Jan Salie was zo achterlijk nog niet; TITUS ELIENS OVER INDUSTRIEEL ONTWERPEN IN DE 19E EEUW

Titus Eliens. Kunst Nijverheid Kunstnijverheid. De nationale nijverheidstentoonstellingen als spiegel van de Nederlandse kunstnijverheid in de negentiende eeuw. Walburg Pers 1990, 223 p. fl. 59,90.

Hij heeft maar een negentiende-eeuwse stoel op zijn Amsterdamse etage staan. Bijster mooi vindt hij ze niet, kunstnijverheidsprodukten uit de vorige eeuw. Maar dat is voor hem geen reden om die periode links te laten liggen, zoals de meeste kunsthistorici voor hem deden. Titus Eliens (36) promoveerde onlangs op een studie van die produkten, geexposeerd op de nationale nijverheidstentoonstellingen die in Nederland tussen 1808 en 1888 werden gehouden. Zijn boek, Kunst Nijverheid Kunstnijverheid, werpt nieuw licht op deze door kunsthistorici lang versmade periode.

'Wij modernisten vinden dat vormgeving functioneel moet zijn en geven daarom weinig om de vorige eeuw. Dat was de tijd van het 'historisme', van het teruggrijpen op historische stijlen als de Hollandse Renaissance en de Barok die vaak ook nog klakkeloos door elkaar heen werden toegepast. Daar houden wij niet van: we vinden het naaperij, en bovendien vinden wij dat een stijl zuiver moet zijn. Onzin natuurlijk. Op dit moment citeren vormgevers ook ruimschoots uit het verleden. Het postmodernisme zou je neo-historisme kunnen noemen.'

Het verschil is echter dat de hedendaagse citaten vergezeld gaan van een knipoog. Het bestuderen van oude stijlen maakte in de vorige eeuw deel uit van een collectieve identiteitscrisis, die zich volgens Eliens in heel Europa voordeed. 'Je kunt je haast niet voorstellen wat er in korte tijd allemaal veranderde. Door de industrialisatie ontstond er een nieuw fabrieksproletariaat, een hele nieuwe maatschappelijke structuur. De steden werden uitgebreid, de stadswallen geslecht. De bekende wereld wankelde. Dat is een reden waarom het sentiment zich op het verleden richtte.'

De industrialisatie zorgde daarnaast voor grote veranderingen in het produktieproces. 'Een fabrikant van kunstnijverheidsprodukten had zelden een ontwerper in dienst. Hij bepaalde hoe zijn goederen er uit moesten zien aan de hand van 'voorbeeldboeken' met plaatjes van allerlei historische stijlen. De band tussen ontwerper en uitvoerder was met de opkomst van de massaproduktie verdwenen, de arbeid werd verdeeld. Dat gold ook voor die sectoren waar de industrialisatie pas laat in de eeuw zijn intree deed, zoals de meubelmakerij. Geen wonder dat tijdgenoten steen en been klaagden over de verloedering van de vormgeving.'

Het welgestelde deel van de bevolking kocht daarom buitenlands fabrikaat. De belangstelling voor meubelmakerswerk uit Frankrijk, bijvoorbeeld, of aardewerk uit Engeland was vele malen groter dan voor het eigen produkt. De gegoede burger vond het ook uitermate chique om op een Franse stoel te zitten: 'Net zoals wij weglopen met het Italiaanse design, terwijl we toch perfect meubilair van een Nederlandse firma als Montis kunnen kopen. Er waren textielfabrikanten - textiel was een kwalitatief hoogstaande bedrijfstak - die aan de vraag tegemoet kwamen door hun produkten uit te voeren en dan opnieuw te 'importeren'.'

De buitenlandmode was velen echter een doorn in het oog. In navolging van de Fransen besloten fabrikanten en andere belanghebbenden om over te gaan tot de organisatie van nijverheidstentoonstellingen. De klant moest het Nederlandse produkt nu ook maar eens leren waarderen. Dat idee sloeg aan. In totaal werden er in de vorige eeuw met groot succes veertien nationale en ook nog talloze kleinere tentoonstellingen gehouden, vergelijkbaar met onze huidige jaarbeurzen. Daar konden Jan Salie en zijn vrouw zich vermeien in de aanblik van de nieuwste koetsen, kanonnen, stoommachines en lampetkannen. Eliens benutte de golf van administratieve activiteit en publiciteit waarmee elke expositie gepaard ging om 2500 fabrikanten, en later soms ontwerpers, van kunstnijverheidsprodukten te inventariseren. Hij beperkte zich tot de vervaardigers van gebruiksvoorwerpen en voorwerpen voor het interieur. Ze zijn ondergebracht in een bijlage, die als bron voor latere onderzoekers ongetwijfeld een belangrijk onderdeel van zijn boek zal blijken.

Een van de interessantste gevolgen van de nijverheidstentoonstellingen is de discussie die zich in de loop van de eeuw ontspon over het niveau van de vormgeving. Rondom 1850 werd de roep steeds sterker om kunstenaars bij het ontwerpen van nijverheidsprodukten in te schakelen. Het begrip 'kunstnijverheid' ontstond in die jaren.

Titus Eliens, licht geergerd: 'Kunsthistorici jeremieren altijd dat Nederland zo achterlijk was en dat het de Engelsen waren die met de 'Arts and Crafts'-beweging voorop liepen.' Een gebrek aan historisch besef, weet hij nu: 'Wij kenden hier net zulke voortrekkers als Ruskin en Morris. Ik kan talloze saillante voorbeelden geven die bewijzen dat in Nederland dezelfde gedachten leefden. Sterker nog: toen Morris in 1861 zijn firma Morris, Marshall, Faulkner and Co. oprichtte, om in een op de middeleeuwen geinspireerd samenwerkingsverband allerlei uitgestorven ambachten nieuw leven in te blazen, was Cuypers hem al acht jaar voor geweest. Onze beroemde architect richtte in 1853 in Roermond samen met een fabrikant van liturgische kleding een kunstwerkplaats op met precies hetzelfde doel.'

Wel sloegen dergelijke ideeen in Engeland meer aan. Volgens Eliens komt dat doordat de industrialisatie daar zoveel sneller verliep dan hier. De breuk met het verleden was groter, en daarmee ook de ontevredenheid. Achterlijk waren de Nederlanders echter geenszins: 'Op het moment dat de Art Nouveau losbarstte, stond Nederland daar ook meteen middenin. Men was er rijp voor. En dat was zonder al het geworstel en het discussieren in de voorafgaande jaren niet mogelijk geweest.'

    • Kitty Kilian