Een huis vol kikkers; Gesprek met de archeologe A. N. Zadoks-Josephus Jitta over dieren en klassieke kunst

De tentoonstelling 'Goden en hun beestenspul' is t/m 6 jan. te zien in Museum Kam in Nijmegen; van 12 jan. t/m 14 april in het Allard Pierson Museum in Amsterdam; en van 20 april t/m 23 juni in het Fries Museum in Leeuwarden.

De 85-jarige archeologe A. N. Zadoks-Josephus Jitta reist nog steeds het hele land door om musea te bezoeken. Daarnaast inventariseert ze de Romeinse bronzen beeldjes die in Nederland gevonden zijn. Ter ere van haar is nu in het Nijmeegse Museum Kam een kleine tentoonstelling van bronsfiguren ingericht. Over het vak heeft ze nog altijd uitgesproken opvattingen: 'Mooi, daar werk ik niet mee. Alleen het historisch belang telt. Daarom houd ik meer van Romeinse kunst dan van Griekse.'

'Je kunt niet overal antwoord op vinden; ik ben al heel blij als ik de goede vragen stel.' Uit de mond van mevrouw A. N. Zadoks-Josephus Jitta klinkt deze uitspraak bijna als valse bescheidenheid. Als hoogleraar in Groningen bepaalde zij decennia lang het gezicht van de Nederlandse klassieke archeologie en ontwikkelde zij zich tot een internationaal geroemd kenner van bronskunst uit de Romeinse tijd. Daarnaast publiceerde zij meer dan tien boeken en tweehonderd artikelen. Voor haar vakgenoten en oud-studenten is de 85-jarige Amsterdamse inmiddels 'the grand old lady of Dutch archaeology'; veel meer mensen zullen haar kennen als de auteur van Antieke cultuur in beeld, een revolutionaire kunstgeschiedenis van de Oudheid die voor generaties gymnasiasten verplichte kost was. Ikzelf herinnerde mij haar in de eerste plaats als de indrukwekkend oude dame die, vergezeld van een piepklein hondje, vaak langskwam op de bibliotheken van het Archeologisch Historisch Instituut in Amsterdam.

In het vijftiende jaar van haar emeritaat is Annie Zadoks-Josephus Jitta nog even actief als voorheen. Hoewel ze geplaagd wordt door 'vervelende kwaaltjes en die verwenste vergeetachtigheid', reist ze het land af, confereert ze met collegae, en werkt ze samen met W. J. T. Peters en W. A. van Es aan het derde deel van haar levenswerk: een inventarisatie van in Nederland gevonden Romeinse bronzen beeldjes. Tentoonstellingen stelt zij niet meer samen, maar ze is altijd bereid om stukken uit haar veelgeroemde prive-collectie uit te lenen. Zo ook aan 'Goden en hun beestenspul', een kleine expositie van bronsfiguren die in het geheim werd georganiseerd ter ere van haar 85ste verjaardag en die nu te zien is in Museum Kam in Nijmegen.

Mevrouw Zadoks voelt zich 'eigenlijk te oud voor een interview', maar stemt toe in de afspraak om met mij een rondje te maken langs de jubileumtentoonstelling in Nijmegen. Als ik op een stille maandagmorgen in Museum Kam arriveer, tref ik haar in discussie met haar collega Peters en haar oud-studente Gerhartl, die als directeur van het museum de expositie mede georganiseerd heeft. De drie archeologen staan voor een aan mevrouw Zadoks gewijde vitrine. Behalve haar portret en een deel van haar oeuvre staat daarin ook een antieke bronzen kooknap. Op de bodem van de nap is een bronzen kikker gesoldeerd waarover de geleerden het niet eens zijn. Mevrouw Gerhartl oppert dat het beestje diende om overkoken tegen te gaan, professor Peters houdt het op een creatieve versiering. Mevrouw Zadoks denkt dat zij beiden doordraven: 'Die pad is natuurlijk gewoon een grapje - om mensen de stuipen op het lijf te jagen'.

Mijn vraag is wat dit beest in de vitrine van mevrouw Zadoks doet. Zij staat bekend als een groot dierenvriend, stelde in 1959 de Imago-kalender Het dier in de Griekse en Romeinse kunst samen, en publiceerde in 1938 De hond staat model, een verzameling reprodukties van oude en nieuwe kunstwerken, voorzien van 'kunsthistorische en kynologische toelichtingen'. Maar van kikkers houdt men toch alleen in sprookjes?

