Hoe makkelijk is het te bevelen; De cabaretteksten van Erika Mann

Helga Keister-Hayne: Beteiligt euch, es geht um eure Erde. Erika Mann und ihr politisches Kabarett die Pfeffermuhle 1933-1937. Uitg. Edition Spangenberg, 158 blz. Prijs fl. 54,60.

De Pfeffermuhle, het cabaret van Erika Mann dat in 1936 ook in Nederland niet meer mocht optreden, heeft nog steeds een uitstekende reputatie, maar er is bijna niemand meer die er een voorstelling van heeft gezien. Nu is er een boek waarin de teksten van de meeste nummers zijn opgenomen.

Het moet huiveringwekkend zijn geweest, het optreden van de Pfeffermuhle. Alles in de voorstellingen stond stijf van de spanning, er was geen grapje of het had een dodelijk ernstige bedoeling. Niets werd zomaar gezegd, hier waren mensen aan het woord die de bui zagen hangen en nog een wanhopige poging deden het onweer te voorkomen. Het hielp niet. Of misschien toch? Erika Mann hoorde later van andere emigranten, in het niet-bezette Londen, dat ze voor de oorlog al uit hun land waren gevlucht omdat ze een Pfeffermuhle-programma hadden gezien. Daardoor wisten ze wat het nazisme inhield: 'De schrikbeelden die u hebt opgevoerd, hebben ertoe geleid dat we zijn weggegaan. De Pfeffermuhle heeft een paar levens gered.'

Vijftig jaar nadien is het Exil-cabaret van Erika Mann nog steeds bekend. Vooral in Nederland, waar Menno ter Braak zich destijds in Het Vaderland opwierp als propagandist voor het gezelschapje. Zijn getuigenissen worden nog altijd gebruikt als goedkeuringsstempel. Voor wie nooit zo'n voorstelling zag - en dat is langzamerhand bijna iedereen - bleven het echter aanprijzingen uit de tweede hand. Dat werd pas anders toen de groep Don Quishocking in 1985 het gelegenheidsprogramma Kaltes Grauen speelde, met een aantal Pfeffermuhle-nummers die niet gedateerd bleken te zijn. Maar verder bleef het lastig er zelf een indruk van te krijgen; authentiek geluidsmateriaal is er niet en de teksten waren nauwelijks toegankelijk.

Goed dus, dat in de reeks nagelaten werk van Klaus en Erika Mann bij Edition Spangenberg nu een boek is gewijd aan het Pfeffermuhle-cabaret, samengesteld door Helga Keiser-Hayne, die eerder een (hier door de NOS uitgezonden) documentaire over Erika Mann maakte, getiteld Ich bin ein sehr gebranntes Kind. Hoezeer ze gebrandmerkt was, bleek toen ze in 1969 stierf. In de necrologieen stond allereerst dat ze de dochter van Thomas Mann was en jarenlang diens toegewijde secretaresse, dat ze een boek over hem schreef (Das letzte Jahr) en zijn brieven bundelde, daarna dat ze de steun en toeverlaat van haar broer Klaus was en ook zijn nalatenschap verzorgde, en pas op de laatste plaats dat ze zelf publiceerde en een cabaretgroep leidde.

Haat

De documentaire maakte duidelijk dat Erika, veel eerder dan haar vader, inzag hoe heilloos het was te proberen nazi-Duitsland van binnenuit te veranderen. Eerder ook dan Klaus, die achteraf in Der Wendepunkt verklaarde waarom het verzet tegen Hitler zo lang op zich liet wachten: 'Onze haat wordt alleen daar actief, waar we een zekere affiniteit met de tegenstander bespeuren. Men bestrijdt niet - althans niet met volledige inzet - wat men door en door veracht.'

