Richard Jolly, topman van het VN-kinderfonds: 'Wereldbank verwaarloost armoe'

AMSTERDAM, 30 nov. - De Wereldbank doet bitter weinig aan armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, 'slechts vijf tot tien procent van wat ze zou moeten doen', meent Richard Jolly, de tweede man van Unicef, het kinderfonds van de Verenigede Naties. Beter onderwijs en vermindering van de kindersterfte staan ten onrechte op het tweede plan.

Jolly, die deze week een bezoek brengt aan Nederland, is een van de 'grand old men' in het wereldje van ontwikkelingseconomen. Drie jaar geleden baarde hij opzien met zijn rapport 'Aanpassing met een menselijk gezicht', een kritiek op de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Jolly verweet beide instellingen dat ze te weinig rekening hielden met 'kwetsbare' groepen in ontwikkelingslanden, zoals kinderen, bejaarden en vrouwen.

Jolly's kritiek miste haar uitwerking niet. Geen rapport van de Wereldbank, geen lezing van een IMF-topman gaat tegenwoordig nog voorbij aan de noodzaak om rekening te houden met 'sociale kosten' van economische hervormingen. Maar Jolly is nog niet tevreden. 'Economische doelstellingen houden de hoogste prioriteit', zegt hij, 'de betalingsbalans blijft belangrijker dan analfabetisme'.

Als voorbeeld noemt hij Ghana, het Westafrikaanse land dat bekend staat als de success-story van de Wereldbank. Jolly betwijfelt of 'orthodoxe' hervormingen - zoals liberalisering en het stimuleren van de export - in Ghana wel zo succesvol zijn geweest: de Ghanese economie groeide in de jaren tachtig snel, maar de armoede nam ook toe. Ghana begon volgens hem te laat met een sociaal programma, en dat diende alleen maar om de achteruitgang in levensstandaard 'te verzachten'.

Unicef heeft dat sociale programma toch zelf mee opgezet? Dat is waar, geeft Jolly desgevraagd toe, maar de invloed van Unicef was gering. Jolly is bang dat de economie van Ghana een wankele basis heeft, omdat die zo sterk afhankelijk is van de cacao-export. 'De laatste twee jaar gaat het veel slechter, doordat de cacaoprijzen in de wereld zijn gedaald .'

Een speciaal programma voor armoedebestrijding in Afrika - waarvoor de Wereldbank sinds vorig jaar 275 miljoen dollar heeft uitgetrokken - kan in de ogen van Jolly evenmin genade vinden. Het is 'te weinig en te laat'. In een lezing deze week op het Tropeninstituut in Amsterdam liet hij zich ontvallen dat de Wereldbank in een eigen studie tot dezelfde conclusies is gekomen. Achteraf wil Jolly dat niet toelichten, omdat de studie nog niet is gepubliceerd.

Dank zij toepassing van nieuwe medische technieken kan volgens de Unicef-topman veel meer bereikt worden. Hij wijst op de grootschalige introductie van zout- en mineralencombinaties die volgens een schatting van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vorig jaar een miljoen kinderen heeft gered van de dood door uitdroging. Dit medicijn kost zo'n twintig gulden per jaar per kind. Jolly verwijt de Wereldbank dat ze dergelijke technieken te weinig gebruikt.

Hooggespannen verwachtingen heeft Jolly van zijn eigen Unicef dat concrete sociale doelstellingen nastreeft. Op de door Unicef georganiseerde 'Kindertopconferentie' twee maanden geleden in New York spraken 71 regeringsleiders af dat het aantal van veertien miljoen kinderen die jaarlijks voor hun vijfde levensjaar overlijden, voor het jaar 2000 met eenderde moet zijn verminderd. Daartoe zou bijvoorbeeld overal goed drinkwater beschikbaar moeten zijn.

In het Tropeninstituut in Amsterdam werd Jolly op even harde kritiek getracteerd als hijzelf op de Wereldbank heeft. Doelstellingen leiden, aldus een criticus, tot een 'militaristische benadering': landen kunnen hun eigen prioriteiten niet meer stellen en er wordt te weinig rekening gehouden met plaatselijke omstandigheden.

'Onzin', zegt Jolly achteraf. Volgens hem zijn de voordelen veel groter. Een doelstelling als goed drinkwater voor iedereen is een houvast dat de bureaucraten kan aanzetten tot grotere efficientie. Bovendien, aldus Jolly, blijft ontwikkelingshulp nu niet beperkt tot kleinschalige projecten maar richten de inspanningen zich op een heel land.

Jolly wijst ook op de gunstige ervaringen tot nu toe. Jaren geleden stelde Unicef zich ten doel ervoor te zorgen dat in 1990 tachtig procent van de kinderen in de hele wereld is ingeent tegen zes van de belangrijkste kinderziekten, waaronder mazelen en kinkhoest. In 1980 was slechts twintig procent van de kinderen daarvoor ingeent en volgens Jolly zal eind dit jaar blijken dat de doelstelling van tachtig procent in 1990 vrijwel is gehaald.

Critici op het Tropeninstituut brachten daar tegenin dat het maar de vraag is of meer inentingen ook leiden tot een daling van de kindersterfte. 'Als kinderen nu niet meer aan mazelen overlijden, gaan ze wel aan een andere ziekte dood', aldus een van hen. In deze visie is armoede - en niet gebrekkige gezondheidszorg - de hoofdoorzaak van kindersterfte.