Pocket

In zijn nieuwe roman Deception (Vintage, f. 19,90) omarmt Philip Roth voor de zoveelste maal het thema dat de schrijvers van zijn generatie heeft beheerst: overspel. Een man en een vrouw converseren in een kamer zonder bed - en de lezer mag meeluisteren. De man heet Philip en is een schrijver, de vrouw is Engels en ongelukkig getrouwd. Roth gebruikt het vermeende overspel van zijn twee 'fictieve' personages als metafoor voor zijn eigen schrijverschap: is wat de lezer te horen krijgt waar gebeurd en hangt Roth zijn seksuele vuile was buiten, of werd alles in laatste instantie verzonnen? In hoeverre leent een schrijver van de werkelijkheid, in hoeverre schept hij die? En in welke mate verzinnen geliefden elkaar? Roth speelt het spel ingenieus en zijn roman kent een paar dubbele bodems die zijn thema diepte geven. In een dialoog met zijn jaloerse echtgenote zegt 'Philip': 'In my imagination I am unfaithful to everybody, not just to you.' Dat klinkt mooi als schrijversslogan, maar dat neemt niet weg dat het eigenlijke overspel van 'Philip' of Philip behoorlijk bloedeloos en zelfgenoegzaam is. De fragmentarische gesprekken gaan over seks, baby's, kanker, ontrouwe echtgenoten, autobiografie en biografie, de pijn om jood te zijn in Engeland, maar echt diepzinnig willen ze maar niet worden. Het zijn, kortom, grotendeels gesprekken die overspelige minnaars ervoor en erna nu eenmaal voeren; intieme en ontspannen conversaties waarbij derden, de niet-verliefden, in dit geval de lezers, al snel in slaap vallen.

Over overspel gesproken: zojuist verscheen een herdruk van de rechtbankverslagen naar aanleiding van de beroemdste buitenechtelijke verhouding uit de moderne literatuur, die tussen Lady Chatterley en Oliver Mellors. In The Trial of Lady Chatterley (Penguin, f. 27,95) volgt C. H. Rolph de geruchtmakende zaak op de voet: Penguin books, de uitgever van D. H. Lawrence's verboden schandaalroman Lady Chatterley's Lover werd in 1960 voor het gerecht gedaagd wegens het verspreiden van obscene literatuur. De zaak betekende in meerdere opzichten een waterscheiding in de trage stroom van de Engelse moraal; na de vrijspraak was in Engeland de twintigste eeuw eigenlijk pas echt begonnen. De rechter maakte zich onsterfelijk belachelijk door de jury anno 1960 te vragen: 'Is it a book that you would even wish your wife or your servants to read?' Dertig jaar na dato maakt al die misplaatste pudeur en juridische omzichtigheid een belachelijke indruk, maar natuurlijk zijn het juist zaken als deze die daarvoor gezorgd hebben. In het jaar van de rechtzaak, schrijft Geoffrey Robertson in zijn voorwoord bij deze jubileumeditie, 'waren homoseksualiteit en abortus nog strafbaar en mochten gescheiden mannen geen nieuwslezers zijn bij de BBC.' Naast het feit dat het boek een fascinerende weerspiegeling geeft van het Engelse morele klimaat in die dagen, is het aardig te zien hoe allerlei prominenten - waaronder een hoogbejaarde E. M. Forster - het boek op morele gronden verdedigen, terwijl ze het literair gezien eigenlijk maar niks vinden.

The Lost Continent; Travels in Small Town America (Abacus, f. 22,95) van de Engelse Amerikaan Bill Bryson is een van die reisboeken die niet alleen bedoeld lijken voor leunstoelreizigers, maar ook geschreven lijken vanuit de leunstoel; de schrijver vindt zijn eigen ego oneindig veel interessanter dan de plaatsen die hij beschrijft. Bryson keerde terug naar het plattelands-Amerika van zijn jeugd en hij meet de voorspelbare desillusies breed uit, zonder ook maar een moment te proberen de ziel te raken van het landschap waar hij vol gas doorheen scheurt; geen wonder dat het continent dat hij beschrijft lost is. Zijn redding is dat hij werkelijk grappig kan zijn. De ene one-liner volgt op de andere wise-crack. Brysons proza doet soms denken aan de vroege Woody Allen en soms aan de oude Groucho Marx - hier om te gillen zo leuk, daar hopeloos voorspelbaar. Over het wezen van het Amerikaanse platteland word je niet veel wijzer. Vooral geschikt voor lezers die zich voorgenomen hebben nooit naar de VS te gaan: alle vooroordelen worden op een aangename manier bevestigd.

