Op weg naar de hemel

Roald Dahl belt aan bij de hemelpoort en Petrus doet open. 'Een beetje laat', zegt Petrus. 'Ik heb vast gezeten in een lift', antwoordt Dahl. Petrus grijnst. 'Het is hier gebruikelijk dat je eerst verantwoording aflegt', zegt hij.

'Bedoel je dat je mij niet zomaar binnen laat?'

Petrus knikt. De beide mannen zwijgen.

'Weet je aan wie je mij doet denken?', zegt Dahl na een poosje, 'aan mijn onderwijzer van de lagere school. Die man die me tot bloedens toe heeft geslagen en geschopt. Je weet wel, dezelfde die later aartsbisschop van Canterbury is geworden.'

'Ach, is het dat? Je bent nog altijd wraak aan het nemen?'

'Ach nee, ik neem helemaal geen wraak. Ik geef gewoon weer wat er is gebeurd. Dat heb ik altijd gedaan. Mensen die iets slechts doen, verdienen het dat er van hun daden nota wordt genomen. In mijn werk heb ik eigenlijk maar een ijzeren wet toegepast, namelijk dat het met de slechteriken ook werkelijk slecht moet aflopen. Heb je een stoel?'

'Een stoel?'

'Ja, een stoel om op te zitten. Je weet toch dat ik als oorlogsvlieger gewond ben geraakt. Zes keer geopereerd, in iedere heup een stalen pin.'

'Dat weet ik, maar het kan echt niet. Zo lang je nog niet binnen mag, moet je staan. Vertel eens, waarom was je zo voor de Falklandoorlog?'

'Omdat die toch prachtig was voor de jeugd. Natuurlijk was het vervelend dat er 240 mensen zijn gesneuveld, maar zulke dingen gebeuren. Het had mij ook kunnen gebeuren. Voor die jongens was het geweldig om eraan mee te doen. Vraag het maar na. Heel Engeland leefde op.'

'Maar is het hele leven voor jou dan nooit iets anders geweest dan een jongensdroom? Als je eens wist wat Hij (Petrus wijst met zijn duim achter zich) allemaal op je af heeft gestuurd om je volwassen te maken'.

'Natuurlijk weet ik dat! Hij heeft ervoor gezorgd dat mijn zoon als baby van drie een verschrikkelijk ongeluk heeft gekregen. Mijn oudste dochter is aan mazelen gestorven toen zij zeven was. Mijn eerste vrouw heeft een beroerte gekregen. Ik moest haar weer leren lopen en praten.'

'Je hebt haar ook geslagen. En verkracht.'

'Wat kon ik anders? Het was de enige manier om haar naar het leven terug te brengen.'

'En daarna ben je van haar gescheiden.'

'Omdat ik een schrijver ben en geen verpleger.'

Op dat ogenblik wordt het gesprek van Petrus en Dahl onderbroken door het aanzwellend geluid van een motortje. In de verte komt door de lucht een karretje aangevlogen met een vrouw aan het stuur. Met zwier parkeert zij het voertuigje tot bij de poort. 'Goede middag', zegt ze, 'ben ik hier goed? Ik ben namelijk op zoek naar de hemel. Maar laat ik me eerst even voorstellen. Ik ben Renate Rubinstein. Rubinstein met de u van Utrecht.'

'Petrus, aangenaam.'

'Roald Dahl.'

'Ach, meneer Dahl', zegt Renate terwijl zij Petrus' aanwezigheid even helemaal vergeet, 'het is goed dat ik u spreek. Dat was heel dom van u.'

'Wat bedoelt u?'

'Uw houding ten opzichte van Salman Rushdie natuurlijk! Dom en verachtelijk. Om Rushdie op te roepen zijn boek naar de papiermolen te brengen. Om van hem te verlangen dat hij zoete broodjes zou bakken, schuld zou bekennen, zou zeggen dat het hem speet. En om dan maar te hopen dat die alsnog wordt vermoord. Bent u nou helemaal gek geworden?'

'Mevrouw, weet u wel waar u het over heeft? De Satanic Verses is gewoon een heel slecht boek. Geen enkel boek is een mensenleven waard, en een slecht boek al helemaal niet.'

'Onzin, het heeft met goede en slechte boeken helemaal niets te maken. Het gaat om het onvervreemdbaar recht op vrije meningsuiting.'

'Mevrouw, u redeneert naar u verstand hebt. Als het aan u ligt zou het hier voor deze poort nog veel drukker worden.'

'En dan is er nog iets, meneer Dahl, waarover ik u eens wil onderhouden. Hoe zit het met die antisemitische opmerkingen van u? Weet u dat u in het verleden de raarste dingen daarover hebt beweerd?'

'Ach kom nou. Ik heb alleen gezegd dat er 'iets in het karakter' van de joden moet zijn dat provoceert. Zelfs Hitler heeft ze niet zonder grond vervolgd.'

'Precies, dus u beweert dat de joden de holocaust aan zichzelf te wijten hebben. Dat is puur antisemitisme.'

'Mevrouw, ik ben vlieger bij de RAF geweest. Ik heb in de oorlog mijn leven geriskeerd om mensen zoals u te redden. Ik heb mijn vrienden zien sterven. Is dat niet genoeg?'

'Nee, meneer Dahl, u heeft uw leven alleen geriskeerd omdat u de oorlog zo'n opwindende bezigheid vond. Een geweldige tijd heeft u gehad!'

Op dat moment komt Petrus tussenbeide. 'Mevrouw, meneer', roept hij, 'alstublieft, staakt uw gekibbel! Het is hier de hemel, niet de hel!' En nadat hij de partijen van elkaar gescheiden heeft richt Petrus zich tot Renate. 'Mevrouw', zegt hij, 'Hij (weer wees Petrus met zijn duim) heeft laten weten dat Hij uw stukjes over het feminisme en over uw echtscheiding altijd met het grootste genoegen heeft gelezen. Hij vindt dat ze het beste zijn wat er op dit gebied is geschreven. De Weinreb-zaak is u daarom vergeven. Gaat u naar binnen, maar passeer de club voor wetenschap en kunst. Want daar zit K. L. Poll en wij hebben vandaag al genoeg opwinding gehad.'

Nog tegensputterend rijdt Renate met haar karretje door de poort. Enigszins beduusd blijven Petrus en Dahl achter. Zij spreken nog een tijdje fluisterend met elkaar. Daarna geeft Petrus een wandelstok aan Dahl en leidt de grote schrijver de hemel binnen.