Multatuli tussen Minnen en Miljoenen

De drie Albert Verweij-lezingen die in november in de Leidse Pieterskerk klonken, wijdde H. Brandt Corstius aan de korte schrijverscarriere van Eduard Douwes Dekker.

In de eerste lezing werd Minnebrieven uit 1861 behandeld, met de vraag 'Hoe kan fictie de waarheid overbrengen?'

In de tweede lezing werden de verwarrende jaren tussen 1861 en 1873 beschouwd in het licht van de vraag 'Hoe temt men een schrijver?'

In de derde lezing kwam het boek Millioenenstudien van 1873 aan de orde, waaruit Dekkers gokzucht is af te leiden.

Sterk ingekorte versies van de drie lezingen staan hieronder.

Minnebrieven

Begin juni 1861 zit de 41-jarige schrijver van Max Havelaar Eduard Douwes Dekker in een drievoudige impasse.

Ten eerste heeft Max Havelaar hem wel roem gebracht, maar de Nederlandse koloniale politiek is er niet door veranderd, en het boek heeft hem persoonlijk ook geen eerherstel, pensioen, de Nederlandse Leeuw of een mooie baan bezorgd.

Ten tweede is zijn huwelijk - in 1845 had hij in Indie zijn Tine getrouwd - aan het aflopen. Er is de laatste 130 jaar veel afgegeven op Dekkers huwelijksgedrag. Ten onrechte. Had hij het dan zo moeten doen als de Heilige van 't Hart, Charles Dickens, die braaf monogaam bleef - althans voor de buitenwereld want hij houdt twaalf jaar in het geniep een maitresse in een huisje, zo geheim dat we er zelfs nu het ware niet van weten? Wie van u is niet na vijftien jaar aan een nieuwe verbintenis begonnen? En hoe degelijk, aardig, sentimenteel, gewetensvol heeft Dekker die overgang van eerste naar tweede vrouw niet gemaakt? In deze junimaand is hij tot over de oren verliefd op zijn achttienjarig nichtje Sietske, en zij op hem. Tine wordt daar direct van op de hoogte gesteld. Hoewel zij van haar man veel romances slikte, wil ze van Sietske niets weten.

Ten derde. Dekker is schrijver. Schrijven is al wat hij kan. Maar hij beschouwt schrijven slechts als een middel om iets te bereiken, en dat iets is niet zijn brood. Elke 'ethische' schrijver zegt dat, maar Multatuli meende het. Paradoxaal, en hij zag die paradox heel goed, kan hij dat idee weer alleen uitdragen door... te schrijven.

Er komen nog wat narigheden bij. Op 29 mei verliest Dekker zijn proces tegen Van Lennep, die zich eigenaar van de titel Max Havelaar blijft noemen. Op 31 mei schrijft hij bitter aan Tine in Brussel, in antwoord op een bittere brief van haar die we helaas niet bezitten. Op 4 juni sterft zijn broer Pieter in Den Helder.

In die rare tijd komt een rare man op bezoek om geld te bedelen voor een gezin in nood. Dekker grijpt de kans om te gaan schrijven 'voor een goed doel'. In een paar weken schrijft hij Minnebrieven. Daarmee verdrijft hij zijn drievoudige impasse. Dat boek gaat over die impasse. Elke columnist weet dat het schrijven over het object van je woede, je zorg, je impasse, je gewetensconflict, al een opluchting is.

(ironische toon:) Natuurlijk interesseer ik me alleen voor Multatuli omdat ik ook columnist ben. Aad Nuis heeft een paar jaar geleden op schitterende en overtuigende wijze aangetoond dat in de Nederlandse literatuur de columnist, op Kronkel en Tamar na, geen recht van bestaan heeft. Hij heeft net zo'n gelijk als Van Vloten en andere vergetenen uit de vorige eeuw die Multatuli verafschuwden omdat hij beter schreef dan zij. Niemand maakt bezwaar tegen het genre roman. Er verschijnt nooit een goede Nederlandse roman. Iedereen juicht het schrijven van biografieen toe. Er verschijnt nooit een goede biografie. Iedereen heeft wel alle mogelijke bezwaren tegen columnisten in het algemeen en bepaalde columnisten in het bijzonder. Daarom vormen columnisten, of u het leuk vindt of niet, het enige werkelijk levende, gelezen, betaalde, besproken genre in de Nederlandse literatuur van 1990. Komrij, Krol, Kousbroek, Karel van het Reve, Koot en Bie, ze zijn allemaal kolumnisten, al doen ze of ze dichter, romanschrijver, essayist, geleerde of cabaretiers zijn.

