Kat-en-muis-spel met zigeuners aan de Belgische grens; 'Wij willen geen nomaden'

Kempische boeren en Vlaamse vissers. Foto's en schilderijen van Victor de Buck (1855-1914) en Jozef Gindra (1862-1938). Museum Kempenland Eindhoven, tot 6 januari 1991

De herdenking van de honderdste sterfdag van Vincent van Gogh heeft de vele impulsen gegeven die tot een uitbreiding van onze (kunst)historische kennis en inzichten hebben bijgedragen. Een onverwachte en toevallige gebeurtenis in dit verband is de 'vondst' van de oudste tot nu toe bekende buitenopname van zigeuners in Nederland.

Leo Lucassen sr. las in een artikel over de Bladelse collega's van Van Gogh in het Eindhovens Dagblad een opmerking over een aan de Belgische grens gemaakte zigeunerfoto. Hij maakte zijn zoon Leo jr. hierop attent. Deze had op dat moment juist het manuscript van zijn promotie-onderzoek naar het beleid van de Nederlandse overheid ten aanzien van de zigeuners afgerond (inmiddels verschenen onder de titel En men noemde hen zigeuners ... De geschiedenis van Kalderasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland: 1750-1944). Tot zijn grote spijt kon hij deze foto niet meer in het boek opnemen.

In archieven, vooral van het ministerie van justitie, spoorde hij 3.200 documenten op (veelal brieven, circulaires en nota's), die als basis dienden voor de reconstructie van het gevoerde beleid. Daarnaast bevatten de uitleidingsregisters in het Algemeen Politieblad veel gegevens. Hierin werden (sinds 1852) alle personen vermeld die door de plaatselijke autoriteiten als ongewenste vreemdeling over de grens werden gezet. Als derde belangrijke bron voor de beschrijving van de als zigeuners aangemerkte groepen noemt Lucassen het beeldmateriaal. Prenten, tekeningen en foto's kunnen veel duidelijk maken over allerlei facetten van het zigeunerleven.

Het overgeleverde beeldmateriaal, zoals in het boek opgenomen, vertoont grote tekortkomingen. Het zijn overwegend uit deze eeuw stammende foto's met in scene gezette taferelen die veel weg hebben van een groep volwassen geworden kinderen die een spelletje spelen, waarbij de good ones (marechaussees) het aan de stok hebben met de bad ones (zigeuners). Op alle opnamen wordt op de bekende starre wijze voor het oog van de camera geposeerd.

In schril contrast hiermee staan enkele foto's van Victor de Buck, die momenteel in Museum Kempenland in Eindhoven te zien zijn op de tentoonstelling Kempische boeren en Vlaamse vissers. Deze Brusselse kunstschilder verbleef in 1886 in de Kempen en fotografeerde bij toeval een door Belgische autoriteiten over de grens gezette groep zigeuners. Behalve deze opnamen van zigeuners heeft De Buck nog ruim 200 andere foto's van het Kempische plattelandsleven gemaakt, waarbij onder andere het landschap, de behuizing, het werk op de boerderij, de markt, en groepen kinderen favoriete thema's vormden.

De gebeurtenis aan de Nederlands-Belgische grens vormde een momentopname van een langdurige en veel omvattende affaire met verstrekkende gevolgen voor het door de Nederlandse overheid gevoerde beleid ten aanzien van de zigeuners.

Deze affaire, door Lucassen uitvoerig beschreven, begon voor Nederland op 17 september 1886. Een groep van 42 Hongaarse ketellappers was uit Antwerpen naar Rotterdam gekomen met de bedoeling om met een stoomschip naar New York te gaan. Het personeel van de Nederlands-Amerikaanse Stoomvaart Maatschappij verwachtte dat de overige passagiers hen als hinderlijk zouden ervaren omdat zij er slordig en armoedig zouden uitzien. De directie bood de ketellappers zelfs aan het geld terug te geven als ze van de reis zouden afzien, maar tevergeefs. Begin oktober vertrok de groep met het stoomschip de W. A. Scholten naar New York. Hoewel zij zich netjes hadden gekleed en ondanks het pleidooi van de kapitein bij de Amerikaanse immigratiedienst (men had vrij veel geld) werd de groep de toegang tot de VS geweigerd. Het argument van de immigratie-autoriteiten was: 'Wij willen geen nomaden.'

