Hoe schrijf ik over de wind; Prozadebuut van Rogi Wieg

Rogi Wieg: Beminde onrust. Uitg. G. A. van Oorschot, 95 blz. Prijs fl. 24,90.

'Na de middelbare school ging ik farmacie studeren', vertelde Rogi Wieg in zijn eerste interview in Het Parool vier jaar geleden. 'Maar al na een week, wandelend in de Sarphatistraat, besloot ik full-time dichter te worden.' Iemand die er, wandelend in de Sarphatistraat nog wel, zo jong toe besluit om zich van het 'normale' leven af te wenden om dichter te worden, zonder op dat moment een gedicht gepubliceerd te hebben, moet wel een romanticus zijn. Hoe strikt hij zijn dappere voornemen in de praktijk heeft gebracht zou ik niet weten, maar de drie dichtbundels die hij vanaf 1986 publiceerde zijn alle meer of minder wereldvreemd. Zij getuigen van veel binnenwereld en zelfbespiegeling en verraden een geringe maatschappelijke betrokkenheid. 'Ik ben tot eigen hart verdicht', schreef hij in het gedicht 'Verwildering' in Toverdraad van dagverdrijf (1986).

Vooral door zijn ernstige melancholie en door het in bijna al zijn gedichten doorklinkende besef van tijd en vergankelijkheid, onderscheidde Wieg zich van de bijna even jonge Maximalen, die zich veel meer en veel luidruchtiger op de buitenwereld richtten. Hij werd dan ook niet in hun bloemlezing Maximaal opgenomen, maar stelde er zelf een samen onder de wat onheilspellende titel Ieder hangt aan zijn gevallen toren (1988).

Je kunt wel zeggen dat Rogi Wieg nooit zo strijdlustig is geweest als een aantal van zijn leeftijdgenoten en dus ook minder doordrongen was van de noodzaak van een nieuw en fris geluid dat een halt moest toeroepen aan de zogeheten 'achtertuintjespoezie', al stond hij zich in een essay in Tirade een bescheiden vadermoord toe. Hij stelde daarin vast dat hij de poezie van de ooit zo bewonderde Rutger Kopland steeds minder ging waarderen, omdat ze hem te kalm werd en te lauw. 'Het werk van Kopland wordt ijler, misschien omdat hij zelf ijler wordt. Na het lezen van deze gedichten houd ik een gevoel van rust over, dat ik soms ervaar wanneer voor even niets meer ter zake doet. Ik verzet me tegen deze rust, tegen deze berusting. Ik wil woorden, woorden, verhalen. Ik ben nog lang zo ver niet.'

Herfstig

Het ligt dan ook voor de hand om te veronderstellen dat Beminde onrust, zijn prozadebuut, gelezen moet worden als een eerbetoon aan een leven dat nog niet tot rust is gekomen. Enige ironie moet in dit eerbetoon wel verdisconteerd worden, want de hoofdrol in deze novelle wordt vervuld door een jongeman die bepaald niet tot de levensgenieters behoort. Hij heeft eerder een herfstig dan een jeugdig temperament en hij leidt geen turbulent, maar een ingekeerd bestaan. Een bestaan dat niet met daden, maar des te meer met overpeinzingen is gevuld.

Deze novelle lijkt door haar fragmentarische karakter een voortzetting en uitbreiding te zijn van de 'Notities' die Wieg een paar jaar geleden in Tirade publiceerde. Ik moet er meteen bij zeggen dat Beminde onrust heel wat aantrekkelijker en lichtvoetiger is dan deze tobberige en ouwelijke aantekeningen, waarvan de meest dodelijke wel deze was: 'De gedachte dat het misschien beter zou zijn om iets anders te gaan doen, of tenminste niet meer over mijzelf te schrijven, maar over iets groters, maakt mij wat vermoeid. Ik weet dat ik het niet kan.'

In Beminde onrust heeft hij het niet over iets groters, maar wel over iemand anders, Otto Mumford genaamd, al zijn er tussen schepper en geesteskind overeenkomsten van biografische aard. Zo hebben ze allebei Hongaarse ouders met een bitter verleden, zijn ze allebei uitzonderlijk muzikaal, maar missen ze de ambitie om musicus te worden en hebben ze allebei te kampen met veel angst, die hun tot een behoedzaam bestaan dwingt.

