Omgeving

Bij het plannen van sculptuur in de openbare ruimte wordt in de eerste plaats gekeken naar de plek: wat zou een beeld daar kunnen doen, hoe kan het van betekenis zijn in de articulatie van de stedelijke ruimte? De verhouding tussen kunstwerk en gebouwde omgeving. In de jaren zestig heettte dat omgevingsvormgeving. Nederland heeft daar een aardige traditie in opgebouwd, en tot vandaag toe komt men dan ook urbanistische plannen tegen waarop plekken staan aangegeven waar een kunstwerk moet komen - net zoals de locatie van een park, een speelplaats of de bushalte op de tekentafel wordt vastgelegd. Het eventuele kunstwerk (dat nog gemaakt moet worden) is niet veel meer dan een schakel in een abstract ruimtelijk werk. Als ik beweer dat een kunstwerk op autoritaire manier zelf een plek voor zich moet opeisen is dat vermoedelijk een ouderwetse gedachte, niet meer in overeenstemming met de dynamiek van de moderne stadsplanning. Maar de omgevingsvormgeving, ook al was dat misschien niet de eerste bedoeling, heeft het harde, centralistische object geelimineerd omdat ze plooibaar moet zijn en moet kunnen passen in een situatie waarin ook andere factoren een rol spelen. Dat klinkt alles aannemelijk, de kunst die begrip toont, en er zijn geslaagde omgevingsontwerpen. Maar voor het merendeel staan onze steden toch vol met zinloze abstracte staketsels die er ooit gekomen zijn onder het mom van ruimtelijk teken - of omdat ze een pleintje aan de noordkant zo mooi konden afsluiten. (Het omgevingsvormgevingsjargon is aardig deprimerend.)

Dit soort kunst is bij overheden ook populair geworden omdat de dingen niets meer betekenen: ze zijn alleen functie van een groter geheel. Bruikbare, decoratieve, democratische kunst waar niemand zich over hoeft op te winden. Dat doet ook niemand. Na een aantal jaren worden ze nauwelijks nog onderhouden. De echte omgevingsvormgeving is daarom: opruimen, schoonmaken. Dan zien we verder.