'De kikker is voor mij een soort totem. Dat dateert nog uit de oorlog, toen ik samen met zeven anderen in Amsterdam ondergedoken zat. In zo'n situatie wordt er heel wat afgeroddeld - veel anders heb je niet te doen. Iemand vergeleek ons destijds voor de grap met de in kikkers veranderde boeren uit de Metamorfosen van Ovidius: zelfs onder water probeerden ze door te gaan met kwaadspreken - quamvis sint sub aqua, sub aqua maledicere temptant. Het was een mooie vergelijking, en die dichtregel, die in het Latijn trouwens als luid gekwaak klinkt, zal me mijn leven bij blijven.'

Professor Zadoks is een kleine vrouw, gebogen door de jaren, met mooi wit haar en een gegroefd gezicht. Haar verschijning is aristocratisch, haar stem voornaam zonder geaffecteerd te zijn. De vingers van de hand waarmee ze de opmerkelijkste bronzen figuurtjes in de vitrines aanwijst verraden dat ze veel rookt - maar ze is haar sigaretten vergeten. Ook haar trouwe hondje Foppe is niet meegekomen. 'Die is thuis, en houdt Claudius, de kat, gezelschap. Hij zal wel kwaad zijn als hij ruikt dat ik in Kam ben geweest; hij is een doorgewinterd museumkenner.'

'Thuis' voor mevrouw Zadoks is Amsterdam, waar ze op 17 december 1904 als Annie Nicolette Josephus Jitta werd geboren, en waar ze het grootste gedeelte van haar leven heeft gewoond. Zelfs tijdens haar professoraat in Groningen (1954-1975) keerde ze elk weekeinde naar huis terug; ze kon het, zo werd gefluisterd, niet over haar hart verkrijgen om brieven naar Amsterdam in de bus 'overige bestemmingen' te gooien. 'Sinds de oorlog woon ik aan de Prinsengracht. Mijn ouders zouden zeggen dat ik ben afgezakt, want ik ben geboren aan de Keizersgracht. In hun tijd woonde 'men' niet aan de Prinsengracht. Mijn vader was wethouder van gezondheidszaken, hij had veel aanzien verworven doordat hij als oogarts trachoom had uitgeroeid in de jodenbuurt. Ik herinner me wandelingen naar Artis: wildvreemde mensen vielen hem op straat om de hals om hem te bedanken, van marktkooplui tot sinaasappelvrouwtjes. Hij was toen al jaren uit de praktijk.'

Hebben uw ouders u de liefde voor de klassieke cultuur bijgebracht?

'Niet direct. Ik werd door hen in eerste instantie naar het Amsterdams meisjeslyceum gestuurd omdat ze het gymnasium niet meisjesachtig genoeg vonden. Toen mijn vader voorzitter werd van de Gezondheidsraad en wij naar Utrecht verhuisden, ging ik naar het gymnasium, waar ik nog les heb gehad van de vader van professor Hemelrijk, die als medewerker bij mij in Groningen heeft gewerkt voordat hij directeur werd van het Allard Pierson Museum. Uiteindelijk heb ik examen gedaan aan het Haganum in Den Haag.

'Ik ben eigenlijk pas laat gegrepen door de kunstgeschiedenis van de oudheid. Op je elfde, twaalfde ben je toch meer geinteresseerd in Indianenboeken. Het keerpunt kwam toen we les kregen uit de platenatlas van Lukenbach. Een hopeloos verouderd ding, want kunst werd daarin nog beschouwd als iets dat volledig losstond van de maatschappelijke context; maar het was een boek dat inspireerde. Later heb ik met Antieke cultuur in beeld geprobeerd om een moderne Lukenbach te maken: met niet alleen dorre plaatjes maar ook het historisch raamwerk.

'Toen ik mij na mijn eindexamen orienteerde op kunstgeschiedenis, raadde de Utrechtse professor Vogelzang mij die studie af: ik was volgens hem 'niet visueel genoeg ingesteld'. Ik ben toen maar in Leiden begonnen - bij Byvanck, die u misschien kent van Nederland in den Romeinschen tijd. Na mijn kandidaats ben ik getrouwd en kreeg ik een zoon. Toen ik mijn studie na een tijdje weer oppakte, deed ik dat in Amsterdam, aan de GU bij professor Snijder, die gespecialiseerd was in Romeinse kunstgeschiedenis. In die tijd was dat iets betrekkelijk nieuws: de kunst van de Romeinen had jarenlang in het verdomhoekje gezeten, omdat ze zogenaamd alles van die geniale Grieken hadden nageaapt.

