Schattingen varieren van twee tot veertig miljoen Russen die komen; Brain drain bedreigt Sovjet-Unie

MOSKOU, 29 nov. - Voor de Amerikaanse ambassade aan de binnenste ringweg, de 'peripherique' van Moskou, bloeit de handel. Voor acht roebel kun je er een gestencild boekje kopen met de regels die je je voor het Amerikaanse snelverkeer eigen moet maken. Vijftien roebel kost het bundeltje met Engelse zinnetjes die van pas kunnen komen bij aankomst op Kennedy Airport. En twee roebel moet je neertellen voor een aanvraagformulier voor een visum. Vooral dat laatste is gewilde waar. Het zou je verzoek wel eens kunnen versnellen, zeker in deze tijd waarin het aantal visum-verzoeken explosief stijgt.

Bij het Duitse gezantschap aan een laantje even verderop is de sfeer eveneens comform de cultuur die binnen ook heerst. Geen straathandel maar een keurig bord van een 'service-bureau' dat voor 30,90 roebel en 'gegarandeerde discretie' een 'zeker visum voor de Bondsrepubliek' aanbiedt. Een offerte voor mensen, kortom, die weten dat 'tijd geld is' en daarom niet in de rij willen wachten. Maar een probleem moet iedereen voor de Duitse ambassade toch zelf oplossen: de uitnodiging die de Sovjet-burger nodig heeft om uberhaupt een uitreisvisum te kunnen krijgen. Zo'n brief is goud waard. Zeker nu het aantal visum-verzoeken explosief stijgt. De eerste zes maanden van dit jaar hebben er al zeventigduizend mensen voor de Duitse deur staan wachten op de behandeling van hun verzoek. Bij de ambassade was het niet anders. Daar hebben 237.000 Sovjet-burgers in de rij gestaan, eveneens twee keer zoveel als het hele vorige jaar. De Amerikaanse cijfers zijn minder spectaculair. Volgens de ambassade zijn er afgelopen jaar in Moskou bijna 90.000 toeristenvisa verstrekt en slechts 574 immigratiedocumenten. Maar niettemin, de cijfers stijgen nu wel maandelijks (oktober telde 10.005 visa plus 75 immigraties), de schrik zit er dus in en de gastvrijheid is er navenant afgenomen.

De enige plek waar dat probleem (nog) niet bestaat is de voormalige Israelische ambassade aan de oever van de Moskwa, de buurt die het mooiste wijkje van Moskou zou kunnen zijn als het niet zo verwaarloosd was. Israel is grondwettelijk verplicht om alle joden ter wereld gastvrijheid te verlenen. Sinds de Sovjet-autoriteiten de emigratie naar Israel niet meer frustreren is de toeloop aan de Grote Ordynkastraat massaal. In een eenvoudige barak van golfplaat, neergepoot in de tuin van de vroegere ambassade, worden de visa verstrekt. Elke middag worden ze daar door medewerkers van de officieuze Israelische vertegenwoordiging, die zolang de diplomatieke betrekkingen niet zijn hersteld formeel nog onder auspicien van de Nederlandse consul moet werken, via een megafoon uitgereikt aan de joden die uit Leningrad en Bakoe, uit Koejbisjev en Tasjkent naar Moskou zijn afgereisd. Bijna vijfhonderd visa per dag worden er zo afgegeven, drie- tot vierhonderd aan joden die zich definitief in Israel willen vestigen en vijftig tot honderdvijftig voor mensen die er alleen op bezoek willen om rond te kijken of kwartier te maken. Maar bij deze 2500 visa per week zal het waarschijnlijk niet blijven. Ook hier stijgen de aantallen. De trend wijst op een verdrievoudiging dit jaar.

De gevolgen van deze emigratie-hausse zijn in het gewone leven in Moskou niet onopgemerkt gebleven. Dagelijks zwerven er vijfduizend mensen in de metropool rond, op jacht naar een visum en alle bureaucratische rompslomp die daarbij hoort. Ze slapen bij vrienden. En als ze die in Moskou niet hebben, overnachten ze op de stations. Want hotelkamers zijn niet beschikbaar in de miljoenenstad, althans niet voor roebels. Als het meezit kunnen ze voor zeven roebel per nacht een brits huren van een van de 'cooperatieven' (vrije ondernemers) die het gat in de slaapmarkt hebben ontdekt en die voor geld en goede woorden graag willen opvullen.