Erika deed dat wel - en meteen. Natuurlijk zijn haar terecht hoogst nobele motieven toegeschreven, maar uit Beteiligt euch, es geht um eure Erde blijkt dat ook het toeval een rol heeft gespeeld. Als actrice werd haar het leven in de loop van 1932 steeds moeilijker gemaakt. In januari had ze het woord gevoerd op een socialistische vrouwenmanifestatie. Sindsdien werd ze in de nazi-pers zwart gemaakt. Theaterdirecteuren stonden onder druk haar niet meer te engageren. Er werd gedreigd met relletjes. Het was nog geen totale boycot, zoals ze zelf later vertelde, maar het begon er wel op te lijken. In het najaar speelde ze nog in Vrouwenschool van Moliere; volgens de hetzekraint Volkischer Beobachter was het allemaal joods gedoe en kon Erika Mann er niets van. Kort daarna werd ze benaderd door de pianist Magnus Henning, met wie ze bevriend was. Hij wees haar op het derderangsamusement in de Bonbonniere in Munchen, de club waar ooit Asta Nielsen, Pola Negri, Wedekind, Tucholsky en Rudolf Nelson hadden opgetreden. Werd het, vroeg hij, niet weer eens tijd voor een eersterangscabaret in die genoeglijke ruimte?

De vraag kwam precies op tijd. Het eerste programma van de Pfeffermuhle ging op 1 januari 1933 in premiere, het tweede een maand later. Tussen die twee data werd Adolf Hitler tot Rijkskanselier benoemd.

Het eerste programma, zo weten we nu dankzij Helga Keiser-Hayne, was voornamelijk neerslachtig van toon. In een nummer als Vogelscheuche stond de vogelverschrikker zonder ziel model voor de gemiddelde, lethargische Duitser. Dat vermoed ik tenminste, want men loopt bijna zestig jaar na dato grote kans verwijzingen naar de toenmalige actualiteit over het hoofd te zien. Mann noemde nooit namen, enerzijds om artistieke redenen, anderzijds uit voorzichtigheid. Dat maakt scenes die toen waarschijnlijk slechts voor een uitleg vatbaar waren, nu soms cryptisch. Duidelijker is de strekking van de Untermann die zich realiseert dat de machthebbers alleen maar macht hebben bij de gratie van de kleine mensjes wier stilzwijgen zij gebruiken als bewijs van instemming.

In een gesprek op het bureau voor gevonden voorwerpen, wordt de eerlijke vinder die een paraplu en een ring komt inleveren, door de ambtenaar langzaam maar zeker in de rol van dief gedrongen. De omkering zit gehaaid in de dialoog verstopt; de toeschouwer heeft te laat in de gaten dat er in een eerder stadium een verraderlijke knik is gemaakt waarop niet meer valt terug te komen. Ik neem aan dat Erika Mann ook bij het schrijven van die tekst heeft gedacht aan de redeneertrant van de NSDAP-voormannen.

In het tweede programma, wegens de grote bijval snel na het eerste uitgebracht, ontwikkelt ze de vormen die haar specialiteit zouden worden: de parabel, het sprookje en het kleine voorval dat een grote waarheid bevat. Daar is bij voorbeeld Ich bin der Koch, dat jarenlang op het repertoire bleef. De kok, die de smerigste en wanstaltigste gerechten tot een smeuig papje maakt en dat iedereen door de strot perst - is onmiskenbaar een portret van propagandachef Goebbels. Zelf zong Mann over de skilerares die vertelt hoe makkelijk het is mensen bevelen te geven. En dan was er nog de Schonheitskonigin, dat aanvankelijk oogt als een goedmoedige parodie op de plastische chirurgie, maar tenslotte over een man blijkt te gaan die een grotere neus heeft dan goed voor hem is. Dat was, zo blijkt uit deze bundel, een van de weinige keren dat ze voor haar cabaret over het antisemitisme schreef. Het is makkelijk daarover nu misprijzend te doen; kennelijk zag Mann toen geen aanleiding om juist dat ene aspect uit de veelheid van schandaligheden extra aandacht te geven.

