Het leven in Nederland en in het heelal; Gebundelde columns van Renate Rubinstein

Renate Rubinstein: Overgangscursus. Uitg. Meulenhoff, 288 blz. Prijs fl. 34,50.

'Wat een rotmaand is november', schreef Renate Rubinstein precies twee jaar geleden. Ze had net van de dood van Hein Donner gehoord en herinnerde zich dat Carmiggelt een jaar daarvoor was overleden. In november 1990 gaan K. L. Poll en Renate Rubinstein dood en je bent geneigd te denken: inderdaad, wat een rotmaand.

De verzuchting over november is opgenomen in de laatste bundel Tamar-columns die zij publiceerde, Overgangscursus. Ik kan die titel sedert het bericht van haar dood niet anders lezen dan als een waarschuwing aan haar lezers: dit boek markeert de overgang naar de tijd na Tamar. Het zal niet alleen in Vrij Nederland maar in heel Nederland een stuk saaier zijn.

Het lezen van gebundelde Tamar-columns was altijd een ietwat melancholische bezigheid. Ik bedoel dan niet de boeken met een thema, zoals echtscheiding, feminisme, de vredesbeweging of haar ziekte, ik bedoel de boeken die over alles gingen, het leven in Nederland, Europa, wereld, melkwegstelsel, heelal. Die boeken hadden iets gemeen met de oudejaarsconferences van Wim Kan: een samenvatting van het voorafgaande, huiselijk en trefzeker.

Overgangscursus bevat bij voorbeeld een mooie selectie uit de politieke gebeurtenissen van de afgelopen drie jaar, waarvan de belangrijkste ongetwijfeld het einde van de Koude Oorlog is. Er staat een aantal meedogenloze stukken in over de fellow travellers en al dan niet voormalige communisten. Rubinstein huldigt daarover dezelfde mening als Karel van het Reve, die hen van 'collaboratie zonder bezetting' beschuldigt. En Rubinstein heeft ook dezelfde verklaring voor die domheid, namelijk utopisme. Als ze hoort dat de Roemenen een schoon, eerlijk en open volk willen worden, houdt ze haar hart vast en denkt: 'toe maar, ze hebben nog niet hun bekomst van het paradijs.' En even daarvoor, over iemand die ruimhartig de hand in eigen boezem steekt en zegt dat wij ook armoede, drugs en misdaad hebben: 'Dat is heel juist. Sterker nog: wij zullen altijd, hoe je het ook wendt of keert, welk stelsel we ook omhelzen en hoe rijk we ook worden, armoede, drugs en misdaad houden. Echt, het enige dat je ons toe mag wensen is dat we nooit een stelsel zullen krijgen dat pretendeert dat we die niet hebben, of ernaar streeft die zaken voorgoed uit onze maatschappij te bannen.'

Dat is heel verstandig. Het enige nadeel dat deze stukken aankleeft is kenmerkend voor Rubinstein: getroffen door het onrechtvaardige verwijt triomfalistisch te zijn zegt ze zo vaak dat ze haar gelijk niet wenst te halen dat het lijkt op het tegendeel.

Kapitalisme

Rubinstein is nooit helemaal ontkomen aan het gevaar dat haar stijl in zich bergt, namelijk een helderheid die in simplificatie overgaat. Haar opvatting van het kapitalisme is daar een goed voorbeeld van. De essentie van die produktievorm is volgens haar niet de macht, maar het sparen. Zo bezien staat kapitalisme alleen maar tegenover communisme, met dat verschil dat het kapitalisme zo oud als de wereld is. Mij lijkt dat de essentie van het kapitalisme is dat sommige mensen meer sparen dan andere. En dat het geen kwaad kan als de verschillen een beetje beperkt gehouden worden. Wie de arbeidersenquetes van ruim een eeuw geleden leest, heeft niet zo de neiging om over het kapitalisme te juichen.

Wie het nu over het kapitalisme heeft, heeft het over sociale partners en overheidsingrijpen, heeft het dus over iets als sociaal-kapitalisme. Of over kapito-socialisme, en omdat het een kwestie van moeizaam evenwicht is kan men haar bijvallen om die prachtige boutade over de jaren zestig: 'Het was een prachtige tijd en er moet tegenwoordig op veel bezuinigd worden om het geld dat die tijd kostte terug te betalen.'

Trouwens, wie er niet al te veel moeite mee heeft zijn eigen verrechtsing te constateren - en zoveel kost dat tegenwoordig niet - moet wel tot de conclusie komen dat Rubinstein veel bijval verdient, hoe paradoxaal ze vaak ook is. Haar fundamentalisme tegen het fundamentalisme, haar verzuchting 'kon men maar pro-Israel zijn', haar voorstel tot verregaande dwangmaatregelen ter bescherming van het milieu, haar loflied op de onverschilligheid inzake seksuele voorkeuren, haar banvloek over de moderne kunst, het zijn allemaal heel verstandige opinies, mooi verpakt in snedig proza. Maar wie naar samenhang zoekt, zoekt op de verkeerde plaats. Systematiek is nooit haar sterkste kant geweest, sterker nog, ze is er altijd voor uitgekomen dat ze vandaag een beter inzicht had dan gisteren.

