Een danser valt om of hij valt niet om; Gesprek met balletrecensente en ex-ballerina Ine Rietstap

Vandaag viert Ine Rietstap een jubileum: vijfentwintig jaar geleden verruilde zij haar carriere als prima ballerina bij het Scapino Ballet voor de journalistiek. Ze was een van de eerste balletcritici in Nederland en heeft inmiddels meer dan vierduizend keer opgeschreven wat ze vond van een dansvoorstelling. 'Ik ben aangenomen omdat ik vakogen had. Negatieve kritiek wordt me zelden in dank afgenomen, maar ik herinner me niet dat ik me ooit heb vergist.'

'Dansen kan zo lelijk zijn!' De woorden, achter in de keel gearticuleerd, komen zo te horen uit de bodem van het hart van Ine Rietstap. Enkele minuten eerder gooide ze er met eenzelfde kracht uit: 'Ik haat dansers die hun benen maar een eind weg slingeren. Nee. Als je iets met dans wilt uitdrukken, zul je je lichaam beheersen.' Ine Rietstap heeft de danskunst lief. Gebrek aan vakmanschap spot met haar hartstocht en maakt kille weerzin bij haar wakker.

Vijfentwintig jaar volgt Ine Rietstap (1929) nu schrijvend de ontwikkelingen in de Nederlandse danskunst. Vijfentwintig jaar schrijft ze bijna dagelijks, direct nadat ze een voorstelling heeft gezien, met spitse lettertjes in bedachtzame zinnen vol doorhalingen haar kritiek op in een schrift. In de nachtelijke stilte leest ze zichzelf het artikel tweemaal voor ('dan weet ik of het loopt') en belt het vervolgens door aan een stenograaf of stenografe, tot 1970 die van de NRC, daarna van NRC Handelsblad. In 1985 kreeg ze de Pierre Bayle-prijs voor haar werk, maar nog altijd houdt ze vol dat recenseren geen vak is. 'Ik ben geen schrijver, ik leg verslag. Een journalist ben ik ook niet, want die is bij machte over sardientjes te schrijven, als dat moet. Ik niet. Ik ben indertijd aangenomen omdat ik vak-ogen had, en altijd een mening.'

Woede en afkeer banen zich heftig geformuleerd een weg wanneer Ine Rietstap spreekt, maar als ze schrijft trekt ze de teugels aan. 'Ik bijt niet om te bijten, ' zegt ze, alsof daarvoor een verontschuldiging op zijn plaats zou zijn. 'Vakmanschap is toetsbaar: een danser valt om of hij valt niet om. Ik kan niet roepen 'ik vond het mooi', als ik dat niet meen. Maar als ik een voorstelling vreselijk vind, vermeld ik ook wat er goed aan was. Het is mogelijk dat iets knap is, en in orde en dat het je toch niet raakt: een genot voor het oog, niet voor de ziel. Soms zit ik te kijken en denk: eigenlijk valt hier niets op aan te merken, maar ik verveel me rot. Dat schrijf ik wel op, ja. Het moeilijkst heb ik het als ik iets heel mooi vind, zoals Two, het nieuwste ballet van Hans van Manen. Dat greep me aan, en waarom? Het bestaat uit bewegingen die ik ken van Van Manen, ik rolde niet van de ene verbazing in de andere. Maar het stijgt boven iets uit, wat ik niet kan beschrijven, terwijl ik weet dat juist dat 'iets' er dans van maakt. Dan zou ik een echte schrijver willen zijn, om een metafoor te vinden.

'Een heel mooie beweging wekt mijn emoties, soms tot tranen toe. De eerste keer dat ik Adagio Hammerklavier (Hans van Manen, 1973) zag, had ik het. Het werd me benauwd in de keel en ik dacht: nu moet niemand iets tegen me zeggen. Dat gebeurt zelden, duurt maar een fractie van een seconde. Een hemels gevoel: zo zouden we moeten leven.'