In Minnebrieven worden drie onderwerpen behandeld. Ten eerste de bewijzen, nu met de documenten op tafel, dat Max Havelaar geen fictie was, maar dat de Javaan echt mishandeld wordt. Dekker stelt zich kandidaat voor een derde politieke partij die daar een eind aan moet maken. Ten tweede slaagt de manlijke hoofdpersoon er in zijn echtgenote te doen instemmen met zijn verliefdheid op Fancy, die beurtelings een muze is die hem inspireert en een meisje van vlees en bloed met lastige ouders. Ten derde wordt op diverse ingenieuze manieren de klacht geuit dat de schrijver helemaal niet schrijven wil, omdat hij het nu eenmaal niet kan laten zo goed te schrijven, dat de lezers alleen maar zullen zeggen: 'Wat mooi!', en de inhoud zullen veronachtzamen. Elke goede columnist kent die klacht. Om de aandacht te trekken moet hij vergaande vergelijkingen maken, gewaagde aanvallen uitvoeren, gevaarlijk opereren, maar dan discussieren de lezers alleen over de middelen en niet over de inhoud. In dat opzicht is het verheugend dat NRC Handelsblad-columnist Van Doorn zo slecht schreef. Daardoor was zijn antisemitisme, of hoe u zijn onaangename opvatting, dat je altijd eerst moet kijken of iemand al of niet een jood is, ook wilt noemen, zo overduidelijk. Een begaafder schrijver had dit thema jarenlang op het randje van te erg kunnen houden.

En passant maakt Multatuli, die zich in Max Havelaar op een burgerlijk-beschaafde wijze profileerde, de kachel aan met Koning en Kerk. Het ergste, voor de lezer uit 1861, is ongetwijfeld de manier waarop hij zijn persoon vergelijkt met Jezus, waarbij Multatuli het wint.

Over de literaire kwaliteiten van Minnebrieven, dat flitsender en briljanter is dan Max Havelaar, zwijg ik.

Ik wil doen wat de schrijver zei dat ik moest doen, en op de inhoud letten. Is het waar wat hij schrijft?

In deze korte krantensamenvatting: nee, het is niet waar dat Tine zich bij de verhouding van haar man met zijn Fancy neerlegde. Nee, de bewijzen die Multatuli verschaft over de mishandeling van de Javaan, zijn niet onweerspreekbaar.

Omdat het zo'n bekend stuk is, wil ik hier even ingaan op de lijst van gestolen buffels, die Dekker in zijn boek reproduceert uit een politierapport. Hij vermenigvuldigt die getallen, en komt zo op een diefstal door een gouverneur-generaal van duizend miljoen gulden (de gulden was toen zo'n vijftig keer meer waard dan nu!)

'Zo'n saaie lijst, dat moet wel waar zijn', denkt de lezer. Maar de keus uit de lijsten van gestolen buffels is tendentieus. Er werden in Badoer in februari 1856 wel heel veel buffels afgenomen. Daarom zijn de vermenigvuldigingen die op deze kleine steekproef volgen, niet eerlijk. Zo zouden er in Lebak elk jaar tweeduizend buffels worden afgenomen. Maar er worden in Lebak per jaar maar 980 buffels geboren!

Dat zou alleen kunnen als de buffels, net als fietsen, weer bij de bestolenen zouden terugkeren. Maar ze werden feestelijk opgegeten.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat de Javaan inderdaad slecht behandeld werd. De vraag doemt op: Hoe kan fictie ons een waarheid overbrengen? Het is ongebruikelijk om fictie onder dit oogpunt te bekijken. Het is ook lang niet altijd wenselijk of mogelijk. Er ontstaan vier soorten fictie.

