Liquidatie-koers Bush roept verzet op

Een nieuwe generatie generaals is in de Verenigde Staten aangetreden. Zij zijn veelal Vietnamveteranen, maar zij waren destijds gezien hun leeftijd en rang niet verantwoordelijk voor de wijze van oorlogvoering in de jungles van Indo-China. Onder aanvoering van de voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven, Colin Powell, hebben zij hun Commander in Chief, de president, geconfronteerd met de lessen die zij uit het Vietnamese debacle hebben getrokken. De eerste luidt: zorg voor voldoende militaire macht en versnipper de strijdkrachten niet indien een confrontatie wordt aangegaan. De tweede: zorg ervoor in dat geval de steun te hebben van het volk en zijn vertegenwoordigers.

De afschaffing van de dienstplicht en de daaruit voortgevloeide relatief compacte omvang van de Amerikaanse strijdkrachten maken de inzet van reservisten onontkoombaar als machtsontplooiing op grote schaal noodzakelijk wordt geacht. Hierdoor wordt het vrijwel onmogelijk buiten de publieke opinie om een gewapend conflict te beginnen dat meer is of wordt dan een snelle en beperkte interventie als in Grenada en Panama. President Johnson vermeed in de jaren zestig mobilisering van reservisten uit vrees anders de politieke steun voor zijn Vietnambeleid versneld te verliezen. Nog tijdens de verkiezingscampagne van 1964 had hij verklaard dat oorlogen in Azie door Aziaten moesten worden uitgevochten.

President Bush heeft de adviezen van de militaire top opgevolgd. Voor de boycot van Irak en voor de verdediging van Saoedi-Arabie werd een strijdmacht samengetrokken en ter plaatse gestationeerd van een omvang die geen ruimte voor twijfel liet over het vermogen de gegeven opdrachten uit te voeren. De openheid tegenover de Amerikaanse samenleving was een tijd lang voorbeeldig en de steun in de publieke opinie navenant. Maar een kentering trad in toen de president vorige maand besloot tot een verdere en aanzienlijke versterking, zowel met grondtroepen als met eenheden van marine en luchtmacht. Twijfel ontstond of Bush wel wist wat hij wilde.

Die twijfel wordt versterkt door de verscheidenheid aan doelen die de president en zijn voornaamste woordvoerders voortdurend aanwijzen en door de zeer persoonlijke aanvallen van Bush op de Iraakse leider Saddam Hoessein. De Amerikaanse eis van een onvoorwaardelijk Iraaks vertrek uit Koeweit en van de vrijlating van alle gijzelaars door het regime in Bagdad past in het raam van de opeenvolgende resoluties van de Verenigde Naties. Maar de krachtige suggestie dat met Irak pas weer normale betrekkingen mogelijk zijn als het zich ontdaan zal hebben van Saddam Hoessein zelf en van zijn vermogen tot de produktie van wapens voor massale vernietiging gaat een beslissende stap verder. Met de inmiddels in gang gezette aanzienlijke versterking van haar troepenmacht wekt de Amerikaanse regering de indruk zich voor te bereiden op een totale afrekening.

Na de wending in zijn beleid in oktober is Bush op drie obstakels gestoten. Het eerste rees in de Veiligheidsraad van de VN. Was de tot dusver grote mate van eensgezindheid daar opgewassen tegen de internationale spanning die een offensief Amerikaans optreden tegen Irak zou veroorzaken? De onzekerheid daarover noopte Washington tot een verzoek om een nieuwe uitspraak van de Raad. Maar een dergelijke uitspraak verwijst noodzakelijkerwijs naar eerdere uitspraken van de Raad en daarmee zou een limiet zijn gesteld aan iedere actie tegen Irak.

Het tweede obstakel is de weerzin van andere staten met troepen in Saoedi-Arabie om bij een offensieve actie tegen Irak betrokken te raken. De uiteindelijke bereidheid daartoe zal mogelijk evenredig zijn aan de mate waarin een dergelijke operatie beperkingen zal zijn opgelegd. Dit tweede obstakel zal gemakkelijker te overwinnen zijn als het eerste is weggenomen.

Het derde obstakel werd opgeworpen in het Amerikaanse Congres. In de Senaat is er al op gewezen dat dit Huis volgens de grondwet als enige het recht heeft oorlog te verklaren. De regering in Washington zal erop rekenen dat het groeiende verzet in de Amerikaanse volksvertegenwoordiging tegen een militair optreden meer beheersbaar zal blijken naarmate er internationaal meer steun voor zal zijn. Die veronderstelling lijkt gefundeerd: als de politieke doelen van een offensief gelimiteerd zijn, zal er meer kans ontstaan op het handhaven van de internationale consensus en zal de bereidheid in het Congres om zich daarbij aan te sluiten toenemen.

Op zichzelf is er veel voor te zeggen Irak zijn intentie en zijn vermogen tot verregaande agressie tegen zijn buren te ontnemen. De regio zou daarna een beter uitzicht hebben op stabiliteit. Maar de van Amerikaanse kant gesuggereerde, niet door een mandaat van de VN gedekte liquidatie van Irak als militaire en politieke entiteit heeft de geloofwaardigheid van de regering-Bush extern en intern verzwakt. Daarmee wordt de bereidheid om zonodig verdergaande machtsmiddelen te gebruiken voor het door de Veiligheidsraad bevolen herstel van de status quo ante in Koeweit onnodig op de proef gesteld.

In het geval van een offensief ter bevrijding van Koeweit zullen Iraks strategische wapens op grond van militaire overwegingen niet buiten schot blijven, maar dat is niet hetzelfde als de militaire uitschakeling per se van Irak en zijn regime. Na een terugtocht van Irak uit Koeweit, min of meer vrijwillig of gedwongen, zijn er overigens voldoende en minder gewelddadige mogelijkheden, zoals een voortgezette boycot, om de heersers in Bagdad er toe te bewegen hun agressieve opties voor de afzienbare toekomst op te geven. De VN komt deze taak toe.