Het werk van Hans Van Manen wekt meestal op zijn minst Rietstaps enthousiasme. 'Van Manen schept ruimte in ruimte, tijd in tijd', omschreef ze in haar recensie over zijn Brainstorm (1989) de adem van zijn creaties en telkens opnieuw bedacht ze een andere omschrijving in die richting. 'In Nederland heerst nog altijd het idee dat niemand meer is dan een ander', zegt ze, 'maar sommige mensen zijn iets meer en Van Manen is er daar een van.'

Rechter

Als het aan de vader van Ine Rietstap had gelegen, was ze rechter geworden, kinderrechter, om precies te zijn. Deze Haagse stoffeerder/behanger en bestuurslid van de SDAP merkte op hoe slecht zijn dochter onrecht kon verdragen en een studie rechten leek hem op zijn plaats. Maar Ine belandde na MULO en HBS op een kantoor. Haar vrije tijd besteedde ze aan het ballet, aan het bijhouden van uitgebreide plakboeken en aan het zelf trainen. Sinds haar volksdansende moeder haar op haar vierde had ingeschreven voor een klasje ritmische gymnastiek en daar balletlessen op waren gevolgd, was ze steeds meer bezeten geraakt. Na de amateur-balletschool in Den Haag volgde ze in de oorlog, vanaf haar vijftiende, lessen in Amsterdam ('daar werden we naartoe geevacueerd vanwege de tankwal'), onder de hoede van Mascha ter Weeme. Uit haar befaamde amateuropleiding werden na de oorlog leerlingen gerecruteerd voor de voorstellingen van het net opgerichte Ballet der Lage Landen. En zo betrad Ine Rietstap op 7 april 1948 voor de eerste maal het podium, met een paar pasjes figurerend als 'misdeelde' in het ballet Straat der Verbeelding van Max Dooyes.

Al snel zegde Rietstap haar kantoorbaan op. Ze bereisde avond aan avond het hele land om op te treden voor een uiteenlopend publiek dat vaak gewonnen moest worden voor de danskunst: 'Toen kon er nog gegierd worden om een man in een maillot, ' herinnert Rietstap zich, 'en in het zuiden des lands mochten we geen blote armen hebben en soms ook geen roze tricots, want dat leek te veel op vlees'. Telkens werden haar rollen groter. 'Ik kan niet opgevallen zijn door mijn techniek of door mijn lichaamsbouw. Mijn nek is niet lang en mijn benen zijn niet recht. Ik denk dat mijn overgave me eruit deed springen: ik geloofde zo sterk in wat ik deed.'

Drie jaar later, in 1951, danste ze haar eerste solistenrol. 'Een soliste werd ziek en ik nam haar rol over. Pas de volgende dag - ik weet het nog precies, ik zat in de tram - bedacht ik ineens dat niemand nu meer kon ontkennen dat ik een danseres was. Tot dan durfde ik nooit te denken dat dansen mijn vak zou kunnen zijn. Ik ging mee naar de voorstellingen, niets meer. Steeds had ik het gevoel dat ik stiekem deelde in een verder onbereikbare wereld.

'Ik heb altijd genoten van het dansen zelf. Ik ben introvert, was onopvallend van verschijning, niet mooi, met sproeten en rood haar. Het toneel eist exhibitionisme en alleen al het feit dat je er anders kon zijn, won me voor de dans. Ik voelde me aannemelijk, zeker met die afstand tussen mij en het publiek. Het toneel lag zo ver van mijn dagelijks leven verwijderd dat ik erbuiten vaak niet werd herkend. Op het toneel deed ik wat ik normaal gesproken nooit zou durven. Dansend vond ik vorm voor gevoelens waar ik geen uitdrukking voor kon vinden in mijn leven naast de dans. Als je in het dagelijks bestaan wanhopig bent is het zinloos om je daaraan over te geven, maar in een rol op het toneel heeft dat wel zin.