'Snijder was toen nog braaf. Later werd hij een nazi. Ik begreep dat wel: hij had een minderwaardigheidscomplex en een Duitse vrouw, en meende dat hij door de Duitsers meer op zijn waarde geschat werd. In ieder geval heeft hij mij de liefde voor het Romeinse portret bijgebracht, het onderwerp waarop ik in 1932 bij hem gepromoveerd ben. Snijder zal wel spijt hebben gekregen van dit deel van zijn wetenschappelijke verleden. Maar begin jaren dertig was hij nog geen antisemiet.'

Autoriteit

Wij lopen verder langs de tentoonstelling. Een tiental vitrines met telkens middenin een Grieks-Romeinse godheid en daaromheen de dieren waarmee hij of zij geassocieerd werd. De oppergod Jupiter met de adelaar, maar ook met de stier en de zwaan in wier gedaanten hij Europa en Leda verleidde. De jachtgodin Diana met honden en herten. Minerva, de godin van de wijsheid, met een uiltje. Mercurius met een haan.

De god van handelaars en dieven met een haan?

'Vraag me niet hoe Mercurius aan dat beest komt. Dat weet ik niet, en volgens mij valt daar ook geen zinnig woord over te zeggen. Het gebeurt vaak dat je de iconografie niet rond kunt krijgen, dat je eenvoudigweg geen bewijsmateriaal uit een literaire bron kunt halen. Niet voor elk symbool is een stukje Ovidius pasklaar. Aan de standaardmythologie hebben archeologen trouwens weinig, zeker als je, zoals ik, te maken hebt met provinciaal brons. Mythen en sagen waren levende verhalen waar voortdurend wat bij kwam, en die van plaats tot plaats en van tijd tot tijd verschilden. Ik geloof niet dat bronsgieters in de provincie dagelijks Ovidius lazen. Waarschijnlijk konden die brave provincialen nauwelijks lezen.

'Het is belangrijk dat je je realiseert dat je niet overal antwoord op kunt geven. Van de meeste dingen in mijn vak heb ik altijd net genoeg geweten om tentamen af te nemen. Il faut oser ignorer, zeg ik altijd. Ik wil niet net doen alsof ik alles weet. Dat is iets dat mensen vaak teleurstelt, ze willen autoriteit. In de tijd dat er nog geen programma's als 'Kunst of kitsch' waren, en ook geen museumspreekuren, werd ik vaak voor expertise gevraagd door particulieren die een of ander bronzen erfstuk te gelde wilden maken. Of zo'n stuk authentiek was, kon ik meestal wel zeggen, maar niet wat het waard was. Daarvoor moet je het kunnen determineren en dateren, wat jaren van studie en vergelijking met andere stukken vergt. Voor zo'n conclusie hadden de mensen je natuurlijk niet in huis gehaald, en het kwam dan ook weleens voor dat ze je op alle mogelijke manieren tot een positief oordeel trachtten te bewegen. Toen ik na de oorlog conservator was van het Koninklijk Penningkabinet is me ooit een rijksdaalder geboden om een bepaalde munt voor echt te verklaren. Eerlijk als ik ben heb ik dat fortuin afgeslagen.'

Bezetting

Mevrouw Zadoks praat liever over 'het vak' dan over haar leven, dat door de Tweede Wereldoorlog is doorsneden. Als we na het bezoek aan het museum in de trein terug naar Amsterdam zitten, vertelt ze dat haar man, de advocaat Zadoks, tijdens een razzia werd weggehaald, en niet is teruggekomen. Haar zoon moest ze lange tijd missen, omdat die was ondergebracht in Friesland. Ik vraag haar hoe ze zelf de bezetting heeft doorstaan.

'Onder een valse naam, met een vals persoonsbewijs dat ik had gekregen van mijn pleegdochter die in het verzet zat. Het grootste gedeelte van de oorlog heb ik ondergedoken gezeten in een van een vriend gehuurd duikhuis op de Prinsengracht - het huis waar ik nog steeds woon. We zaten daar met zeer verschillende mensen, op een gegeven moment zelfs met een Duitse deserteur. Omdat de angst voortdurend was, voelde je hem niet. Het was bepaald geen treurige boel: grappen waren lijfsbehoud. Ik werkte in die tijd als Mevrouw Van Vuren op het gemeentearchief, waar ik me bezighield met de archieven van de VOC uit de zeventiende eeuw. Ik vind het nog steeds jammer dat ik de resultaten daarvan nooit gepubliceerd heb.'

