'Justitie gaat vaak verkeerd om met getuige-deskundigen'

AMSTERDAM, 30 nov. - De rechterlijke macht maakt vaak verkeerd gebruik van de getuige-deskundigen bij strafprocessen. Dit stelden de Leidse rechtspsycholoog prof.dr. W. A. Wagenaar en de Rotterdamse criminoloog prof.dr. G. P. Hoefnagels gisteren tijdens een congres aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Wagenaar stelde dat hem tijdens al zijn optredens als getuige-deskundige nooit expliciet is gevraagd naar zijn specifieke deskundigheid. Om de waarde van de informatie van een deskundige goed te kunnen inschatten zouden deelnemers aan het strafproces uitgebreid moeten toetsen waaruit de deskundigheid van een deskundige eigenlijk blijkt. Wagenaar werd onder meer bekend door zijn optreden tijdens het proces in Israel tegen de oorlogsmisdager Demjanjuk en meer recent in de zaak tegen de drs. F., de ex-psychiater van de Zettense inrichtingen.

Wagenaar vindt ook dat rechters vaak verkeerde vragen stellen aan de getuige-deskundigen. De vraag die aan een getuige-deskundige wordt voorgelegd moet volgens hem altijd een deelvraag zijn. 'Mij is wel twintig keer gevraagd of Golden Ten een kansspel is. Maar over die vraag gaat zo'n heel proces. Ik heb dan eigenlijk de neiging tegen de rechter te zeggen: U zou wel willen dat ik die vraag zou beantwoorden, want dan bent u er vanaf.' Volgens de Leidse psycholoog komt het te vaak voor dat van de getuige-deskundige wordt verlangd meteen de schuldvraag te beantwoorden. Als voorbeeld noemde Wagenaar het geval waarbij het vermoeden bestond dat een grootvader zijn kleindochter seksueel misbruikte wanneer hij op woensdagmiddagen op het kind paste. 'De getuige-deskundige kan dan hooguit vaststellen dat het kind bijvoorbeeld een psychologische stoornis heeft. Maar vaak wil de rechtbank ook weten wie de veroorzaker daarvan is, en of het kind inderdaad op woensdagmiddagen is misbruikt. Als de deskundige daar antwoord op geeft, diskwalificeert hij zichzelf en zijn vakgebied', aldus Wagenaar. Hij bepleitte ook dat rechtbanken van de deskundige verlangen dat deze kan aangeven wat de betrouwbaarheid is van de gebruikte onderzoeksmethode. Als de deskundige niet kan zeggen in hoeveel gevallen er overeenstemming was tussen de uitkomsten van zijn onderzoek en de werkelijkheid, is zijn informatie van weinig waarde. 'Als bijvoorbeeld de rechter in de Bolderkarzaak de drie punten van deskundigheid, wetenschappelijke vraag en validiteit van de methode had getoetst, waren de deskundigen de rechtszaal uitgestuurd', aldus Wagenaar.

Volgens de criminoloog Hoefnagels heeft het psychologisch onderzoek in strafzaken op dit moment dezelfde waarde als de pijnbank in het middeleeuwse strafproces. Het rapport van de getuige-deskundigen is volgens hem in veel gevallen niet meer dan een vorm van 'gesubsidieerde roddel'. 'De analyse van de getuige-deskundige is relevant voor zover deze herkenbaar op feiten berust en de methode controleerbaar is', aldus Hoefnagels. Hij waarschuwde ook voor het gevaar dat de getuige-deskundige in feite een deel van de taak van de rechter overneemt. 'De rechter zit in zaken die op zo'n deskundigen-rapport berusten, nog slechts met een bil op zijn stoel.'

Ook de Amsterdamse psychiater dr. S. Tuinier had kritiek op het huidige gebruik van, in zijn geval, psychiatrische rapportages in strafprocessen. 'Je hebt de psychiater niet nodig voor het vellen van maatschappelijke of morele oordelen. Je moet de medicus geen kader verschaffen waarbinnen hij meer doet dan datgene waarvoor hij zijn diploma heeft gekregen, ' aldus Tuinier. Psychiaters die door de rechter om hun mening worden gevraagd zijn geneigd daarop in te gaan. En Tuinier plaatste vraagtekens bij het feit dat psychiaters slechts in een procent van het aantal gevallen geen antwoord kunnen geven op de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachten. 'De deskundige moet niet zo flauw doen, hij moet meedoen.' Maar de causale verbanden die psychiaters in strafprocessen vaak leggen tussen factoren als agressieve gedragsstoornissen en criminaliteit zijn zeer kwestieus, volgens de Amsterdamse psychiater. 'Net als de uitspraken over toekomstige criminaliteit van een verdachte.'

Het risico dat rechters ten onrechte adviezen en meningen van gedrags-deskundigen over zouden nemen, werd niet geheel gedeeld door de vice-president van de Amsterdamse rechtbank mr. S. Slagter. De rechter toetst volgens hem op zijn eigen manier of deze deskundigen een sluitend advies geven of dat er nog een aanvullend gedragsonderzoek moet worden verricht. Hij kan dan volgens Slagter vrij goed inschatten of er sprake is van een kwalitatief goed rapport. Maar hij beklemtoont dat 'voorzichtigheid is geboden zowel bij het gebruik van een rapport van gedrags-deskundigen als van technisch- deskundigen. De vraag of het rapport daadwerkelijk kan worden gebruikt is uiteindelijk geen vraag voor de deskundigen maar een vraag voor de rechter. Het is in het recht nu eenmaal zo dat het nooit gaat om absoluut vaststaande ideeen, maar om waarschijnlijkheden en de vraag of daarvan rechtens gebruik zal worden gemaakt. Het laatste woord is daarom niet aan de deskundige en ook niet aan de verdachte, maar aan de rechter.'