'Niets heeft naderhand het dansen kunnen vervangen. Er bestaat geen andere manier om me te uiten. Soms herken ik iets in een voorstelling. Dan voel ik: wat ik te zeggen heb, beweegt daar.'

Leerlingen

Rietstap was behalve bij het Ballet der Lage Landen soliste bij het Scapinoballet, tot ziekte haar, twintig jaar na haar figuranten-debuut, dwong te stoppen. Inmiddels had ze een tweede passie ontdekt: balletles geven. Ze werd docente techniek aan de Scapino Dans Academie, die toen deel uitmaakte van de Amsterdamse Theaterschool. Tussen 1967 en 1983 leidde ze enthousiast jonge mensen op tot dansers, soms tot haar trots: Karin Schnabel, John Wisman, Ed Wubbe waren leerlingen van haar. Rietstap genoot van het begeleiden en vormen van jonge mensen ('het meeste moesten ze zelf doen, hoor') en van het onverwachte: 'Godgegeven talenten stopten voortijdig, maar zo'n Ed Wubbe was weer een geweldige verrassing. Toen ik dat stugge lijf zag, dacht ik absoluut niet, gottegot wat een talent. Maar daar kwamen later, zeker toen hij zelf begon te choreograferen, zo'n drift en dynamiek uit dat ik hijgde: waar komt dat vandaan.'

Als het aan Rietstap had gelegen, was ze nu nog verbonden aan de Academie, maar tot haar verdriet moest ze voortijdig vertrekken. In de tijden dat 'democratisering' een modewoord werd, raakte ze in conflict met collega's: 'Ik geloofde niet in inspraak voor eerstejaars leerlingen. Dat zijn kleuters in het vak en kleuters laat je niet voor zichzelf beslissen, dan krijg je ongelukken. Er was weerstand tegen de hoge disciplinaire en technische eisen die ik stelde. En bij de selectie zou ik de kinderen te weinig een kans gunnen. Selecteren moet, ook al is het onmogelijk moeilijk. Een danser wordt voor 90 procent bepaald door zijn mentaliteit en incasseringsvermogen, het is moeilijk te beoordelen in hoeverre lichamelijke fouten en gebreken te corrigeren zijn en muzikaliteit is zelfs niet te meten. Maar ik vond het wreed om een kind toe te laten, terwijl je eigenlijk al wist dat een danscarriere onhaalbaar is.' Rietstap besloot weg te gaan bij de Academie, toen haar functie als studieleidster haar werd ontnomen. 'De ruzies werden over de hoofden van de leerlingen uitgevochten. Dat vond ik onaanvaardbaar, want die zijn al onzeker genoeg. Bovendien wilde ik niet alleen maar binnenkomen, mijn lessen geven en de deur weer uitgaan. Ik zag te veel. Ik liep door de gang en ik wist wat er achter de deuren zat. Ik zou gek geworden zijn als ik me doof had moeten houden. Het is een enorme klap voor me geweest, dat ik mijn collega's niet heb kunnen overtuigen. Het leek of alles wat ik op die school had gedaan voor niks was geweest, en ik heb daarna nooit meer les willen geven. Het maakte te veel los, ik kon het niet meer aan en nog steeds niet. Zelfs nu valt het me zwaar om naar lessen te kijken.'

Meesmuilend

Op een enkele uitzondering na werden dansrecensies tot ver in de jaren zestig geschreven door toneel- of muziekjournalisten. Hun gebrek aan kennis en toewijding was Rietstap jaren lang opgevallen. Toen theater-recensent David Koning in het Haarlems Dagblad in een meesmuilende recensie over het Ballet der Lage Landen schreef dat de choreografie Kaleidoscoop (1956) van Walter Gore voornamelijk voldeed omdat de danseres er haar draaitalent in kon tonen, kreeg hij van ballerina Rietstap een gepeperde brief waarin ze hem voorhield dat Gore niet een draai in dat ballet had verwerkt. Daarna kon ze geen kwaad meer doen bij Koning, en in zijn volgende recensie noemde hij Rietstap 'een intelligente danseres'. Rietstap: 'Zulke valselijke uithalen hoorden bij de 'Balletoorlog' die toen woedde. De critici hadden afgesproken dat het voor onze danskunst het beste was wanneer alleen Sonia Gaskell met haar Nederlands Ballet zou overleven. Dat werd dus consequent opgehemeld, de rest werd weggeschreven. Later is dat officieel toegegeven door Wim Boswinkel, toen de theatercriticus van het Handelsblad.'

