Ordening markt kan landbouw uit crisis halen

ROTTERAM, 30 nov. - In 1988 besloten de Europese staatshoofden en regeringsleiders tot een forse verlaging van de graanprijzen om eind te maken aan de graanoverschotten die steeds verder toenamen. Volgens de economieboekjes leiden lagere prijzen tot minder produktie. Maar de landbouw is een eigenaardige sector.

Na massale acties van boeren besloot de Europese ministerraad de prijsverlaging voor granen alsnog te bevriezen. Afspraken over directe produktiebeperking die aanvankelijk nauwelijks waren nagekomen zouden nu wel hun beslag moeten krijgen. En onlangs liet de Amerikaanse minister van landbouw, Yeutter, weten dat hij volgende week in Brussel tijdens de slotonderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel harde afspraken wil maken over vermindering van de produktie. Dat geeft volgens hem pas de zekerheid dat er ruimte op de wereldmarkt komt voor de VS en ontwikkelingslanden.

Het is nog onduidelijk hoe de door de EG voorgestelde vermindering van de steun met 30 procent moet worden gerealiseerd, via prijs- of volumedaling. Dat minister Bukman (landbouw) de voorkeur geeft aan prijsbeleid, heeft te maken met de Nederlandse exportbelangen.

De grondlegger van het Europese landbouwbeleid, dr. S. L. Mansholt, en de Wageningse hoogleraar dr. J. de Hoogh verdedigen al jaren de optie van volumedaling. 'Als Philips te veel lampjes produceert verlagen ze toch ook niet de prijs? Dan verlagen ze de produktie', aldus Mansholt, voormalig minister van landbouw (1945-1957) en EG-landbouwcommissaris (tot 1972).

Mansholt wil niets weten van het voorstel van EG-commissaris Delors om boeren die de dupe zijn van prijsverlagingen tegemoet te komen met inkomenssteun. Mansholt: 'Boeren met een vermogen van drie miljoen staan met de pet in de hand op het Binnenhof. Hoe moet je dat verdedigen tegenover een bijstandsvrouw?'

Waarom moeten landbouwprijzen kunstmatig hoog worden gehouden en waarom is landbouwpolitiek eigenlijk nodig? Boeren zouden bij overproduktie van tarwe toch veel beter gerst, mais, of tuinbouwprodukten kunnen telen? 'Zo werkt het niet', zegt Mansholt. 'Als boeren met gezinsbedrijven lagere prijzen ontvangen zullen ze niet minder produceren, want ze kunnen niemand ontslaan zoals elders in het bedrijfsleven gebeurt. Teelt van andere produkten is door de aard van de grond vaak niet mogelijk.'

Voor landbouw-econoom De Hoogh is het een essentieel kenmerk van het gezinsbedrijf dat men werkt met vaste kosten. Het kapitaal zit vast in grond en machines, en 90 procent van de arbeid levert het gezin zelf. Een vergelijking met de tuinbouw, die zonder enige bemoeienis van de EG floreert, gaat niet op. 'De vraag naar tuinbouwprodukten, zoals groenten en bloemen, neemt fors toe', legt De Hoogh uit. 'In de landbouw doet zich dat niet voor. Overigens heb je in de tuinbouw natuurlijk wel een vorm van marktordening, zij het langs privaatrechtelijke weg. De veiling draait overschotten uit de markt door. Bovendien gaat het vaak om bederfelijke produkten, zodat overschotten snel verdwijnen.'

Kan de Derde wereld profiteren van een liberalisering van de wereldmarkt? De Hoogh gelooft daar 'geen donder' van. 'Dat blijkt ook uit onze ervaringen binnen de EG. Nederland heeft van de EG-landen het meest geprofiteerd van de gemeenschappelijke landbouwmarkt, ondanks onze hoge arbeids- en grondkosten. Dat lukte dankzij forse investeringen en een enorme produktiviteitsgroei. De industrielanden zullen het meest profiteren van een gemeenschappelijke wereldmarkt, want die beschikken over het noodzakelijke kapitaal.'

De 'geordende wereldmarkt', die de Wageningse hoogleraar voor ogen staat, vergt internationale goederenovereenkomsten, zoals die zo'n twintig jaar geleden in het kader van de UNCTAD aan de orde waren. Zulke overeenkomsten moeten leiden tot een internationale beperking van het produktievolume van de landbouw. 'Dan schep je ruimte voor ontwikkelingslanden. Bovendien zullen dan de prijzen op de wereldmarkt stijgen.' Dit leidt tot een inkomstenverbetering voor ontwikkelingslanden. Wel kan financiele hulp nodig zijn om de armen in staat te stellen het duurdere voedsel te kopen.

