Geen oog voor Rembrandt; De kunstkenner Abraham Bredius

Museum Bredius, Lange Vijverberg 14, Den Haag. Di. t/m za. 12-17u. Catalogus door A. Blankert. Uitg. Waanders, 240 blz. Prijs fl. 57,50.

Abraham Bredius, telg uit een gefortuneerd geslacht van buskruitfabrikanten, was een ongenaakbaar heer, een groot kenner van de Nederlandse zeventiende-eeuwse kunst en van 1889 tot 1909 directeur van het Mauritshuis. Na zijn dood in 1946 werd zijn huis aan de Prinsegracht in Den Haag een museum. Vijf jaar geleden moest het sluiten, maar vanaf morgen is zijn collectie van minder bekende zeventiende-eeuwse schilders weer te zien.

Het centrum van Den Haag ontwikkelt zich tot een waar museumkwartier. Binnen een straal van 300 meter treft men er het Mauritshuis aan, het Haags Historisch Museum, de schilderijengalerij van Willem V, het museum De Gevangenpoort en vanaf morgen het hernieuwde museum Bredius. Bovendien zal het paleis Lange Voorhout worden omgesmeed tot een dependance van het Gemeentemuseum.

Behalve die galerij is geen van deze oude gebouwen ontworpen als museum. De collecties die men er nu in aantreft zijn daar dus nieuwkomers. Wat te zien is in het Haags Historisch Museum, stond enkele jaren geleden nog opgesteld in het Gemeentemuseum. De collectie van het Brediusmuseum bevond zich 63 jaar lang in het voormalig woonhuis van Bredius aan de Prinsegracht 6. De schilderijen zijn nu overgebracht naar de Lange Vijverberg 14, hetzelfde pand waar tot voor kort het Kostuummuseum gevestigd was. De collectie daarvan wacht nu in het depot op betere tijden.

De sluiting van het oorspronkelijke Brediusmuseum in 1985 - bezuinigingen, een teruglopend bezoekersaantal en een weinig aantrekkelijke buurt waren de niet al te overtuigende argumenten - werd door velen betreurd. Niet omdat hier de meest opmerkelijke schilderijen hingen die men zich kan denken, maar om de volstrekt eigen sfeer die er heerste. Hier verkeerde men in het woonhuis van een heer van stand, van de kunstkenner en museumdirecteur dr. Abraham Bredius, die er van 1895 tot 1921 heeft gewoond. Hier stapte men rond in een eind negentiende-eeuwse atmosfeer met te veel tapijt, gordijn en porselein en te weinig licht.

Abraham Bredius (1855-1946) heeft veertig jaar lang een beslissende rol in de Nederlandse museumwereld gespeeld en was gedurende een nog langere periode nationaal en internationaal onaantastbaar als kenner van de Nederlandse zeventiende-eeuwse kunst. Hij was afkomstig uit een gefortuneerd geslacht van buskruitfabrikanten en het familiekapitaal heeft het hem zijn leven lang mogelijk gemaakt te leven zoals hij dat wilde en te verzamelen wat hem behaagde.

Na een paar jaar pianostudie besloot hij op een reis door Italie zich aan de kunst te wijden. In hoog tempo verrijkte hij zijn kennis door persoonlijke observatie en door bestudering van de nog niet zo talrijke handboeken. Op 25-jarige leeftijd werd hij al aangesteld als onderdirecteur van het Nederlands Museum voor geschiedenis en Kunst, dat later zou opgaan in het Rijksmuseum. In 1889 werd hij directeur van het Mauritshuis. De voordracht omschreef hem als iemand 'die bij veel lust en ijver, blijkens de talrijke door hem uitgegeven geschriften de bekwaamheid bezit om die betrekking op waardige wijze te vervullen'.

Bredius bleef twintig jaar op zijn post. In 1922 emigreerde hij naar Monaco waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Bij zijn vertrek had hij zijn woonhuis aan de gemeente Den Haag verkocht en de inboedel, de door hem verzamelde schilderijen en tekeningen in bruikleen afgestaan. Na zijn dood werden ook die eigendom van de gemeente Den Haag.

Bredius moet een ongenaakbaar heer zijn geweest, die heilig geloofde in zijn intuitie en de onfeilbaarheid van zijn oog. Meer dan eens heeft hem dat in botsing gebracht met andere kanonnen van de Nederlandse kunsthistorische wereld. Met Victor de Stuers bij voorbeeld, referendaris op de afdeling Kunst en Wetenschappen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en formeel zijn baas. De twaalf jaar oudere De Stuers moest Bredius herhaaldelijk op de vingers tikken omdat deze overhaast en eigenmachtig schilderijen had aangekocht en voor bedragen waar De Stuers het niet mee eens was. Kleinzielige ruzies ook, waarbij Bredius onbekommerd zijn mening in de pers ventileerde en in privekringen repte van ' t schandelijk geknoei van die vuile Jezuiet'. Van zijn kant zal het De Stuers hebben dwarsgezeten dat niet hijzelf maar Bredius directeur van het Mauritshuis was geworden.

Ook met Cornelis Hofstede de Groot kreeg Bredius het aan de stok. Toen Hofstede de Groot onderdirecteur van het Mauritshuis was, maakten de heren nog eendrachtig een catalogus van de schilderijen. Later werd De Groot directeur van het Rijksprentenkabinet en de meningsverschillen gingen toen vaak over toeschrijvingen en over de gevolgde methode daarbij. Dank zij eredoctoraten in Giessen, Krakau en Amsterdam mocht Bredius dr. voor zijn naam zetten, maar gestudeerd had hij niet. Hij achtte dat ook geen enkele garantie voor kennerschap. Liefde voor het vak, een aangeboren scherp onderscheidingvermogen en 'een fijne smaak' waren voor hem onontbeerlijk. Hofstede de Groot daarentegen had gestudeerd en vond het noodzakelijk toeschrijvingen niet alleen op het gevoel maar ook op controleerbare feiten te baseren.

