Eenvoudig, de duinen, eenvoudig; De hausse in poeziebloemlezingen

Van tijd tot tijd moet dit kennelijk weer verzonnen worden: een poeziebloemlezing die gebaseerd is op andere poeziebloemlezingen. Terwijl de vorige, van Robert-Henk Zuidinga, nog in de ramsj ligt, is de nieuwe er alweer: Domweg gelukkig, in de Dapperstraat, een bundeling van 'de meest bekende gedichten uit de Nederlandse literatuur', samengesteld door C. J. Aarts en M. C. van Etten (Bert Bakker, f. 24,90). In hun vermakelijke inleiding vertellen de samenstellers hoe zij uit honderd bloemlezingen en achttien schoolboeken, bevattende 13.023 gedichten, een top-125 samenstelden. Deze vulden zij vervolgens aan met 125 gedichten die zelden in bloemlezingen te vinden, maar wel bekend zijn, zoals liedjes, kinderversjes, teksten op monumenten en rouwadvertentieklassiekers van Nel Benschop en Toon Hermans. Dat leverde een dik boek op, met mooie annotaties en met een mooi register op titels, beginregels en op bekende regels. Verrassingen zijn er weinig, maar dat viel te verwachten bij een boek dat nu juist het allerbekendste wil bundelen. Aan het eind van hun inleiding zien de samenstellers zich dan ook genoodzaakt om de eigenlijke samenstellers te bedanken: dat zijn wij, lezers en versopzeggers die van gedichten bekende gedichten maken.

Wie zijn volgens Aarts en Van Etten, en dus eigenlijk volgens ons, onze meest bekende dichters? Vondel staat op de eerste plaats met tien gedichten. Hij wordt gevolgd door Nijhoff. Die staat er met zeven gedichten in, maar daar is dan nog niet eens zo'n bekend gedicht bij als 'De wolken', met de bekende regel 'De wond'ren werden woord en dreven verder'. En ook niet 'Tweeerlei dood': 'en mijn woorden, stijgend, / Zingen zich los van hun beteekenissen'. En ook niet 'De wandelaar': 'Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan'. En ook niet 'Het steenen kindje', 'Het uur U' of 'Impasse'.

Je zou kunnen zeggen dat Nijhoff zelf de beste bloemlezer was uit zijn eigen werk. Zijn verzamelde gedichten laten geen zwakke plekken zien en een bloemlezing daaruit dus al helemaal niet. Dat gold al voor de Ooievaar-pocket Lees maar, er staat niet wat er staat en het geldt ook voor de nieuwe bloemlezing Een geur van hoger honing, samengesteld en van een mooie inleiding voorzien door W. J. van den Akker en G. J. Dorleijn (Bert Bakker, f. 19,90). Een wezenlijk andere Nijhoff duikt hier niet op, maar de accenten liggen anders, zoals ook het geval is in de geheel nieuwe editie van Nijhoffs Verzamelde gedichten die door hetzelfde tweemanschap werd bezorgd (Bert Bakker, fl. 39,90, gebonden fl. 59,50).

Vlamingen

Ook de drie grote Vlaamse dichters Gezelle, Van de Woestijne en Van Ostaijen kregen een nieuwe bloemlezing, onder de titels Mijn dichten, mijn geliefde (ed. Piet Couttenier), Aan de hoogste kim (ed. Anne Marie Musschoot) en Witte hoeven achter de zoom (ed. Marc Reynebeau). Alle drie delen bevatten een ruime keuze uit de poezie, voorafgegaan door een stevige inleiding en gevolgd door biografische en bibliografische informatie (Poeziecentrum Gent, f. 29,90).

Wie hebben Gezelle, Van de Woestijne en Van Ostaijen na de oorlog opgevolgd? Het antwoord is te vinden in Dichters van deze tijd. Daarin geeft Hugo Brems een bloemlezing uit de Noord- en Zuidnederlandse poezie van de laatste veertig jaar. Hij liet zich leiden door zijn brede, allerminst eenzijdige smaak, gaf volop ruimte aan Vlaamse dichters, en richtte zich in het algemeen op 'leesbare poezie': 'volstrekte ontoegankelijkheid' en 'vlakke doorzichtigheid' zijn hier niet te vinden. Waarom bijvoorbeeld Annie M. G. Schmidt of Willem Wilmink ontbreken is dus niet duidelijk. Brems nam wel werk op van zo'n 140 andere na-oorlogse dichters. Daarvan zijn er 28 die met vijf of meer gedichten werden opgenomen, en onder hen zijn deze tien Vlamingen: Jonckheere, Van Wilderode, D'haen, Gils, Claus, Pernath, Snoek, Van Vliet, De Coninck en Nolens (Poeziecentrum Gent, f. 34,75).

