'Milieu moet hoeksteen beleid overheid zijn'; Studie gewenste milieubeleid op lange termijn afgerond

ARNHEM, 29 nov. - Het 630 pagina's dikke boek bevat hoofdstukken als 'Het Fundament', 'Hoekstenen' en 'Bouwstenen', terwijl er ook 'Beschouwingen vanaf de steiger' in voorkomen. Men zou denken aan een minutieuze verhandeling over de woningbouw, maar het betreft een reeks denkbeelden over milieubeleid op lange termijn, na het jaar 2000. Er is sprake van een uitgesponnen metafoor aan de hand van het Griekse woord voor huis 'oikos', waar het begrip ecologie van is afgeleid: ons aller huis in de 21ste eeuw.

Het boek, waar veel geleerde en hooggeleeerde schrijvers aan bijdroegen, is de vrucht van enkele jaren studie onder de hoede van de Commissie Lange Termijn Milieubeleid (CLTM), die in 1988 werd ingesteld op verzoek van de minister van VROM. De opdracht luidde: 'Het voorbereiden van wetenschappelijk gedocumenteerde adviezen over lange-termijnontwikkelingen, die van invloed kunnen zijn op het milieu en het aangeven van de wijze waarop het milieubeleid op die ontwikkelingen zou dienen te reageren.'

Aan die opdracht heeft de commissie in eerste aanleg voldaan. Vandaag stond haar geschrift centraal op een studiedag in Arnhem en achterin de middag zou de voorzitter, prof.dr. N. J. M. Nelissen, het uitreiken aan minister Alders van milieubeheer.

De aanbevelingen zijn in de vorm van 'gewenste trendbreuken' gegoten. Een daarvan luidt dat het milieu de hoeksteen moet worden van het beleid van internationale, Europese, nationale, regionale en plaatselijke overheden. Verder moet de veel geroemde doelstelling 'duurzame ontwikkeling' (uit het Brundtland-rapport van de Verenigde Naties) worden aangevuld met wat men noemt een kwaliteitsbesef.

Aan de vooravond van het congres zegt voorzitter Nelissen hierover: 'Iets kan duurzaam zijn, maar geen kwaliteit hebben. Denk aan een saaie, oninteressante buurt waar men woont of werkt. Zo'n buurt kan generaties lang meegaan, zonder de mens ook maar de minste stimulans te bieden: men heeft het er, kortom, slecht naar zijn zin.'

Nelissen (49) doceert al bijna een kwart eeuw sociologie alsook bestuurs- en beleidswetenschappen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Daarnaast is hij sinds kort bijzonder hoogleraar natuur- en milieuvraagstukken aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg, een leerstoel die werd ingesteld op initiatief van particuliere organisaties. Enkele weken geleden hield hij zijn oratie onder de titel 'Afscheid van de vervuilende samenleving'.

'Een nieuwe maatschappij op ecologisch gebied ligt in het verschiet', zei de kersverse professor. 'Er zijn allerlei hoopvolle tekenen die het rechtvaardigen om de toekomst met optimisme tegemoet te zien. De milieuproblemen worden steeds serieuzer genomen en de bereidheid om er iets aan te doen, neemt niet alleen in woorden, maar ook in daden toe. De industriele maatschappij begint plaats te maken voor een ecologische gemeenschap: een samenleving waarin het milieu hoofddoelstelling van het beleid is.' De initiatieven ten gunste van het milieu zijn volgens hem zo talrijk, dat hij sprak van een 'groene hyperactiviteit'.

Een onvervalste milieu-optimist dus, maar Nelissen noemt zich liever een man die positief denkt: 'Als we de milieuproblematiek in haar maatschappelijke context bekijken, dan hebben we de neiging dat van dag tot dag te doen en dan signaleren we: er gebeurt weinig. Maar als je het tijdsperspectief ruimer neemt en je kijkt bijvoorbeeld terug naar 1970, dan zie een sociale mobilisatie ten gunste van het milieu die haar weerga in de geschiedenis niet kent.

'Tekenen van hoop, inderdaad, maar je moet er natuurlijk wel oog voor hebben. Het milieu is tegenwoordig een gespreksonderwerp bij uitstek. Geen universiteit die er geen aandacht aan besteedt en hetzelfde geldt voor hoger beroeps-, middelbaar en lager onderwijs. Sommige Kamerleden die er zich mee bezighouden, behoren tot de politieke zwaargewichten. Ook de verschillende overheden doen volop mee aan de groene hyperactiviteit. Het aantal beleidsnota's over het milieu berg je niet meer in een boekenkast. Daar heb je een compleet archiefsysteem voor nodig. En dan het bedrijfsleven. Als je daar een paar jaar geleden over milieu sprak, werd je uitgemaakt voor geitewollensokkendrager. Milieu was een kanttekening in de marge, waar je niets mee deed. Nu wordt daar soms de indruk gewekt dat men roomser is dan de paus.

'Lippendienst? Zoals je zo vaak ziet, moet het begrip eerst doordringen tot het gedachtengoed van de mensen, dan volgen de gedragsintenties en ten slotte worden die goede voornemens hopelijk omgezet in daden. Veel bedrijven zitten inderdaad nog in de eerste fase en relatief weinig in het laatste stadium. Die krijgen prijzen uitgereikt omdat ze het goed doen, maar natuurlijk zou het andersom moeten zijn: een gele of rode kaart voor firma's die nog milieuvervuilend werken. Maar toch: in betrekkelijk korte tijd is het milieu bij een aantal bedrijven een echte produktiefactor geworden naast kapitaal, arbeid en grond.'

Desondanks staan we volgens Nelissen in ecologische zin pas aan het einde van het begin. De bestaande toestand van het milieu geeft minder reden tot vreugde dan men op grond van de initiatieven om de vervuiling aan te pakken, zou mogen verwachten: 'Bij alle tekenen van hoop zijn er ook tekenen van wanhoop. Nooit was de verzuring zo erg als nu. Nooit was de verdroging zo erg als nu. Nooit was de toename van het CO2-gehalte in de atmosfeer zo groot als nu. En nooit waren de afvalbergen zo omvangrijk als nu.'

Terug naar het boek van de CLTM dat vandaag in Arnhem werd gepresenteerd: 'Het Milieu: denkbeelden voor de 21ste eeuw'. Nelissen schreef het voorwoord: 'Voorspellingen komen maar zelden uit, maar deze denkbeelden dragen niet het karakter van een voorspelling. In dit opzicht is het niet nodig dat latere generaties het werk van de commissie bijzetten in het mausoleum van onjuiste voorspellingen. Het werk van de commissie kan worden uitgedrukt als een poging tot vooruitzien wegens respect voor het nageslacht.'