Keuze Maasvlakte was zorgvuldig

Omdat ik mij realiseer dat de zaterdagkrant vooral ook als ontspanning is bedoeld, begrijp ik wel iets van de toonzetting van het artikel 'De kolenlobby' in NRC Handelsblad van 24 november. Een beeld in een lachspiegel moet men niet al te serieus nemen. Soms kunnen de verwrongen trekken daarvan bij nietsvermoedende mensen echter toch verwarring teweegbrengen. Een aspect van het artikel, namelijk de zorgvuldigheid van de keuze voor de nieuwe centrale op de Maasvlakte kan tot misverstanden leiden. Om dat te voorkomen is een toelichting nodig. Cijfers en technische verhandelingen komen daarbij zo min mogelijk ter sprake, die zijn te vinden in een dikke laag rapporten.

Meer dan elke andere produktie is de voortbrenging van elektriciteit gericht op zekerheid van de voorziening op lange termijn. Men mag eenvoudig geen fouten maken of risico's nemen, omdat dit na jaren desastreus kan zijn. Wie wel eens 'power-cuts' in een grote stad heeft meegemaakt, kan dit onderschrijven. Bovendien vergt het maken van elektriciteit zeer hoge investeringen, die ook weer pas na vele jaren rendement opleveren. Een paar cijfers: voor een megawatt elektriciteit is, afhankelijk van de brandstof, een investering vereist van twee tot vier miljoen gulden. Er is in ons land in de openbare sector een capaciteit van ongeveer 15.000 megawatt geinstalleerd; tegen vervangingswaarde dus tenminste dertig miljard gulden.

Bij de tweejarige elektriciteitsplannen, die aangeven hoe die capaciteit in de toekomst moet worden vervangen of uitgebreid, zijn vooral drie dingen in het geding: zekerheid van de voorziening, milieu en variatie in brandstof. Deze drie zaken zijn helaas in zekere mate tegenstrijdig; er is geen acceptabele oplossing die alle drie de doelen dient. Nederland is daarom net als de meeste andere landen gedwongen drie ballen tegelijk in de lucht te houden.

Om met het laatste, de variatie in de brandstof, te beginnen: aangezien kernenergie bij ons niet aan de orde is en aardolie niet zo verstandig wordt geacht, blijven vooralsnog alleen kolen en aardgas over (afgezien van bronnen als windkracht en dergelijke, die pas op langere termijn een rol van betekenis kunnen spelen). Wegens het milieu en de beschikbaarheid is in Nederland de nadruk gelegd op aardgas; zestig procent van de totale elektriciteitsproduktie geschiedt op basis van dit gas. Dat is verhoudingsgewijs veel, vooral ook gegeven de relatieve prijzen en de beschikbaarheid op lange termijn van gas, respectievelijk kolen. Vandaar dat de kolen bij de elektriciteit niet geheel uit het beeld kunnen verdwijnen.

Van de twee andere doelstellingen: voorzieningszekerheid en milieu wijst de eerste vooral in de richting van betrouwbare, conventionele centrales van ongeveer zeshonderd megawatt, hetzij op kolen, hetzij op aardgas. De tweede doelstelling, het milieu, pleit tegen kolen. Maar er is nog een andere mogelijkheid, namelijk zogenoemde warmte-krachtcentrales, die een beter energie-rendement geven. Die zijn goed voor het milieu, maar niets wordt zonder offers verkregen. Men kan ook op dit gebied niet overdrijven. De veelal lokale warmtevraag kent beperkingen en te veel kleine eenheden kunnen op den duur risico's veroorzaken voor de de elektriciteitsvoorziening.

Bij het laatste elektriciteitsplan 1991-2000, dat afgelopen voorjaar in de Tweede Kamer ter discussie stond, is dit alles door vele deskundigen gewogen. Grof gesproken is van de tweeduizend megawatt niewe capaciteit, die werd vereist, 1250 MW ingevuld met warmte-kracht en 600 MW met een grote kolenvergassings-centrale in Borssele. Tevens werd beslist, dat een nog uit een vorig elektriciteitsplan stammende 600 MW eenheid op de Maasvlakte een conventionele kolencentrale zou worden. Deze centrale kan op betrekkelijk korte termijn worden gebouwd; de totale infrastructuur is aanwezig. Een beslissing over de Maasvlakte moest nu vallen, omdat er reeds een uitstel was geweest van een tot twee jaar. Langer uitstel was niet verantwoord.

Al met al was er sprake van enige trade-off. Noch de voorzieningsaanhangers noch de milieudeskundigen waren gelukkig. Maar het geheel verwierf na zorgvuldige discussie een meerderheid in de Tweede Kamer.

Kolenvergassing is een techniek die, toegepast in een elektriciteitscentrale, meer beloften inhoudt voor het milieu dan conventionele kolenstook, hoewel sommige deskundigen stellen dat de conventionele methoden sterk zijn verbeterd en op langere termijn nog beter worden. Ook aan een conventionele kolencentrale worden tegenwoordig trouwens hoge milieu-eisen gesteld.

Kolenvergassing is zeker geen nieuwe techniek. Bovendien is er een aantal uiteenlopende technische varianten. Wel nieuw is dat Nederland het eerste land ter wereld is, waar kolenvergassing op grote schaal zal worden ingevoerd voor de openbare elektriciteitsvoorziening. Dat vereist veel grotere zekerheid dan bij andere industriele toepassingen. Men kan zich geen enkel risico veroorloven. In 1989 hebben de gezamenlijke elektriciteitsproducenten (SEP) zorgvuldig gekozen voor een bepaalde variant.