Het volledig vrijlaten van de markt zou volgens De Hoogh ook tot zulke lage prijzen leiden dat op het platteland grote sociale problemen ontstaan. 'Daarom voeren de meeste landen vaak al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een actief landbouwbeleid.'

De kern van het landbouwvraagstuk is volgens De Hoogh 'de onstuitbare technologische ontwikkeling'. De vraag naar voedsel neemt niet of nauwelijks toe. Het aanbod stijgt door de produktiviteitsgroei jaar in jaar uit met meer dan twee procent. Mansholt weet daar alles van. 'Mijn grootvader, een socialistische boer in Groningen die bevriend was met Multatuli, pleitte in 1880 al voor 'schaderechten' om de boer te beschermen tegen te lage prijzen. Dat waren de voorlopers van de 'variabele heffingen' die Nederland in de jaren dertig invoerde. Dat systeem heb ik later als EG-commissaris overgebracht naar Europa, en zulke heffingen vind ik nog altijd noodzakelijk.'

Waarom? Mansholt: 'Je kunt de boeren niet blootstellen aan de grillen van de wereldmarkt. Neem de granen. Wereldwijd komt slechts een gering deel van de graanproduktie, niet meer dan 13 procent, terecht in de wereldhandel. Kleine produktietekorten of -overschotten leiden daardoor tot enorme prijsschommelingen, die door de fluctuaties van de dollar en het aankoopbeleid van de Sovjet-Unie nog verder worden aangewakkerd.'

Volledige liberalisering staat ook haaks op de traditionele doelstellingen van het landbouwbeleid, zoals behoud van het gezinsbedrijf en een redelijke mate van zelfvoorziening wat voedsel betreft. Mansholt: 'Als je vasthoudt aan het gezinsbedrijf, moet je dat vertalen in de prijs. We moeten streven naar rationeel werkende gezinsbedrijven, niet naar geindustrialiseerde boerenbedrijven van drie- tot vijfduizend hectare'. Een flink aantal boeren zal moeten verdwijnen, omdat nu eenmaal een minimale bedrijfsomvang is vereist. Volgens het fameuze plan-Mansholt uit 1968 was voor de helft van de Europese boeren geen toekomst weggelegd. Nu zegt Mansholt: 'In de EG is 16 procent van de bedrijven groot genoeg. De overige 84 procent vormen een sociaal probleem.' Het streven naar zelfvoorziening is volgens Mansholt niet verkeerd. Maar volgens hem kan tegenwoordig worden volstaan met 70 procent zelfvoorziening. In 1945 gold 90 procent als streefgetal.

Vergaande prijsverlagingen zijn volgens De Hoogh en Mansholt politiek niet meer haalbaar. De Hoogh: 'Het rumoer wordt veel te groot'. Mansholt noemt nog andere bezwaren. Sinds 1979 zijn de reele tarweprijzen in Nederland bijna gehalveerd. Een boer die in 1970 een landbouwmachine kocht voor 10 ton graan, moet daar nu 20 ton voor leveren. Mansholt: 'Dat is een sprong die zelfs de rationele bedrijven niet kunnen maken en dat was ook de directe aanleiding tot de protestacties van de boeren dit voorjaar. Lubbers sloeg zich op de borst, maar het besluit van de Europese top om de graanprijzen drastisch te verlagen was in een woord krankzinnig.'

Het 'marktgerichte prijsbeleid' van de EG werkt dus niet. Maar is directe beheersing van de produktie uitvoerbaar? Ja, zeggen De Hoogh en Mansholt. Ze wijzen, met een paar slagen om de arm, op de melkquota. De zuiveloverschotten zijn sinds 1984 voor een belangrijk deel weggewerkt, terwijl de prijzen en de inkomens van de veehouders - zeker in Nederland - op peil bleven. Mansholt vindt de prijzen zelfs 10 a 15 procent te hoog.

Produktiebeperking is alleen mogelijk als er een centraal punt is om de produktie te meten. Bij melk is er zo'n 'flessehals', maar bij graan niet. De Hoogh: 'Daarom blijft braaklegging bij graan als enige optie over. Dat betekent dat je boeren bij wijze van spreken moet omkopen om hun grond niet te bebouwen. En dat is een kostbare zaak.' Maar daarvoor kunnen nu juist de miljarden worden gebruikt die worden bespaard op exportsubsidies en op andere vormen van agrarische steun in de EG.