Ook Evelyn Waugh vond het als reisschrijver belangrijker zijn lezerspubliek te vermaken dan vreemde streken te doorgronden; veel van zijn reisproza uit de jaren dertig verraadt de soms cynische en altijd spottende blik van de Engelsman in het buitenland. De latere Waugh was zich daarvan bewust en toen na de Tweede Wereldoorlog zijn reislust bekoeld was verzamelde hij in When the Going was Good (Penguin Twentieth-Century Classics, f. 25,95) de stukken uit zijn reisboeken die hij bewaard wilde zien; de rest mocht gevoeglijk vergeten worden. Waugh had gelijk, want het boek bevat het beste van zijn reisproza. Geen andere Engelse schrijver van zijn generatie had zo'n scherp en genadeloos oog voor het absurde, niemand kon zoals hij een onschuldige anekdote uitvergroten tot een krankzinnige komedie. Veel van het materiaal dat hij tijdens zijn reizen verzamelde, vooral zijn belevenissen tijdens de kroning van keizer Haile Selassi in Abessynie, verwerkte hij later in de klassieke, bitterkomische romans Scoop, A Handful of Dust en Black Mischief, maar de stukken in deze bundel kunnen nog altijd gemakkelijk op eigen benen staan.

John Julius Norwich heeft van Venetie meer dan alleen zijn beroep gemaakt; inmiddels kun je spreken van een levensvervulling. Niet alleen schreef hij o.a. de definitieve geschiedenis van de stad en maakte hij een aantal televisiedocumentaires over la Serenissima, hij is ook voorzitter van het Venice in Peril Fund, een organisatie die met man en macht probeert Venetie boven water te houden. Dat laatste niet alleen in letterlijke zin, want nog meer dan door verzinking wordt de stad bedreigd door luchtvervuiling, zure regen en algen. Norwich stelde de bloemlezing Venice; a Travellers' Companion (Constable, f. 41,40) samen, waarin honderden schrijvers van de afgelopen vijfhonderd jaar het wonder op het water beschrijven. Het is een voorbeeldig boek geworden en de relatief voorspelbare opzet ervan (Venetie moet de meest beschreven stad ter wereld zijn), wordt doorbroken door de hartstochtelijke en meeslepende toon van de gebloemleesde auteurs: 'How strange, how beautiful, was the first view of Venice!'. Iedereen is aanwezig: Byron, Goethe, Ruskin, Henry James, Casanova, Jan Morris, etc. etc. Alles komt aan bod: de kanalen, de gondels, de palazzi, de conversazione, het casino, de hoeren, de lagune, de schilders, de schrijvers, de verwondering, de desillusies. En verder krijgt iedere steen van de stad wel een fragment toebedeeld. Het is allemaal bekend, het is allemaal al duizend keer gezegd en geschreven; en het verveelt nooit.

The Dickens Index (Oxford Paperbacks, f. 36,50) is een even wonderlijk als krankzinnig boek. De drie samenstellers hebben alles wat er van, over, in, rondom Charles Dickens te bedenken valt op alfabet gezet, zodat een naslagwerk is ontstaan dat zich laat lezen als een post-moderne lexiconroman, met het leven en werk van de Victoriaanse schrijver als allesoverheersend thema. Plaatsen, personen, publikaties, verklaringen van vreemde zaken, bijbelcitaten en verwijzingen naar Shakespeare, Dickens' illustratoren, historische feiten, intriges van verschillende romans en verhalen en alle organisaties en instituten die in de volledige werken opduiken; het staat allemaal door elkaar. Wat precies de zin is van een dergelijke bizarre Dickens-encyclopedie wordt niet duidelijk, vooral nu alle romans zelfs in de pocketedities tegenwoordig gebukt gaan onder een immense last van verklarende noten. Maar wie erin begint te bladeren, is al snel een uur kwijt.

De Amerikaanse misdaadschrijfster Sue Grafton laat haar vrouwelijke private eye Kinsey Millhone gestaag het hele moordalfabet afwerken; in 'F' is for Fugitive (Bantam Books, f. 15,50) belandt Millhone in een klein kustplaatsje, waar een zeventien jaar oude moordzaak op haar wacht. Zij stuit op een slangenkuil vol verkrampte familierelaties en verdrongen gevoelens. Graftons laconieke proza trekt de lezer moeiteloos naar de laatste bladzijden, waar de ontknoping eerder psychologisch aannemelijk dan heel erg verrassend is. De andere Millhoneboeken verschijnen bij Bantam Books en Pan Books (resp. f. 15,50 en fl. 16,50).

In een van haar essays over verstokte vrouwenhaat veegde de Britse schrijfster Joan Smith verleden jaar de vloer aan met de megaseller van Scott Turow, Presumed Innocent, waarvan Penguin zojuist een filmeditie op de markt heeft gebracht (f. 17,50). Maar nog ergerlijker dan Turows verbeelding van de carriere-vrouw als vampier, is de uiterst magere ontknoping; de schrijver bedient zich van een plot waar geen enkele misdaadschrijver meer gebruik zou durven maken, namelijk het oudste gegeven ter wereld. Dat Turows debuut toch zoveel indruk heeft gemaakt, is omdat hij magere gegevens zo behendig en spannend heeft aangekleed; het zijn de lange, door de auteur uitgelegde dwaalsporen die het boek zijn gewicht geven. Turow toont zich een expert wanneer het gaat om moedeloze beschrijvingen van grenzeloze ambitie en corruptie bij de Amerikaanse justitie. Maar het verhaal? Openbaar aanklager Carolyn, de buitenechtelijke scharrel van advocaat Rusty Sabich wordt levenloos aangetroffen en de verdenking valt op Rusty. Maar wie heeft het werkelijk gedaan? Nou? Wat is het meest clichematige motief? Juist.