Diplomatiek realisme; Nederlands Theaterjaarboek over toneel en overheid

Nederlands Theaterjaarboek 89 90. Eindred. D. Houtman, R. Steijn. Uitg. Nederlands Theater Instituut, 179 blz. Prijs fl. 20, -.

In het novembernummer van het Duitse blad Theater Heute doet Ulrich Hammerschmidt verslag van het in september gehouden Nederlandse Theaterfestival. Hij heeft een oordeel over het een en ander, maar interessanter is de informatie die hij de onwetende Duitse lezer in een apart kadertje verschaft. De Nederlandse overheidssubsidies wekken zijn nauw verholen verbazing. Het Theaterfestival moet zich bedruipen met zes ton, terwijl de Berlijnse pendant, het Theatertreffen, jaarlijks vier miljoen Mark te besteden heeft - en in het Nederlandse theater in zijn geheel gaat al met al veertig miljoen gulden om, een bedrag waarvan in Duitsland net drie kleinere stadsgezelschappen rond moeten komen.

Die simpele vergelijking werkt ontnuchterend, evenals de vermelding van enkele andere 'harde' gegevens. Verwijzend naar wat kenners erover zeggen, vereenzelvigt Hammerschmidt het vooruitstrevende kwaliteitstheater in ons land met drie namen: Jan Joris Lamers, Gerardjan Rijnders en Frans Strijards, de artistieke leiders van respectievelijk Maatschappij Discordia, Toneelgroep Amsterdam en Art en Pro. 'Top-Theatermacher' noemt hij hen. Het oog van de buitenstaander doet, met respect voor de drie uitverkorenen, beseffen: is that all there is?

Enkele grijpstuivers en drie binnen de grachtengordel wereldberoemde theatermakers: zou het een misschien met het ander verband houden? Te oordelen naar de artikelen in het onlangs verschenen Nederlands Theaterjaarboek 89 90, lijkt dat zo te zijn. Die Rose ist ohne warum? Und du? Und du? - een citaat uit Peter Handkes Das Spiel vom Fragen - luidt het motto van de uitgave, waarin de redactionele aandacht gelijkelijk is verdeeld over het ministerie van WVC en theatermakers L, R en S.

Handkes zinsnede is daarbij leidraad. De algemene teneur van de betogen is dat WVC moet doneren zonder vragen te mogen stellen en dat de kunstenaars scheppen zonder antwoorden te hoeven geven. Men is tegen het negentiende-eeuwse idee dat kunst net zo goed of beter op zolderkamers gedijt, maar men omarmt het niet minder romantische beeld van de kunstenaar als geroepene. De roos kent geen waarom - misschien dat juist daarom menig kunstenaar zich aangetrokken voelde tot de kunst.

Filosofen

In het Theaterjaarboek wordt kunstenaars alleen maar ernst toegedicht. Als we de auteurs (Janny Donker, Paul Binnerts, Dirkje Houtman e.a.) moeten geloven, zijn onze theatermakers allemaal filosofen die, in verwondering om zich heen kijkend, tobben over leven en dood. En filosofen voldoen nu eenmaal niet aan verwachtingen, zij prikkelen juist.

Vreemd genoeg ziet het oog van de buitenstaander, van Ulrich Hammerschmidt, iets heel anders. In plaats van 'de schreeuw van woede' die Houtman hoort, signaleert Hammerschmidt humor, de neiging om, uit angst te kwetsen, alles in het belachelijke te trekken, relativering als 'een permanent pardon'. Dit 'diplomatiek realisme' houdt volgens hem verband met ons 'rijtjeshuis'-klimaat, waarin men de buurman maar beter te vriend kan houden. Een 'zu boses Wort' moet, omwille van de fysiek noodzakelijke vrede, onmiddellijk geneutraliseerd worden door een verzoenende grap.

Of de verklaring klopt doet er niet toe, belangrijker is dat Hammerschmidt en het Theaterjaarboek langs verschillende wegen op dezelfde plaats uitkomen. Over anderen dan L, R en S wordt in de beschouwende artikelen nauwelijks gerept. Robert Steyn signaleert in zijn artikel Terugkeer naar het mystieke een gebrek aan 'radicaliteit' en Marijn van der Jagt betoogt in haar bijdrage nog net niet dat de, in Duitsland werkzame, choreograaf William Forsythe als enige 'in staat is om beelden reeel te maken in het hier en nu van het theater'. Janny Donker ontkent in Legitimatie van het kunstbeleid het bestaan van de door WVC gewraakte 'kunst-kunst' niet, maar volgens haar krijgt de maatschappij 'de kunst die ze verdient'. En zij besluit: 'Ook het publiek is verantwoordelijk voor het maatschappelijk functioneren van de kunst.'

Fantasie

Het isolement van de kunst in deze tijd 'van illusieloosheid en consumptiedrift' is volgens Dirkje Houtman vrijwillig. De toneelschrijvers Peter Handke, Botho Strauss, Rob de Graaf (van Nieuw West) en Strijards 'weigeren nog antwoord te geven' en met hun 'vormeloos universum' dwingen zij de toeschouwer zich niet tevreden te stellen met consumeren; hij moet ook zijn fantasie gebruiken. Paul Binnerts roept in De illusie van de lijst de overheid op tot het slechten van de coulissen en het bouwen van 'empty spaces'. Door het primaat van toneellijst en lijsttoneel wordt het grote schouwburgpubliek volgens hem 'weggehouden' van het 'experimentenhoekje'. En voorzover dat de overheid niet te verwijten valt, ligt de schuld bij de schouwburgdirecties.

Arme theaterkunstenaars, denk je na lezing van het jaarboek, arme Lamers, Rijnders en Strijards. Behalve toptheatermaker zijn ze slachtoffer - van de overheid, van het publiek, van directeuren, van de toneellijst, van de tijdgeest. En van het rijtjeshuis. Hun kunst verwijst naar zichzelf, met reden, maar wat er mis aan is, komt van buiten. Iedereen draagt schuld, aan wat dan ook, behalve zij.

Als ik Lamers, Rijnders en Strijards was, zou ik me ernstig betutteld voelen en niet erg serieus genomen. Uiteraard moet, straks, in een vreedzame wereld, het hele defensiebudget ten goede komen aan de kunst - daar gaat het niet om. Ergerlijk is de volkomen weerloosheid en het martelaarschap die hen wordt toegedicht. Binnerts verwijst in zijn artikel jengelend naar de 'empty spaces' van Ariane Mnouchkine en Peter Brook: hun 'andere' toneel hoeft niet in daarvoor ongeschikte schouwburgen of te kleine zalen gespeeld te worden.

Binnerts kiest de verkeerde voorbeelden. Hij gaat voorbij aan het gevecht dat deze theatermakers hebben geleverd, in een niet bepaald gunstiger toneelklimaat. Mnouchkine bouwde haar Cartoucherie, aan de rand van Parijs, eigenhandig op, letterlijk, niet omdat zij er negentiende-eeuwse ideeen op nahield, maar omdat zij haar geloof in het theater dat zij wilde maken, niet afhankelijk stelde van anderen. Zij stond niet toe dat het publiek werd 'weggehouden' - en het komt dan ook voorstelling na voorstelling massaal opdagen. Waarom? Niet omdat het Franse WVC dat wil, maar omdat zij dat wil. En die wil is aan haar voorstellingen af te zien.

    • Pieter Kottman