Ine Rietstap werd een van de eerste gespecialiseerde balletcritici in Nederland. Al in de nadagen van haar Scapino-carriere begon zij balletkritieken te schrijven, voor de NRC. De collega-danser die dat tot dan toe deed, stopte ermee en omdat Rietstap de redactie van het maandelijkse 'Scapino-nieuwsje' voerde, leek zij de aangewezen opvolgster. Op 27 augustus 1965 verscheen haar eerste artikel, over een optreden van het New York City Ballet in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Net als toen ze met dansen begon, werkte ze met het uitgangspunt: het is mijn vak niet, dus als ik het niet goed doe, hoor ik het wel en dan ben ik direct weg.

Nog steeds heeft Rietstaps dansersverleden invloed op haar artikelen: 'Wij zijn een choreografenland, geen dansersland, ' weet ze. 'Echte sterren hebben we hier niet of nauwelijks. Het publiek komt af op een ballet van Hans van Manen of van Jiri Kylian, meestal niet om een bepaalde danser te zien. Maar ik geloof heilig in de inbreng van dansers. Zij staan op het toneel, zij moeten het overbrengen. Het gaat niet alleen om de pasjes die ze doen. Hoe zij verwerken wat de choreograaf hun aanreikt, telt ook. Over Anne Affourtit heb ik eens geschreven: als je die de vuilnisbak buiten laat zetten is het ook mooi. Wat ze die avond moest doen was volkomen oninteressant, maar wat was het een genot om naar dat mens te kijken.'

Hoe sterk Rietstap zich maakt voor de dansers, bracht ze zelden zo duidelijk naar voren als in haar verhaal over Bachanten, de voorstelling van toneelregisseur Gerardjan Rijnders met Het Nationale Ballet. Ze schreef: 'De allergrootste waarde van deze produktie is dat onomstotelijk naar voren komt wat een uitzonderlijke theatermensen dansers zijn'. In hetzelfde stuk roemt ze het 'natuurlijk gemak', het gevoel voor nuance en de 'lijfelijke expressie' waarmee dansers teksten spreken en spelen. 'Ik wist dat allang, maar toen bleek weer eens dat dansers meer te vertellen hebben dan menig acteur', zegt Rietstap, nog steeds een beetje triomfantelijk. 'En Rijnders heeft veel van ze geleerd. In zijn voorstellingen zie je hem nu spelen met fysieke, choreografische elementen.'

Mopperen

De dans heeft zich inmiddels op zijn beurt ook toneelkenmerken toegeeigend. Steeds meer komt het voor dat de choreograaf de dansers gesproken tekst voorschrijft. Rietstap houdt daar niet van. 'Moeten ze weer praten', horen haar collega's haar dan mopperen in de pauze. Rietstap: 'Ik word gek van die teksten. Als iets danstheater heet, dan wil ik dans zien, of op zijn minst een gedachtengang met dans als uitgangspunt. Maar niet voor niets bestaat het publiek van bijvoorbeeld Pina Bausch voor het grootste deel uit theaterliefhebbers, want onder andere door haar raakte de dans op de achtergrond. Bausch' invloed is zeer vervlakkend geweest, omdat haar werk ogenschijnlijk zo gemakkelijk te kopieren is: als jij vanavond in een slonzig onderjurkje en zonder make-up dertig keer je hoofd zo hard mogelijk tegen de muur wilt slaan, dan kun je dat doen en misschien heb je nog succes ook. Je bereikt bij lange na niet het niveau van Bausch, want bij haar zit er veel meer achter, maar het is gemakkelijk te denken dat je hetzelfde doet. Kylian daarentegen kun je alleen navolgen wanneer je heel veel afweet van de danskunst en de beste dansers tot je beschikking hebt.'