Hoezeer bloemlezen een persoonlijke aangelegenheid is blijkt uit de drie gedichten die Brems koos uit het oeuvre van J. B. Charles. Van die drie is er maar een te vinden in de bloemlezing van veertig gedichten die Aad Nuis uit de poezie van Charles maakte: Ik ben het, verschenen als Bezige Bij Poeziepocket (f. 19,50). Met de inmiddels afgesloten reeks poeziepockets (zestien deeltjes) probeerde de Bezige Bij vooral de wat minder bekende dichters uit het eigen fonds naar voren te schuiven.

Het kan ook anders. Querido liet ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan Dit is poezie verschijnen: een bundel met 104 gedichten van 72 dichters van Querido, samengesteld maar niet nader toegelicht door Jan Kuijper (f. 15, -). Het is een raar allegaartje geworden, waarin typische Querido-dichters van dit moment (zoals Bernlef, Eybers, Schmidt, Tellegen, Vroman) worden afgewisseld met enkele toevallig vertaalde buitenlanders (Feng Zhi, Innokenti Annenski) en enkele toevallig in het fonds aanwezige ouderen als Bijns, Bredero en Hooft.

Tweede Ronde

Dan laat Achter gewone woorden een duidelijker gezicht zien: daarin brachten Marko Fondse en Peter Verstegen de beste poezie uit de eerste tien jaar van hun tijdschrift De Tweede Ronde bijeen. Tweede Ronde-poezie is poezie die, zo zeggen zij, gevoel en intelligentie wil combineren, die met gewone woorden het buitengewone wil bereiken: verstaanbare poezie voor de goede verstaander. Job Degenaar, Eva Gerlach, Mees Houkind, Ed Leeflang en Leo Vroman zijn enkele van de vele bekende en onbekende namen in dit ultra-goedkope boekje: 124 gedichten voor fl. 4,90, dat is nog geen vier cent per gedicht.

Als we zo gaan rekenen, dan is Hier ligt Poot. Hij is dood. (uitg. Veen) de allergoedkoopste bloemlezing. Voor fl. 14,90 krijgt men ruim zeshonderd gedichten, dat is nog geen halve stuiver per vers. Het gaat in deze door Robert-Henk Zuidinga bijeengelezen bundel namelijk om 'de kortste Nederlandstalige gedichten'. 'Korte gedichten zijn er door de eeuwen heen geschreven', zo begint Zuidinga zijn inleiding - en daar valt weinig tegen in te brengen. Hij neusde vooral in de lichtvoetige hoek van onze literatuur, en bracht wat hij aan gein en ongein vond bijeen in tien tamelijk willekeurige afdelingen. Wie schreef volgens Zuidinga het kortste Nederlandstalige (nu ja) gedicht? Hans Sleutelaar, met 'Wollt Ihr die totale Poesie?'. Maar er zijn in het genre van het eenregelige gedicht nog wel beknoptere. Denk aan Van Geels titelloze vers 'Eenvoudig, de duinen, eenvoudig' of aan diens 'Kinderen', waarvan de volledige tekst luidt: 'Duimzuigend eenden opjagen'. Ook het bij mijn weten allerkortste gedicht uit de Nederlandse poezie, een uit een komma bestaand vers van K. Schippers, werd over het hoofd gezien.

Misschien kan er nog eens een bloemlezing van eenregelige of niet uit woorden bestaande gedichten gemaakt worden, want de bloemlezingenmarkt is vast nog niet verzadigd. Er moet, behalve van de langste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ook een mooie bloemlezing te maken zijn van de onbekendste Nederlandse gedichten. Daarna zou kunnen verschijnen: een beredeneerde keuze uit de mooiste ongeschreven gebleven gedichten.