Ik heb meer vragen, maar mevrouw Zadoks is moe en meer geinteresseerd in het welvaren van haar huisdieren: 'Ik hoop dat de beesten elkaar niet hebben opgegeten'. Als we in Amsterdam aankomen, nodigt ze me uit om snel eens naar haar eigen collectie bronzen te komen kijken. Dan kunnen we verder praten.

Vier dagen later sta ik bij haar op de stoep - een smal grachtenpand voorzien van een opvallende gevelsteen: een kikker met daaronder de woorden quamvis sunt sub aqua sub aqua maledicere temptant. Als ik ben binnengelaten, zie ik dat het hele huis volstaat met kikkers van alle soorten materiaal - het enig andere aanwezige dier is Foppe. Na koffie en sigaretten gaat Mevrouw Zadoks mij voor naar een kast met bronzen beeldjes en portretten.

'Ik kom uit een familie van collectionneurs, maar de kern van deze verzameling is de boedel van een Milanees gravenhuis die ik in het Italie van voor de oorlog wilde aankopen voor professor Snijder. Al snel was ik zo dol op de collectie dat ik haar zelf maar heb gehouden. De afgelopen decennia is er jammer genoeg maar weinig bijgekomen; de prijzen van brons zijn enorm gestegen. Dat is het nadeel van de archeologische wetenschap: hoe meer wij archeologen publiceren, hoe gewilder nieuw opgegraven voorwerpen worden, en hoe hoger de prijzen. Zo prijzen we onszelf en onze musea de markt uit.'

Maar zijn er dan geen stukken in uw verzameling die u zelf hebt opgegraven?

'Nee, ik was nooit de archeoloog met modderlaarzen. Ik ben geen fanatiek opgraver, meer een museummens. Laat een ander maar graven, dan beoordeel en publiceer ik de resultaten wel. Per slot van rekening ben ik ook de archeologie ingekomen via de kunstgeschiedenis. De meeste bronsvondsten in Nederland zijn trouwens niet bijster spectaculair. Als er eens 800 verroeste munten naar bovenkomen, dan kun je er vergif op innemen dat ze allemaal afkomstig zijn uit een periode die archeologisch gezien volkomen oninteressant is omdat we er alles al over weten. Van de Haarlemmermeervondst, eind jaren dertig, krijg ik nog nachtmerries. Duizend stuks rotgoed en het moest allemaal beschreven worden. Om u de waarheid te zeggen, ik ben blij dat ik niet meer hoef. Opgravingen, praat me er niet van.'

In Nederland mag dan het bijzondere klassieke goed uit de grond zijn gehaald, in Italie wordt nog heel wat gevonden. Wordt u niet moedeloos van de rol van het toeval in uw vak?

'U denkt misschien dat we op basis van een nieuwe vondst de hele archeologie kunnen herschrijven, maar zo is het niet. We weten inmiddels echt wel hoe we alles moeten plaatsen. Soms brengen we een nuance aan, of documenteren we kleine verschuivingen. Veel revolutionairs komt er niet naar boven. De meeste verrassingen zijn bevestigend.'

Naast de vitrine staat een bakje met gouden munten. Ik vraag mevrouw Zadoks of ze met al deze antiquiteiten in huis wel rustig slaapt.

'Alles wat hier staat is gepubliceerd, en bekend bij iedere kenner. Je kunt het aan de straatstenen niet kwijt en de intrinsieke waarde is minimaal. Goud vormt een risico, maar ik ben alleen geinteresseerd in brons en zilver. Van die gouden munten daar zult u niet rijk worden: die zijn van chocola.'

Wat vindt u het mooiste stuk van uw verzameling?

'Mooi', daar werk ik niet mee. Dat heb ik afgeleerd. Alleen het historisch belang telt. Daarom houd ik ook meer van Romeinse kunst dan van Griekse. De keizersportretten en de propagandareliefs van de Romeinse keizers zijn zo prachtig verweven met de historische achtergrond. Romeinse kunst is veel directer dan de Griekse, die naar mijn smaak wel erg etherisch is.'

We lopen naar de voordeur en ik neem afscheid van Foppe. Nadat mevrouw Zadoks haar ongenoegen heeft uitgesproken over de komst van een fotograaf, laat ze me uit. Haar afscheidsgroet is trouw aan Ovidius: 'Ik hoop dat u niet te veel kwaad van mij spreekt.'