Omdat men het niet aandurfde deze ineens op grote schaal toe te passen is besloten in Buggenum (Limburg) een 'demonstratie'-centrale van 250 MW te bouwen. Dat vergt, na een voorbereiding van enkele jaren, ongeveer twee tot drie jaar bouwtijd. Daarna wil men nog twee jaar experimenteren en pas dan kan precies worden vastgesteld hoe de 600 MW centrale in Borssele er kan uitzien.

Elke industrieel begrijpt dat hier belangrijke opschalingsproblemen liggen. Bovendien is dit alles, wat de openbare elektriciteitsproduktie betreft, uniek in de wereld. Maar het is nog ingewikkelder. De kleine centrale is al een uiterst gecompliceerd technisch geheel, waaraan eindeloos is getekend en gerekend. Toch willen we graag, dat de Nederlandse industrie er maximaal aan deelneemt. Zij zal daarvoor op de tenen moeten staan, maar als het slaagt zijn er exportkansen. Voorts is er bijzonder veel geld in het geding. De demonstratiecentrale in Buggenum zal bijna een miljard gulden kosten. Deze investering moet verantwoord zijn voor de vele gebruikers van elektriciteit, dus voor de burgers in het algemeen.

De kolenvergassing leidt via een moeilijk pad, geplaveid met zeer gecompliceerde technieken en vele honderden miljoenen guldens, pas na een reeks van jaren tot een hopelijk effectieve kleinere centrale in Buggenum. Pas daarna is het grotere werk aan de orde: de 600 MW kolenvergassingscentrale in Borssele. Dat vergt opnieuw enkele miljarden guldens en nog meer geavanceerde techniek, waarbij dan bovendien de verdere opschaling komt.

Mijn uitgangspunt bij de discussie over de centrale op de Maasvlakte was: als het maar enigszins kan geen conventionele kolencentrale. Dat is, ondanks grote inspanningen, niet gelukt, omdat er geen betere manier te vinden was om de drie eerder beschreven ballen in de lucht te houden. In een nota aan de kamer, die vrij algemeen als evenwichtig is beschouwd, heb ik alle alternatieven zorgvuldig onderzocht en helaas moeten wegstrepen. Wat overbleef was een milieuvriendelijk Elektriciteitsplan 1991-2000, maar een minder milieuvriendelijke rest uit het vorige plan. Uitstel was niet langer mogelijk, want dan zou de voorziening op langere termijn beslist in gevaar zijn gekomen.

In ieder geval zou het de slechtste manier van handelen zijn geweest als ik, plotseling geconfronteerd met een aanbod van een geheel andere technische variant, staande het debat in de Kamer (want zo ging het letterlijk) had gezegd: och ja, levert u tegen een niet genoemde prijs maar een grote kolenvergassingscentrale van 600 MW, die dan in korte tijd op de Maasvlakte kan staan.

Dat had niets van doen met vertrouwen of wantrouwen in welke techniek of welke onderneming dan ook. De reden was veel simpeler. Geen enkele ondernemer verandert midden in een hoogst gecompliceerd ontwikkelingsproces ineens totaal het zorgvuldig gekozen tijdpad. Niemand ook durft de zekerheid en de betaalbaarheid van de elektriciteits-voorziening op het spel te zetten door op twee nieuwe en uiterst kostbare paarden tegelijk te wedden. Zeker niet nu Nederland toch al voorop loopt. En geen enkele minister mag enig risico - technisch, economisch, financieel of wat dan ook - nemen met zo veel geld van anderen.

Naschrift van de redactie

De minister had dit stuk niet hoeven schrijven als hij was ingegaan op ons verzoek, tot tweemaal toe herhaald, om een vraaggesprek met hem over kolenvergassing. Andriessen achtte dit niet opportuun. Hij liet weten dat standpunt te handhaven tot het interpellatiedebat volgende week in de Tweede Kamer, aangevraagd door het Kamerlid Tommel (D66) naar aanleiding van onze publikatie in de krant van zaterdag 24 november.

In dat stuk beschreven wij de mogelijkheid via de techniek van kolenvergassing elektriciteit op te wekken en het beleid dat Andriessen en zijn voorganger De Korte op dit gebied hebben gevoerd. Het verhaal maakte duidelijk dat sinds begin jaren '80 diverse Nederlandse deskundigen en elektriciteitsproducenten zich na onderzoek positief uitlieten over een commerciele toepasbaarheid van kolenvergassing. Daarbij werd de voorkeur uitgesproken voor het procede van Texaco. We beschreven vervolgens dat in 1989 werd gekozen voor een experimentele toepassing van het kolenvergassingsprocede van Shell, waardoor in de ogen van de minister de commerciele toepasbaarheid in Nederland nog moet worden bewezen. We wezen er daarna op dat de minister dit standpunt ook tegenover de Kamer uitdroeg toen hij deze inlichtte over de nieuwe elektriciteitscentrale op de Maasvlakte. (Andriessen noemde het juni jongstleden 'uitgesloten' daar een kolenvergassingscentrale te bouwen).

Texaco voelde zich benadeeld en begon een spoedprocedure bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven - zodat het concern alsnog een kans krijgt een kolenvergasser op de Maasvlakte te bouwen. Het verhaal maakte ten slotte duidelijk dat bij leden van de Tweede Kamer inmiddels twijfel bestaat of de 'maximale inspanning' - een toezegging van De Korte - om op de Maasvlakte een kolenvergassingseenheid te bouwen, gestand is gedaan.

Op al deze punten gaat het betoog van de minister niet in. Wat niet wil zeggen dat we geen interesse hebben voor de 'dikke laag rapporten' waarop hij zijn stuk baseert. Een aantal van die rapporten vroegen we elf dagen geleden bij zijn ministerie aan op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur. We hebben ze nog niet ontvangen.