De mythe van het beschermende hoefijzer

Oude schoenen, versleten klompen en afgetrapte laarzen belanden op de vuilnisbelt, maar het schoeisel van het paard - horseshoe in goed Engels, hoefijzer in rond Nederlands - wordt gekoesterd als een kostbaar kleinood. Dat is merkwaardig. Is het paard soms van hogere orde dan de mens? Het raadsel van een roestige kromgebogen reep ijzer waaraan een gelukbrengende werking wordt toegeschreven intrigeert.

De komiek Johannes Buziau (1877-1958) had oog voor het ridicule aspect dat in de aanbidding van zo'n banaal voorwerp schuilt. Het is een beetje vies. De nagels van de viervoeters worden niet met edelmetaal beslagen. Toen zo'n pond staal nog aan zijn doel beantwoordde, trotseerde het modder en drek. Het lijkt geen bijdrage aan de nationale hygiene om - zoals het volksgeloof voorschrijft - dit amulet te kussen en stevig aan het hart te drukken. 'Wat weten de mensen van paarden?', vroeg Buziau zich met hese stem af. Om te vervolgen: 'De mensen weten niets van paarden. Af en toe loopt een paard door de straat. Dan lopen de kinderen er achteraan. En af en toe laat zo'n paard iets vallen.' (Het publiek grinnikt.) 'De kinderen rapen dat dan op.' (Gelach.) 'Kijk, zeggen die kinderen dan. Dat is een hoefijzer. Dat brengt geluk.' (Geschater.)

Dat het hoefijzer eventueel onheil op een afstand houdt is nooit bewezen, maar er waren zelfs vooraanstaande beoefenaren van de exacte wetenschap die het zekere boven het onzekere verkozen. Toen de natuurkundige Albert Einstein op bezoek was bij zijn Deense collega Niels Bohr zag hij een hoefijzer boven de deur hangen. 'Maar Niels, wat is dat nu voor een flauwekul! Daar geloof je toch zelf niet in?', riep Einstein verbaasd. 'Nee, dat niet direct', antwoordde Bohr, 'maar ik dacht: baat het niet, schaden doet het evenmin. Je kunt nooit weten.'

In de bokssport garandeert het hoefijzer de succesvolle finale van een krachtige eindstoot, mits - zoals Charlie Chaplin in een van zijn films demonstreerde - het ding op listige wijze in een handschoen wordt weggemoffeld.

In Britse cadeauwinkels liggen kartonnen tableaus te koop met strikjes van roze kant die een miniatuur-hoefijzertje op zijn plaats houden: het perfecte geschenk voor jonge bruidsparen (die dit onzinpakket vermoedelijk nog dezelfde avond in de prullenbak deponeren). In het vooroorlogse Albanie - zo leert De Herberg met het Hoefijzer van A. den Doolaard - werd alles gedaan om een voorspoedig verloop van een te voltrekken bloedwraak te bevorderen: 'Een wanhoopsdaad waarschijnlijk, want hoewel de jongen Maria aanriep, had hij het hoefijzer meegenomen.'

In Nederland wordt het hoefijzer gesignaleerd boven morsige schuurdeuren, aan masten van zeilschepen en in souvenirwinkels, hoewel van de wonderbaarlijke werking van de gepolijste exemplaren die daar over de toonbank gaan - veelal in combinatie met uit ambachtelijk eikehout vervaardigde barometers of machinaal gereproduceerde stillevens - weinig mag worden verwacht. Het is gek: de belangstelling voor het paranormale was waarschijnlijk nooit zo groot als tegenwoordig en toch is het ooit wijdverbreide volksgeloof in de kracht van het hoefijzer onmiskenbaar aan het tanen.

