Mensenrechten worden te vaak verabsoluteerd

De rechtbank te Amsterdam heeft twee personen vrijspraak verleend, die werden verdacht van internationale handel in verdovende middelen en als zeer gevaarlijk golden. Duidelijk is dat de rechtsorde hiertegen, indien verdenkingen vaststaan, bescherming behoort te bieden.

De rechtbank heeft vrijspraak verleend omdat een voor de verdachten te Brazilie ingewonnen verklaring niet zou zijn afgelegd in bijzijn van de advocaten van de verdachten. In het voetspoor van een recente uitspraak van de Hoge Raad werd aldus beslist.

Het bewijs moet wettig geleverd en overtuigend zijn. Gelet op hetgeen aan buitenstaanders bekend is geworden, mag worden aangenomen dat het bewijs overtuigend is geweest. De rechtbank meende, op bovengenoemde formele gronden, dat het wettig niet was geleverd. De rechtspraak omtrent een 'eerlijk proces', 'gelijke kansen' voor Openbaar Ministerie en verdachte waaraan deze overweging is ontleend, is afgeleid van de verdragen over de zogenoemde mensenrechten. Deze overweging hoeft echter niet noodzakelijk uit die verdragen te worden afgeleid. Een tegengestelde mening is mogelijk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de beschouwing in NRC Handelsblad van 22 november van de president van de rechtbank te Amsterdam. Officier van justitie en rechter-commissaris hielden rekening met de mogelijkheid dat de strafkamer van de rechtbank anders zou kunnen oordelen dan is geschied.

De uitspraak is een blijk van de verabsolutering van de mensenrechten, wat een bedenkelijke ontwikkeling is. Bij een veroordeling zou welhaast niemand in redelijkheid de rechtbank hebben kunnen beschuldigen van schending van mensenrechten.

Mensenrechten zijn niet altijd doorslaggevend. Er dient een belangenafweging te zijn. Ook de wetgever doet dit. Het verdrag van Rome eist in artikel 6 onder meer strafvervolging binnen een redelijke termijn. Dat de verjaring voor bepaalde oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de mensheid is opgeheven, is daarmee in strijd. Tegen het belang van de verdachte is afgewogen de eis recht te doen, ongeacht het tijdsverloop omdat alleen vergelding nog enige genoegdoening aan de slachtoffers kan verschaffen.

De internationale drugshandel is een groot en toenemend kwaad van deze tijd. De publieke opinie eist strenge bestrijding. Belangenafweging eist ook hier dat het belang van de verdachte dient te wijken voor het grotere belang van bestraffing. Krachtens die afweging is het denkbaar, zelfs voor de hand liggend, dat in zulke gevallen de mensenrechten niet absoluut gelden, doch worden afgewogen tegen andere belangen. Dit hoeft materieel geen schending van mensenrechten op te leveren en het is niet uitgesloten dat een veroordeling in deze gevallen terecht zou zijn geweest.

De rechtbank heeft haar eigen verantwoordelijkheid en vrijheid. Zij behoeft niet blindelings de jurisprudentie van de Hoge Raad te volgen en de lagere rechter hoede zich voor gebrek aan vindingrijkheid. De rechtbank te Rotterdam heeft eens de gevangenneming van een verdachte bevolen, die door machtige media bij voorbaat was veroordeeld, waarbij werd overwogen dat weliswaar de tekst van de wet dit niet toestond doch dat de wetgever 'kennelijk aan dit geval niet had gedacht'. Sic.

Blijkbaar moet in de media nog meer op het grote kwaad van de drugshandel worden gehamerd.