Het zijn cijfers die in de Sovjet-Unie tot bezorgdheid leiden over een dreigende brain drain en in de rest van Europa welhaast tot paniek. Toen het 'reeel bestaande socialisme' nog zei te bestaan was het Westerse immigratiebeleid ruimhartig. Maar nu het ideologische succes binnen is en de demografische gevolgen zichtbaar worden, slaat de schrik menigeen om het hart: 'De Russen komen'. En inderdaad: 'Zullen we gaan of zullen we toch maar niet gaan' is hier het gesprek van de dag. Over politiek, het thema van vorig jaar, doen de meesten er liever het zwijgen toe. Dat perspectief heeft afgedaan. In de woorden van Igor, een jonge metaalbewerker uit Tver (het voormalige Kalinin) die vorige week polshoogte kwam nemen bij de Amerikaanse ambassade: 'Het wordt hier toch nooit meer wat'. Hij is niet de enige die zo denkt over zijn eigen land.

De meest conservatieve schatting gaat uit van twee miljoen emigranten. In de Sovjet-Unie zelf wordt een exodus van dertien miljoen burgers verwacht. De voorspellingen buiten de Sovjet-Unie zijn nog driester. In oktober voorspelde de Finse regering een immigratiegolf van twintig miljoen Russen. Een week geleden overtroefde Praag deze prognose zelfs met een aantal van maar liefst dertig tot veertig miljoen.

Deze kwantitatieve vermoedens zijn gebaseerd op de economische en politieke chaos in de Sovjet-Unie, waarvan het einde vooralsnog niet in zicht is, en op de nakende liberalisering van de Russische emigratiewetgeving. Nu moeten Sovjet-burgers nog een uitreisvisum hebben voordat ze bij een Westers land kunnen aankloppen. Dat heeft veel voeten in de aarde, al was het maar omdat je daarvoor een paspoort nodig hebt, een document dat lang niet iedereen bezit. Maar er ligt een wet gereed die daaraan een einde wil maken. Het fenomeen uitreisvisum zou dan worden afgeschaft, met als gevolg dat het probleem dan op 'ons' bord komt te liggen.

Niettemin weet niemand of al die prognoses niet een slag in de lucht zijn. Ten eerste omdat de nieuwe emigratiewet weliswaar in 'eerste lezing' is afgehandeld, maar nog steeds niet van kracht is. Waarom de Opperste Sovjet het wetsvoorstel nu al ruim een half jaar in de bureaula heeft liggen, is onduidelijk. De parlementariers zeggen het te druk te hebben. Maar er zouden wel eens ook onuitgesproken economische motieven voor kunnen zijn. Een Sovjet-burger die naar het buitenland gaat heeft nu het recht om tweeduizend roebel om te wisselen tegen echt geld. Dat is niet veel. Maar als de emigratie echt vrij wordt zou dat de staat wel eens kapitalen aan waardevolle valuta kunnen gaan kosten. Bovendien zou de Vjesekonombank, de financiele instelling die daarover gaat, zoveel transacties tegelijkertijd administratief niet eens kunnen verwerken.

Of wat te denken van het dreigende paspoorttekort. Gosnoka, de drukkerij die deze identificatiedocumenten nu voor het hele land drukt, kan er maar twee miljoen per jaar produceren. En als ze haar produktie zou weten op te voeren tot de benodigde twintig miljoen paspoorten per jaar zou dat de overheid veertig miljoen gulden extra aan valuta kosten voor het speciale papier dat er voor nodig is.

Om nog maar te zwijgen over de vraag hoe al die mensen het land straks uit zouden kunnen komen. Nu al moet je, als je je ticket niet tegen woekerprijzen op de zwarte markt wil kopen, een half jaar van tevoren boeken voor een vlucht met Aeroflot.

En dan is er nog dat veel ongrijpbaarder aspect. Willen al die voorspelde potentiele emigranten echt voorgoed weg? Zeker, naar het Westen willen de meesten wel. Al was het maar om een kijkje te nemen en een computer of andere elektronica te kopen die je dan weer kunt doorverkopen. Maar definitief? De verwijzing naar de 'Russische ziel', die uiteindelijk toch door heimwee verteerd zal worden, wordt door Russen zelf met graagte gemaakt. Er zijn echter ook minder verheven redeneringen die tot scepsis nopen. Loedmila, een kapster uit Moldavie die nu in Moskou de tering naar de nering probeert te zetten, heeft ook wel eens met de gedachte gespeeld. Uiteraard. Maar zij heeft het idee weer verworpen. Een jaar geleden dacht ze nog dat in het 'Westen' alles in orde was. Maar nu de eerste joodse emigranten terugkomen, is ze genuanceerder. Voor haar is in een concurrentiemaatschappij geen plaats, weet ze nu. Als ze naar de Bondsrepubliek zou verhuizen, zou ze daar namelijk als kapster willen werken en niet als poetsvrouw, daar voelt ze zich toch echt te goed voor. Ze houdt van haar vak, ook al beseft ze dat ze veel minder kan dan haar collega's over de grens omdat kwaliteit in de Sovjet-Unie altijd een onzinnig begrip was. Wie zit daar op haar te wachten? 'Ze zien me al komen. Als ik in de rij gaan staan voor de ambassade en achter mij staat een arts, dan weet ik wel wie er een visum krijgt en wie niet'.