Zouden er nog altijd hoefijzers in het wiegje van een pasgeboren kind worden gelegd om ziekte en boze geesten buiten de deur te houden? Waarschijnlijk niet. Het hoefijzer is een decoratief aardigheidje geworden, dat wellicht niet baat, maar hooguit de pechvogel schaadt die er onderdoor loopt en het ding op zijn hoofd krijgt. Misschien heeft het ijzer aan populariteit ingeboet omdat de bron van het betoverende effect zo onduidelijk is. De poging om daar in een telefonische rondgang langs vakbekwame hoefsmeden iets over aan de weet te komen, ontpopt zich alras tot een zinloze onderneming. De vraag overvalt de heren een beetje, ze staan toevallig net op het punt om naar buiten te lopen of ze staan hoe dan ook met de mond vol tanden. Al snel blijkt dat de beroepsgroep geen trek heeft in een gesprek over dit onderwerp. Het interesseert ze niet. Men heeft wereldser zaken aan het hoofd.

In zo'n geval kan nog slechts raadpleging van relevante vakliteratuur licht in de duisternis verschaffen. De Amerikaanse hoogleraar Leonard R. N. Ashley houdt het in zijn standaardwerk The Wonderful World of Superstition, Prophecy and Luck beknopt. 'Mensen hangen hoefijzers boven een deur omdat dit geluk brengt, maar slechts weinigen weten dat de uiteinden naar boven moeten wijzen, anders loopt het geluk eruit.' Dat is alles wat Ashley over dit thema te berde brengt.

De Sesam-atlas van het bijgeloof voegt daaraan toe dat op het moment dat een hoefijzer wordt bevestigd niet mag worden gesproken. 'Het hoefijzer beschermt tegen bliksem en brand en brengt kooplieden veel klanten en een goede winst.' Dat zal best, maar intussen weten we nog steeds niet waar deze wijsheid op stoelt. De Britse historicus Ivan G. Sparkes komt in zijn boek Old Horseshoes met een aannemelijke verklaring. Hij betoogt dat het ene magische symbool uit het andere voortvloeit: het hoefijzer brengt volgens hem geluk omdat de vorm gelijkenis vertoont met de sikkels van de nieuwe maan. En ook de nieuwe maan brengt geluk; wie de oorsprong daarvan wil achterhalen moet te rade gaan bij oude tovenaars die gespecialiseerd zijn in sterrenwichelarij en astrologie. Het hoefijzer raakte aan het begin van de achtste eeuw in zwang.

Volgens Sparkes werd in 1687 in Amsterdam geloofd dat het vinden van een hoefijzer een voorbode was van voorspoed en geluk, maar hij schrijft er niet bij in welk boek hij dat gelezen heeft. De historicus wijst er nog op dat twee punten van een opgehangen hoefijzer gerust naar beneden mogen wijzen. Naar boven mag ook, maar dat is geen voorschrift. Wat dat betreft bestaan er twee 'denkscholen', verduidelijkt Sparkes.

Ook Nederlandse paardevrienden togen op onderzoek uit. Het tijdschrift Mensport (geen sportief mannenblad, zoals de titel doet vermoeden, maar een cluborgaan voor liefhebbers van het paardemennen) zocht onlangs de oorsprong van de fascinatie voor het hoefijzer in de mythologie. Het Godenpaard en de gevleugelde Pegasus duidde al op de bovenwereldse potentie waar het dier over beschikte. Dat een gloeiend hoefijzer kon worden aangebracht zonder dat het paard zelfs maar met de ogen knipperde bewees dat er magische krachten in het spel waren. Het ijzer werd trouwens vastgeklonken met zeven hoefnagels; zeven is een geluksgetal. Bovendien was ijzer volgens het volksgeloof een metaal dat de duivel op een afstand hield.

Het zijn misschien aanknopingspunten, maar geen verklaringen. Het is te laat. Wie wil achterhalen waarom het hoefijzer geluk brengt, raakt het spoor onherroepelijk bijster - net als de achtervolgers van de slimme veldheer, die zijn paard had voorzien van hoefijzers die de omgekeerde richting uitwezen.

Misschien hadden die achtervolgers wel een hoefijzer van een ezel op zak. Dat brengt namelijk ongeluk.

    • Rudie Kagie