Ook met de volgende onderdirecteur, F. G. Waller, leefde Bredius in onmin. Hij wist Waller het leven zo zuur te maken dat deze ontslag nam. Bij al deze conflicten heeft Bredius regelmatig met eigen ontslag gedreigd, maar ministerieel ingrijpen heeft dat telkens verhinderd. Een reden zal geweest zijn dat Bredius bij ontslag belangrijke werken die hij uit eigen bezit aan musea in bruikleen gegeven had, terug zou kunnen trekken.

In 1909 nam hij uiteindelijk om gezondheidsredenen ontslag. Hij kon zich nu volledig wijden aan archiefonderzoek, aan het met zijn jonge vriend Kronig reizen langs de musea in Europa en Amerika en aan het schrijven van boeken, zoals zijn oeuvrecatalogus van Rembrandt en van al dan niet polemiserende artikelen.

Eigengereid, impulsief, geen tegenspraak duldend, zo komt Bredius naar voren, maar toch ook innemend en gastvrij, zoals blijkt uit de beschrijving van Dirk Hannema, de latere directeur van museum Boymans, die de zondagochtendontvangst in huize Bredius beschrijft, waarbij de gastheer piano speelde.

Decennia lang heeft Bredius de reputatie bezeten van kenner van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst. Tegenwoordig wordt die reputatie gerelativeerd. Talloze toeschrijvingen van Bredius worden niet meer geaccepteerd. Hij heeft vele Rembrandts herkend die het achteraf gezien niet waren, en ook hij was in de jaren dertig, evenals vele andere kenners, onvoorwaardelijk verblind geraakt door Han van Meegerens Vermeers. Nog in 1940 is de faam van de dan 85-jarige Bredius zo groot dat de Duitsers hem willen inschakelen bij de beoordeling van enkele schilderijen waarvoor Goring belangstelling had.

Er is een terrein waar Bredius werkelijk baanbrekend werk heeft verricht: het archiefonderzoek. Zijn leven lang is hij op zoek geweest naar archivalische gegevens over schilders en hierdoor heeft hij vele schilders aan de vergetelheid ontrukt. Zijn talloze tijdschriftartikelen en zijn nog veel geraadpleegde zevendelige Kunstlerinventare vormen daar de neerslag van. In het Amsterdamse archiefdepot werkte Bredius, gehuld in dikke bontjassen, de notariele archieven door, maar hij was er de man niet naar om zijn leven te slijten op de koude zolders of in de stoffige opslagruimtes waar men toen de verkleumde archiefvorser kon aantreffen. Zijn gezag was na verloop van tijd groot genoeg en hij had voldoende connecties om zich de archiefstukken door een knechtje te laten brengen naar zijn suite in het American Hotel.

Behalve in zijn geschriften leeft Bredius' naam voort in zijn museum. Kort na de sluiting van het pand aan de Prinsegracht werd de stichting 'Bredius Genootschap' opgericht. De doelstelling, heropening van museum Bredius, leek even gewenst als onhaalbaar, maar een aantal onverwachte ontwikkelingen heeft het nu toch mogelijk gemaakt dat Bredius' collectie vanaf morgen weer te zien is.

De stichting organiseerde een tournee van schilderijen uit de collectie door Amerika en Japan, waardoor er financien beschikbaar kwamen. Het achttiende-eeuwse pand aan de Lange Vijverberg werd door de gemeente verkocht aan een firma die de onderste verdiepingen om niet ter beschikking stelde aan de stichting. Een particuliere schenking en een structurele bijdrage van de gemeente maakte de heropening uiteindelijk mogelijk. Het tot in de Hoge Raad uitgevochten conflict over de interpretatie van Bredius' testament was niet de geringste barriere die hierbij genomen moest worden.

De collectie Bredius omvat 206 grotendeels zeventiende-eeuwse schilderijen, waarvan er 100 zijn opgehangen. Omdat Bredius zoveel belangrijke werken aan musea heeft geschonken geven deze schilderijen en de twintig tekeningen een onvolledig beeld van Bredius als verzamelaar. Hij heeft zichzelf ook niet als een verzamelaar pur sang gezien. Hij bouwde niet aan een uitgelezen collectie, hij kocht grillig en voor zijn plezier en het eindresultaat is een onorthodox ratjetoe. Dr. Albert Blankert, samensteller van de catalogus en bestuurslid van de stichting, noemt Bredius als verzamelaar 'een beetje raadselachtig' en geeft toe er ook 'veel troep' bij is.

Wat er hangt geeft een beeld van de doorsnee schilderkunst van de zeventiende eeuw. Rustig, min of meer naar onderwerp, hangen hier de schilderijen van kleine meesters van wie sommigen door Bredius zijn herontdekt en van wie soms maar een paar werken bekend zijn. Wie kent de naam van Ottomar Elliger of Leendert Knijff? Er hangen mooie bloemstillevens, wat opvallend is omdat dit genre pas laat is erkend. Er zijn een paar aardige portretten en mooie landschappen en er hangt een van de weinige schilderijen van Willem Buytewech. De perspectiefkast die, bekeken door een gaatje, een realistische indruk van een Hollands interieur geeft is een curieus hoogtepunt.

Zeker in contrast met de verzameling van het Mauritshuis is de heropening van het museum Bredius een verrijking van Den Haag. Wat onvermijdelijk ontbreekt, is die typische woonhuissfeer waarin deze schilderijen zo thuis waren. Eigenlijk hangen ze nu deftiger dan goed voor ze is.