Een protestbrief van de leider van de groep, Giovanni Kalderas, waarin deze uitdrukkelijk verklaarde niet armlastig te zijn, maar door koper- en tinsmederij goed de kost te kunnen verdienen, mocht niet baten. De ketellappers werden gedwongen op 23 oktober met hetzelfde schip weer terug te keren.

De hele reis, die waarschijnlijk al in Palermo, maar in ieder geval in Marseille was begonnen, had de groep zeker al zo'n 4.000 Franse francs gekost (omgerekend naar de huidige koers: f. 108.000, -). Bij aankomst in Nederland was hun kapitaal dan ook sterk geslonken.

Aangezien de groep uit Belgie naar Nederland was gekomen, meenden de Nederlandse autoriteiten het recht te hebben ze weer naar dat land 'uit te leiden'. Op 8 of 9 november zette de marechaussee hen bij Zundert de grens over. Hiermee begon een kat-en-muisspel. Diverse malen werd de groep van de ene naar de andere kant van de grens geleid. Van een zo'n gebeurtenis deed de plaatselijke correspondent van Reusel uitvoerig verslag in de Meierijsche Courant van 24 november 1886:

'Heden morgen was onze heide nabij de grens, in een soort van kamp herschapen: niet minder dan 42 Zigeuners door de Belgische politie over de grens gebracht, hadden daar hunne tenten opgeslagen, en kookten en stookten van alles wat zij bij elkander konden scharrelen. 't Was waarlijk een vreemd schouwspel die luidjes in hunne origineele en verslonste kleederdracht bezig te zien en daar het weder goed was, werd er veel volk naar het terrein gelokt. De heer De Buck van Bladel was weldra met zijn fotographisch toestel aanwezig en heeft verscheidene groepen van de Zigeunerbende genomen.

'Doch hunne vrijheid was niet van langen duur; door de zorg van den heer Burgemeester en de politie waren er omstreeks elf uur vijf karren op het terrein aanwezig, die den ganschen troep met hunne tenten en prullen oplaadden. Doch waarheen? Hen terug over de grenzen te brengen langs den weg waarover zij gekomen waren, ging niet: deze was door de Belgische politie afgezet. Verder op langs Postel, vertrouwde men de zaak niet beter; ook daar meende men de groote kolbakken der Belgische geindarmes gezien te hebben.'

Toen ook uitleiding naar Duitsland (rond 8 december) mislukte, ontstond een diplomatieke patstelling en kwam de groep, na nog enige vruchteloze uitleidingspogingen naar Belgie, vast te zitten bij de Limburgse gemeente Eijsden. Aanvankelijk beweerde hun woordvoerder Kalderas, dat alle (inmiddels) 43 personen de Hongaarse nationaliteit bezaten. Zijn pas vermeldde echter alleen zijn eigen gezin. Pas nadat 'tentzoeking' door de marechaussee ook Servische en Griekse passen aan het licht had gebracht, konden onderhandelingen met de diverse diplomatieke vertegenwoordigers worden geopend. Na wekenlang diplomatiek touwtrekken werd uiteindelijk besloten de Hongaren en Serviers via Venlo naar Boedapest te sturen en de Grieken via Amsterdam naar Piraeus. Daarmee kwam een einde aan de 'reis' van de groep ketellappers die al met al ruim een half jaar in beslag had genomen en de Nederlandse overheid alleen al aan voeding fl. 295,29 had gekost.

Met het einde van het verblijf van de ketellappers werd ook het einde van een relatief open periode in de relatie tussen rijksoverheden en zigeuners ingeluid. Waar groepen ketellappers, vertinners, bereleiders, paardenkopers of muzikanten aanvankelijk nog het voordeel van de twijfel kregen en voorwaardelijk werden toegelaten, zorgde de 'affaire 1886-1887' ervoor dat bij de rijksoverheden het idee postvatte dat zigeuners per definitie als ongewenste vreemdelingen moesten worden beschouwd.

De minister van justitie werkte deze visie uit in de circulaire van 27 februari 1887. Hierin stelde hij dat het binnenkomen van zigeuners in de toekomst zoveel mogelijk diende te worden tegengegaan. Daartoe moest op deze 'zwervelingen' de Vreemdelingenwet uit 1849 zeer strikt worden toegepast. De redenering was dat zigeuners altijd konden worden geweigerd, omdat de leden van de groep nooit allemaal een geldig paspoort bezaten en mocht dat al het geval zijn, hun middelen van bestaan nooit toereikend waren. Zo blijkt dus al meer dan een eeuw te gelden: wie een hond wil slaan, vindt allicht een stok.