Wieg beschrijft een dag uit het leven van Otto Mumford, een dichter of prozaschrijver die zich in een impasse bevindt. Het heden wordt aangevuld met verleden; met herinneringen aan vroeger thuis, eerdere vriendinnen en een jonger ik. Dit verleden, dat in flarden wordt gepresenteerd, zal hem wel gemaakt hebben tot wat hij nu is: een angstige man met een wankel geestelijk en lichamelijk gestel.

Otto denkt heel wat af. Hij probeert 'openingen' te vinden om uit zijn impasse te raken, om orde te kunnen scheppen in zijn onsamenhangende leven. Hij bedenkt een niet erg houdbare wiskundige formule als weermiddel tegen zijn angst om verlaten te worden, hij mijmert over de betekenis van getallen ('Wat is 1?') en bepeinst deze raadselachtige uitspraak van de filosoof Emmanuel Levinas: 'Omdat het oneindig is, leent het zich niet voor het heden'. Maar hij blijft steken in aanzetten en aanloopjes, en verliest zich in overpeinzingen die niet tot het gewenste inzicht in zichzelf en het wezen der dingen leiden.

Laconiek

Dat is ook het voor de hand liggende bezwaar dat je tegen deze novelle zou kunnen hebben. Er wordt veel in geopperd dat machteloos aan de oppervlakte blijft drijven, al liet Wieg met vooruitziende blik uit het werk van 'een groot schrijver' citeren dat er geen diepte bestaat, maar alleen oppervlakte. Mij lijkt het overigens niet erg dat het aan de lezer wordt overgelaten om betekenis toe te kennen aan dit brokkelige leven. Het enige gevaar dat Beminde onrust bedreigt is dat er teveel betekenis aan wordt toegekend, en dat aan de nogal vrijblijvende woorden en gedachten van Otto Mumford een te zwaar gewicht komt te hangen, waardoor ze elke charme zullen verliezen.

Want al mag Rogi Wieg dan een problematische hoofdfiguur hebben gekozen, zijn novelle moet het niet hebben van bittere ernst, maar van een luchtige en laconieke ondertoon. Het beste lijkt het dus om de tobber maar wat aan zijn lot over te laten, zoals Wieg zelf in zekere zin ook doet. Hij veroorlooft zich namelijk wel eens grapje ten koste van Otto, bij voorbeeld wanneer deze naar buiten staat te staren. 'Otto stond voor het raam en zag hoe de wind de takken voor het glas heen en weer zwiepte. Hij dacht dat de wind al miljoenen jaren boomtakken bewoog en dat misschien wel miljarden mensen ooit voor een raam hadden gestaan en hadden gewacht. Het was niet bepaald een gedachte die het noteren waard zou zijn. Bovendien kon je een dergelijke gedachte niet op een originele manier opschrijven.'

Hier zien wij Rogi Wieg dankbaar gebruik maken van de verworpen gedachten van zijn geesteskind, dat nog heel wat zal moeten leren voordat hij op eigen kracht van woorden een verhaal zal kunnen maken.

'Het leuke van de negentiende eeuw is, onder andere, dat de wetenschap nog zo begrensd was dat je van elk vakgebied wel op de hoogte kon zijn. Bovendien geloofde men toen nog in de vooruitgang van de wereld. De liberale bourgeoisie was ervan overtuigd dat de maatschappij verbeterd kon worden, niet op de heftige manier van de Franse revolutie, maar langzaam. Zij vond dat de slavenhandel moest worden afgeschaft, dat er scholing moest komen voor iedereen, dat vrouwen meer te zeggen moesten krijgen en dat de armen en andere verdrukten een beter lot verdienden. Zo probeerde men geleidelijk een leefbare maatschappij te creeren, waarin onder andere het gevangenissysteem werd aangepast. Gevangenen hoefden niet meer met z'n allen in een groot hok, maar er kwamen aparte cellen en ze kregen educatie.