'Beurskoersen hebben geen last van optiehandel'

ROTTERDAM, 29 nov. - De handel op de Optiebeurs oefent geen structurele verstorende invloed uit op de koersvorming van aandelen op de Amsterdamse Effectenbeurs.

Dat kan worden geconcludeerd uit de acht pagina's van het totaal meer dan 200 pagina's tellende rapport van de commissie-Fase, die door de Effectenbeurs en de Optiebeurs zijn gepubliceerd.

Wederzijdse beinvloeding tussen optiehandel en aandelenhandel komt hooguit incidenteel, maar niet systematisch voor, zo is berekend. Wel is het volgens de commissie zo dat er een significant statistisch verband is tussen de koersontwikkeling op de effectenbeurs en de omzetontwikkeling op de aandelen- en optiemarkt. Schiet de koers op de effectenmark plots flink uit dan valt dat in de helft van de gevallen samen met uitschieters in de optie- en aandelenomzet. Waarbij de optiebeurs de snelste blijkt: Uitschieters in de optie-omzetten lopen gemiddeld vaker voor dan achter op koersmutaties. Dit is volgens de commissie met name het geval bij Hoogovens.

Het bestuur van Hoogovens heeft zich in het recente verleden uitdrukkelijk beklaagd op de in zijn ogen verstorende invloed van de optiehandel op de koers van het aandeel. De commissie Fase concludeert dat voor sommige fondsen de transacties vanuit de Optiebeurs de koersvolatiliteit vergroten. Zij stelt dat dit in het bijzonder geldt voor Nedlloyd.

Overigens stelt het rapport dat de optiehandel de aandelenomzet op de effectenbeurs minder stimuleert dan wel gedacht. Volgens de berekeningen ligt de aandelenomzet van de optiehandelaren tussen de 2 en 9 procent van de hele aandelenomzet in de fondsen die zowel op de aandelen- als op de optiemarkt zijn genoteerd.

De commissie Fase is op 27 november vorig jaar geinstaleerd. Haar voorzitter is prof dr M. M. G. Fase, onderdirecteur van De Nederlandsche Bank.