Hoe mild Rietstap haar oordelen ook probeert te verpakken, in haar kritieken is ze altijd duidelijk: 'Ik houd niet van versluierende verhalen'. Zo verwijt ze de choreografieen van Rudi van Dantzig de laatste jaren steeds opnieuw dat die haar onberoerd laten: 'Het is net of hij dezelfde argumenten telkens harder staat te uit te schreeuwen, ' vat Rietstap die stukken samen. 'Hij wil zo graag overtuigen en het lukt hem steeds minder. Dat irriteert me, want ik laat me graag meeslepen en bovendien kan Van Dantzig bijzonder knap met grote groepen werken.

'Negatieve kritiek wordt me zelden in dank afgenomen. Toen ik zelf nog danste heb ik ook slechte kritieken gekregen. Ik trok ze me wel en niet aan. Natuurlijk gooide ik zo'n kritiek eerst in een hoek. Maar na een dag haalde ik hem uit die hoek om toch te gaan bedenken of er iets van waarheid instak. Wie te zelfverzekerd is, kan blind worden en een terechte kritiek kan hem opnieuw naar zichzelf laten kijken. Maar alles wat geen boeket is, moet een bom zijn, denkt men bijvoorbeeld bij Het Nationale Ballet. Daar begrijpen ze niet dat ik geen genoegen neem met minder dan mogelijk is, juist omdat Het Nationale Ballet me aan het hart gebakken zit en juist omdat ik het hoogschat.

'Ik herinner me niet dat ik me ooit in een recensie heb vergist. Het is voorgekomen dat ik een voorstelling opnieuw ben gaan zien omdat ik positieve oordelen van anderen las over wat ik slecht had gevonden. Maar dat heeft nooit mijn mening veranderd.'

Achterwege laten

Wat ontbreekt in de kritieken van Ine Rietstap zijn oordelen over het dansbedrijf. Wat zich op het podium afspeelt, beschrijft ze, maar hoewel er over haar wordt gefluisterd dat ze 'alles' weet, blijft achterwege wat zich schuil houdt achter de schermen. 'Dat laat ik aan anderen over, ' verklaart ze, 'aan iemand die meer afstand heeft. Ik wil in mijn recensies beslist niet persoonlijk worden en dat gebeurt al snel wanneeer je je achter de schermen begeeft. Wat ik weet over beleid en management kan ik op andere plaatsen kwijt: daarvoor zit ik in al die commissies.'

Want Ine Rietstap is niet alleen de auteur van intussen rond de vierduizend recensies, ze heeft ook zitting in adviescolleges (onder meer in de sectie dans van de Raad voor de Kunst) en subsidiecommissies: 'Ik word gevraagd en ik zeg zelden nee, want ik vind dat werk leuk.' Regelmatig krijgt ze het verwijt dat ze teveel macht heeft vergaard. Rietstap vindt dat onzin: 'Wat is macht? Dat ik recensies schrijf? Dan beperkt die macht zich toch tot de momenten dat er al twijfel bestaat aan bepaalde kwaliteiten. In een commissie is het heus niet zo dat ik mijn mond maar hoef open te doen om mijn zin te krijgen. Ik heb geen belangen, bij welk groepje dan ook, wat zeldzaam mag heten in die kleine danswereld. En wat ik denk is algemeen bekend, want dat staat in de krant.

'Ik ben integer, dat weet ik heel zeker. Ik heb niets tegen wie dan ook. Of ik nu voor subsidie stemde of tegen, een ballet kan mislukken, meevallen of slagen. Op dat laatste zal ik tot het eind van de voorstelling blijven wachten. Want ik weet dat de dans in een laatste seconde nog een wonder kan laten gebeuren.'