers gemeend.'

Na de stichting van het keizerrijk in 1871 vroeg historicus Heinrich von Sybel zich af: 'Waardoor heeft men de genade van God verdiend, om zulke grote en machtige dingen te mogen beleven? En waarvan zal men daarna leven?' Deze vraag geldt ook vandaag nog in alle hevigheid.

De nacht van 2 op 3 oktober week wat symboliek betreft in elk geval in een aspect af van de vroegere spektakels rondom de Brandenburger Tor. De zegegodin keek dit keer niet neer op overwinnaars of verliezers.

Was dit een teken? Lag het symbolische van deze nacht niet inderdaad juist in het afzweren van het symbolische? Hebben de Duitsers inderdaad niet langer behoefte aan verduidelijking of rechtvaardiging in het symbool? Zijn zij in deze oktobernacht eindelijk tot de normaliteit teruggekeerd? En heeft de televisie de functie overgenomen van magisch medium dat uiting en betekenis geeft aan de grote historische en ceremoniele momenten?

Met al deze vragen zijn we weer terug bij de macht van de media. Ook wat betreft de revolutionaire invloed van de televisie vormt de DDR een verhaal apart, want de Westduitse televisie was in feite al decennia lang 'gesamtdeutsch'. Bijna iedere Oostduitser keek ernaar.

Deze unieke situatie heeft tot de opvatting geleid dat de televisie-uitstraling van welvaart en vrijheid de vlam van het Oostduitse socialisme in de schaduw stelde, die vervolgens plotseling door de DDR-burgers werd uitgetrapt.

Dit standpunt is mij te gemakkelijk.

Want waarom moest het dan zovele decennia duren voordat deze invloed effect sorteerde? Waarom moest eerst de staat bijna failliet zijn en de leiders op sterven na dood, voor men in opstand kwam? Waarom neemt men aan dat de Oostduitsers, die de eigen propaganda zo wantrouwig bejegenden, kritiekloos de Westduitse informatie aanvaardden?

De revolutionairen van het eerste uur bleven, ondanks alle Westerse media, geloven in de superioriteit van het socialisme.

Bij de versnellende rol die de Westduitse media zouden hebben gespeeld bij het op gang komen van de exodus uit de DDR kan men eveneens kanttekeningen plaatsen. Toon en inhoud van deze berichtgeving waren, uit angst voor chaos, uiterst terughoudend en zeker niet aanmoedigend.

Het gaat bij een revolutie nog altijd meer om, zoals Burckhardt het noemde, het juiste uur en de ware stof. En de ingredienten waarvan deze ware stof was gemaakt, waren van tamelijk eenvoudige makelij: 1. De door de Sovjets gesteunde communistische dictatuur; 2. De economische achteruitgang bij gelijktijdig stijgende verwachtingen; 3. De komst van sovjetleider Gorbatsjov die uit eigenbelang het vloerkleed onder het Honecker-regime wegtrok, en ten slotte: 4. Het Westerse alternatief. Hoe dit revolutionaire mengsel precies werd gebrouwen - hoeveel kilo dictatuur, hoeveel ons economische achteruitgang, hoeveel gram hervorming en hoeveel liter informatie uit het Westen was ook al weer nodig - dat zal wel onderwerp van permanent debat blijven.

Met de theorie van de machtige massamedia kan de precieze samenhang der gebeurtenissen die tot de politieke omslag hebben geleid in elk geval niet afdoende worden verklaard.

Deze theorie miskent de kracht van de 'forces profondes' en, wat de andere communicatiemiddelen betreft, de invloed die is uitgegaan van de persoonlijke ervaring met Westduitse familieleden en westerlingen in het algemeen, en van de mond-tot-mond-reclame die mijns inziens nog altijd even gratis is als onbetaalbaar.

Exodus

De exodus zou waarschijnlijk ook op gang zijn gekomen als er helemaal geen televisie was geweest. Het bericht dat in Hongarije een gat in het hek was geknipt had ook te paard of per postduif kunnen zijn overgebracht.

Zeker, de televisie heeft, in het geval van de DDR, de geruchtenvorming die doorgaans zo kenmerkend is voor revoluties, tegengegaan. Niettemin was de opening van de Muur toch vooral het gevolg van een vergissing, een gerucht, een half opgevangen woord. De roep om Duitse eenwording tenslotte kwam pas nadat de Oostduitsers zelf een kijkje waren wezen nemen in de Bondsrepubliek. De relatie tussen media en maatschappij is een fascinerende maar uiterst ingewikkelde materie. Bij de bestudering ervan hebben de beoefenaars van de maatschappijgeschiedenis het extra moeilijk. Zij dienen niet alleen inzicht te verwerven in de grote samenhangen, maar moeten ook nog eens de effecten hiervan op de gemoedstoestand van de mensen aangeven.

Ten tijde van revolutie is dat al niet eenvoudig; in zogenaamde 'normale' tijden laat deze ware gemoedstoestand zich misschien nog wel moeilijker doorgronden. Daarvoor verbergt deze zich door factoren als macht en taboe te vaak achter een weloverwogen silentium populi.

Normaliteit

Men kan de veranderingen in de 'normaliteit' op alle mogelijke manieren bestuderen, en ik zou daarbij weinig methoden of onderzoeksobjecten willen uitsluiten. Een daarvan is de veranderende betekenis aan te geven van de uiterlijke symbolen die ons als een tweede werkelijkheid omringen.

In het oosten van Duitsland branden geen christelijke kaarsjes meer op de kerkpleinen, maar de strijd om de symboliek duurt onverminderd voort. Over straat en plaatsnamen, over de vervanging van standbeelden, enzovoorts. In Berlijn gaat de strijd nu over de toekomst van de Pariser Platz en de Potsdammer Platz, waar Daimler Benz zijn ster wil laten ronddraaien op een enorm hoofdkantoor.

Bonn heeft het voorstel van de Amerikaanse kunstenaar Christo om de Rijksdag tijdelijk in te pakken altijd categorisch afgewezen. Men was bang voor de politieke uitstraling die dit zou hebben. Zo zal de suggestie, die ik deel, om de Rijksdag en Brandenburger Tor te overkappen met een artistieke kunststof koepel om hieronder het gewenste Museum voor Duitse Geschiedenis in te richten, waarschijnlijk evenmin serieus worden overwogen. Maar wie weet.

Om de gemoedstoestand van de Duitsers te kunnen duiden, blijft het daarom nuttig de ontwikkelingen te observeren rond dat zo veranderlijke symbool en dus nog altijd zo moeilijke monument, de Brandenburger Tor.

Volgende week verschijnt onder de titel De Brandenburger Tor, een moeilijk monument gelijknamige titel een boekje met de volledige tekst bij uitgeverij Jan Mets, 94 blz., f20, -).

    • Enri Beunders