Onnagaanbaar en ook niet-interessant om na te gaan, is de keukenmeidenliteratuur. Nagaanbaar, maar oninteressant zijn bij voorbeeld de boekjes van Bakx en 't Hart over hun huurproblemen. Interessant maar onnagaanbaar zijn de opschepverhalen van Cellini en Cremer. Het gaat mij om de boeken uit het vierde kwadrant, waarbij het zowel interessant als mogelijk is om de waarheid na te gaan. Daartoe hoort al 130 jaar Max Havelaar.

Wie het gelijk van Multatuli afleidt uit zijn nobele inborst en edele stijl, die maakt een denkfout. We hebben die nobele inborst immers alleen maar uit zijn edele stijl afgeleid! Het in 1969 verschenen boek Collaboratie en verzet van F. Weinreb, dat ook een 'rilling door het land' deed gaan, bewijst dat men zich als lezer zwaar kan vergissen.

Fictie kan ons de waarheid niet overbrengen. Fictie kan ons wel de kant van de waarheid doen opkijken. Fictie kan ons ertoe brengen een waarheid uit te zoeken.

De Bijbel maakt zich van dit probleem af door vast te stellen dat God zelf de auteur is, en dus alles daarin waar. Dat verschuift natuurlijk alleen het probleem, en is bovendien riskant want als van een ondergeschikt punt de onwaarheid uitkomt, dan valt het hele boek weg. Dekker zag dat probleem, en wijst er ons voortdurend op, dat we hem niet moeten geloven omdat hij zo mooi schrijft. Dat de lezer van 1861, die niet zoals wij de correspondentie van mijnheer en mevrouw Douwes Dekker kende, en die weinig van Indie wist, door Minnebrieven overtuigd raakte, is een van de merkwaardigste eigenschappen van dat boek.

Het temmen van een schrijver

Van de 25.000 dagen die Eduard Douwes Dekker leefde, heeft hij, na 15.000 dagen stilte, 5000 dagen geschreven, en daarna 5000 dagen gezwegen. Hij schreef de 5000 pagina's van zijn oeuvre in 5000 dagen, maar niet met een pagina per dag. Wie een grafiek maakt van de produktie per jaar ziet een hoofdletter M. Er is een eerste piek in de jaren '60-'62, een diep dal in de jaren '65-'69 en een tweede piek in de jaren '70-'74. Elke biograaf zal die deuk moeten verklaren.

Is er een literair verschil tussen de twee pieken? Om die vraag te beantwoorden besprak ik vorige keer de Minnebrieven uit 1861 en zal ik het volgende keer hebben over de Millioenenstudien uit 1873.

De Minnebrieven: poezie, lyrisch, liefde, fantasie, het genie is wild, woede over de wereld.

De Millioenenstudien: proza, epiek, geld, lot, het genie is getemd, de natuur is zoals-ie is.

Wat heeft Dekker getemd in de periode tussen de twee toppen? Buiten de algemene oorzaken die ieder mens temmen, zijn er in Dekkers geval speciale oorzaken van temming. Hij leefde een geisoleerd leven, hij wilde geen romans schrijven, hij had weinig contact met andere schrijvers in Nederland of daarbuiten.

De zorg over zijn eerste vrouw Tine, het geldgebrek en zijn armetierige uitgevers frustreerden hem. Er bestond toen geen K. L. Poll die hem in kranten en tijdschriften deed schrijven. Hij kwam pas uit dit dal doordat in 1871 de ideale uitgever zich aandiende in de persoon van G. L. Funke en doordat Tine definitief naar Italie vertrok en hij zich met vriendin Mimi in Duitsland vestigde. Een nauwkeurige analyse van zijn twaalf schrijversjaren kan dit verduidelijken, maar die blijft hier dus achterwege.