Antisemitisme

Dat bleek bij voorbeeld ten tijde van de rel om het toneelstuk van Fassbinder. Woensdag 18 november 1987 vindt ze het ongezien een antisemitisch stuk dat verboden moet worden, een dag later heeft ze het stuk gelezen en roept uit: 'Jezus Christus, het is geen antisemistisch stuk' en dan moet het ook worden opgevoerd. Ik zou zeggen dat in het wereldbeeld van Rubinstein beter zou passen het stuk ongezien te laten opvoeren. Dat was de mening van Karel van het Reve, maar die had weer een ander probleem: hij wilde niet naar een stuk waarin voortdurend woorden als 'Schwanz' gebruikt worden. Daar had Renate helemaal geen moeite mee.

Over Weinreb houdt ze vol het bij het juiste eind gehad te hebben, daarbij inroeiend tegen wat zo'n beetje de meest ongeinformeerde communis opinio van Nederland is. Alleen daarom al vind ik dat die doctorandus, waar ze om vraagt, nu eens aan het werk mag om het nu eens in z'n eentje uit te zoeken. Al vraag je je af: waarom een doctorandus?

In de stukken over de Tweede Wereldoorlog heeft ze het naar mijn mening vaak bij het rechte eind. Over Jenninger bij voorbeeld, de president van de Duitse Bondsdag die moest aftreden wegens zijn rede bij de herdenking van de Reichskristallnacht. Ze heeft gelijk als ze zegt dat de kern van het probleem lag bij het feit dat hier een Duitser zei dat niet Hitler of de nazi's, maar de Duitsers schuld hadden aan die nacht. Net zoals ze gelijk heeft met de constatering dat 'je als jood zelfs in Duitsland nog iets meer kans had de vernietiging te overleven dan in Nederland.' Over dat beschamende feit hoort men weinig en als er in de wetenschap over gesproken wordt meent men van het probleem af te zijn door tussen 'goed' en 'fout' het schemerwoord 'acommodatie' in te voeren. 'We waren niet anti-semitisch', schrijft Rubinstein, 'we waren alleen maar laf.'

Zichzelf tegenspreken doet ze ook, met enige overgave lijkt het soms. In het klein zowel als in het groot. Op 25 november 1989 kapittelt ze Martin van Amerongen, die het over Renate Rubinstein en heur kraag gehad had, dat je alleen heur schrijft als er haar op volgt: 'heur haar' dus en 'haar kraag'. Maar een jaar daarvoor had ze geschreven dat Hein Donner de vrouw, 'althans heur hersens', minachtte.

Autonomie

In het ene stuk is ze hartstochtelijk op zoek naar een held - de hare is Churchill -, om elders de behoefte aan een lider maximo te ridiculiseren. Ze kan zich grote zorgen om het milieu maken, maar consequent zijn wil ze alleen onder dwang. Dat is misschien ook wat haar zo aantrekt in het kapitalisme: 'het kapitalisme beantwoordt aan een diep geworteld spijbelinstinct.'

Innemend egocentrisch kan ze zijn. Dat blijkt bij voorbeeld uit het opgenomen in memoriam over Dick Hillenius. Zo goed als Karel van het Reve dat kan, zo slecht kan Renate Rubinstein het. Men verneemt bijna niets over Hillenius want het stuk gaat vooral over wat zij aan Hillenius te danken heeft.

Ze kan ook extreem onredelijk zijn, zoals blijkt uit de in deze bundel opgenomen stukken uit de rel rondom het vermeende plagiaat door Mutsaers van Ten Harmsen van der Beek. Het hele geval is onbewijsbaar want telefoongesprekken plegen vluchtige dingen te zijn en Rubinstein vindt alles wat uit de mond van Fritzi komt Nobelprijswaardig maar wat door Charlotte uit diezelfde mond opgetekend zou zijn klef en onbegrijpelijk.

Toch was ze op haar manier ook heel wijs. Twee opmerkingen uit dit boek staven die mening. De eerste wijsheid besteedt Rubinstein uit aan feeen: 'was ik een fee en stond ik aan de wieg van een pasgeborene, ik zou het wicht slechts een deugd meegeven: gevoel voor humor.' De andere is: 'Laat je de mensen vrij, ze zijn het allemaal oneens met elkaar. Leuk is dat.'

Overigens heeft ze het in haar werk en in haar leven niet van haar wijsheden moeten hebben, maar van haar intellectuele autonomie. En dat hield in niet geringe mate in dat ze het met Jan en alleman oneens was. 'Laat ik niet meteen klieren', houdt ze zich ergens in haar laatste boek voor. Het boek sluit met geklier over een malle kop op de voorpagina van NRC Handelsblad: Forse ingreep in de theologie voorgesteld. 'Wat zou het zijn? Dat God een zoon gehad heeft? Zou dat als te kinderachtig voortaan afgeraden worden? Zou misschien God zelf? Nee, denk ik, ze beperken zich tot kleinigheden, de onbevlekte ontvangenis, daar zal het wel bij blijven.' Dat geklier, dat zullen we missen.