Rancune

Het derde programma van de Pfeffermuhle zou in maart 1933 in Munchen worden uitgebracht. In plaats daarvan trok Erika Mann met enkele van haar getrouwen naar Zwitserland, waar ze aanvankelijk ongehinderd een nieuwe voorstelling kon spelen, eerst in een hotel in Zurich en daarna op tournee. Uit die periode dateren de twee bekendste nummers, alle twee uitgevoerd door de formidabele actrice Therese Giehse, niet alleen een succesvolle komische Alte maar ook een declamatrice die met sobere middelen diepe indruk kon maken. Zij was Frau X, de middenstandersvrouw die het bedrog in de samenleving als een normaal verschijnsel heeft geaccepteerd ('Es kraht kein Hahn danach/ die Huhner lachen leis'), en ze hulde zich in een bespottelijk Walkure-gewaad als Die Dummheit, voor de beknopte en o zo precieze oorlogsverklaring aan de door rancune voortgedreven domheid - of de door domheid voortgedreven rancune - die in Duitsland de macht had overgenomen.

Op briefpapier van de Exil-uitgeverij Querido Verlag in Amsterdam droeg Klaus Mann een nummer bij, dat door zijn latere zelfmoord een historische lading krijgt. Het is de op rijm gezette brief aan de zuster van een man die zelfmoord heeft gepleegd omdat hij werkloos was en geen licht meer aan het eind van de tunnel zag: 'Er hasste, was heut herrscht... ' Zelf speelde Erika Mann in Zwitserland haar tekst over Der Prinz von Lugenland, waarin cynisch wordt beweerd dat de leugen veel aantrekkelijker is dan de in een grauw hemd geklede waarheid. Veel variaties op hetzelfde thema; telkens zonder namen te noemen, immer indirekt.

Desondanks begonnen ook de Zwitsers, na protesten van Duitse vakantievierders, bang te worden dat de Pfeffermuhle diplomatieke problemen met het buurland zou opleveren. Hetzelfde gold, daarna, voor Tsjechoslowakije. En voor Nederland, waar het gezelschap in de zomer van 1934 en in de lentes van 1935 en 1936 optrad. Ademloos bewonderd door gelijkgestemden als Simon Carmiggelt en Wim Kan, maar vanaf het begin onder curatele. Helga Keiser-Hayne drukt twee censuurstempels af van de Chef der Afdeeling Zedenpolitie in Den Haag. Het eerste zegt, na lezing van de teksten, 'geen bezwaar tegen opvoering' te hebben. Het tweede sommeert tot het schrappen van de laatste zinnen van Die Hexe, waarin een sprookjesheks zingt dat ze lijdt onder lasterpraat, maar zich tenslotte gelukkig prijst dat een deel daarvan nu is afgewenteld op de joden.

Dat laatste mocht niet. In de zomer van 1936 mocht er niets meer; de Nederlandse regering gaf geen werkvergunning wegens de uitgesproken politieke strekking van de 'voordrachten'. Erika Mann deed in New York nog een poging de Pfeffermuhle in leven te houden, maar daar bleek niemand te begrijpen waar het over ging. Sindsdien speelde ze geen cabaret meer.

Nederlandse cabarethistorici hebben geconcludeerd dat de Pfeffermuhle hier veel invloed heeft gehad. Van directe navolging is echter nauwelijks sprake geweest. Wim Kan nam er in zijn ABC-cabaret iets van over, maar bleef veel gemoedelijker. De volksschrijver Willem van Iependaal richtte een agitprop-groep op, waarvan zelfs zijn latere propagandist Jaap van de Merwe moest toegeven dat het in artistiek opzicht weinig voorstelde. Menno ter Braak, volgens Helga Keiser-Hayne de auteur van de genaueste stukken over de Pfeffermuhle, zag iets van Erika Mann terug in de monologen en liedteksten van Martie Verdenius. Daarbij is het gebleven.

Nu zoveel van Manns teksten voor het eerst in druk verschijnen, valt niet alleen op hoe ritmisch en vormvast ze waren, maar ook hoe schematisch ze werden geconstrueerd. Het was bijna een vast patroon: eerst het onschuldige sprookje of de alledaagse gebeurtenis, daarna de moralistische interpretatie. Magnus Henning paste zijn composities naar eigen zeggen bij die opbouw aan. Hij lokte het publiek in de val met lieflijke, soms zelfs kitscherige melodietjes en zette vervolgens met omineuzer akkoorden de aanval in - tegelijk met de teksten. Zo consequent, zo ontmaskerend en analytisch, dat ik niet begrijp hoe iemand daarna nog door de oorlog verrast kon worden.

    • Henk van Gelder