Speler en schrijver

De rouletteverslaving, en de buitengewone aandacht daarvoor in de vorige eeuw, doet denken aan de cocaineverslaving nu. Het wordt algemeen afgekeurd op morele en rationele gronden, maar iedereen wil het wel eventjes doen, het is 'chic', in ieder geval wordt er veel over gekletst, voor gesidderd, en gaan de zelfmoordverhalen vrolijk in het rond.

Volgens zijn zoon Edu heeft men in de mariage a trois die Dekker in 1869 in Den Haag probeerde te voeren, met Tine en Mimi onder een dak, elke dag roulette gespeeld om de systemen van vader uit te proberen. Edu zegt dat hij hem dan liet winnen.

Dat Dekker de narcotiserende werking van de roulette (Baudelaire) kende, staat vast. In Homburg stuurde hij Mimi naar het casino om volgens zijn systeem te spelen, hij vertrouwde zichzelf niet. Zij verloor, zoals hij in Spa had verloren en in Wiesbaden zou verliezen. Maar hij wist van deze lege-goudmijn toch een gelukkige ouderdom te maken, door een boek te schrijven over de roulette.

Hij begon dat verhaal als een column in de Friese krant Het Noorden, in 1870. Dan breekt de krant de column af, omdat 'de lezers er niets van begrepen', of is het omdat de Frans-Duitse oorlog alle plaatsruimte opeist? Een columnist ontslaan is een ernstig vergrijp tegen de literatuur, en er moet een heel goede reden zijn om het te doen. Dekker heeft het boek in een voor zijn doen zeer langzaam tempo voltooid.

De kern van Millioenenstudien is een uiteenzetting over het mechanisme en de kansen van de roulette. Op zijn berekeningen zijn wel aanmerkingen te maken, net als bij de wonderbaarlijke buffelvermenigvuldiging, maar de conclusies zijn wel degelijk juist. Namelijk: noch de systemen waarbij je na verlies de inzet verhoogt, noch de systemen waarbij je dat juist na winst doet, brengen iets anders op dan een winst voor de bank van 1/37 van de omzet.

Dekker schrijft dat hij 22 keer achter elkaar rood heeft zien uitkomen (dat zegt Dostojewski in De Speler uit 1866 ook). Maar dan heeft hij veel geluk gehad, want daarvoor moet je 28 volle jaren in de speelzaal doorbrengen!

Volgt uit die analyse nu dat casinohouders oplichters zijn? Nee, de speelbank is veel eerlijker dan de beurs, de handel, het zakenleven. Dostojewski maakt dezelfde opmerking. Er zijn meer merkwaardige overeenkomsten tussen Millioenenstudien en De Speler. Multatuli verbindt de hopeloosheid van de roulettespeler aan de theorie van Alles in Alles. Aan zo'n holistische theorie heb je natuurlijk weinig.

Voor de biograaf ontstaat nu een probleem. Bij Dostojewski staat vast, door zijn brieven, dat hij verslaafd was aan gokken. De memoires van zijn weduwe bevestigen het. Bij Multatuli ontbreken zulke documenten, want wat zoon Edu vertelt kan heftig overdreven zijn. Toch is deze biograaf overtuigd dat Dekker even erg verslaafd was. Het leven van Douwes Dekker is meer dan de inhoud van 25 delen werken, brieven en documenten. De biograaf kan zich niet, zoals Barnes deed met Flaubert of Hermans met Multatuli, met aardigheidjes, portretjes en kanttekeningen ervan af maken. Ik zal dus doen wat een biograaf nooit mag doen. Ik pas de spottende beschrijvingen van gokverslaafden die Multatuli ons geeft, op hemzelf toe! Dat is nog wat brutaler dan de gewone biografenfout: het toepassen van zelfbeschrijvingen uit autobiografisch geachte werken op de auteur.

Charles Timmer beweert dat in het werk van Dostojewski geld centraal staat. Met dezelfde redenering zou dat dan ook van de gokkende, geldbedelende Dekker gezegd kunnen worden. Maar wie hun werk leest, weet: bij Dostojewski staat de Moord centraal. Bij Multatuli staat de Waarheid centraal. Daar doet zijn verzekering dat hij 'zelden in de speelzaal' was, niets aan af!