Persofficier wil inperking van rol rechter-commissaris; 'Snelheid en doelmatigheid zijn daarmee gebaat'

AMSTERDAM, 28 nov. - Het gerechtelijk vooronderzoek moet worden vervangen door een justitieel vooronderzoek in handen van het openbaar ministerie. Hierbij moet de rol van de rechter-commissaris belangrijk worden ingeperkt.

'Snelheid, doelmatigheid en kwaliteit van de strafrechtpleging is hiermee gebaat.' Dit stelt de Amsterdamse persofficier mr. L. de Wit. Aanleiding is het besluit gisteren van de rechtbank in Amsterdam om vijf van oplichting verdachte mannen buiten vervolging te stellen omdat de redelijke termijn van vervolging was overschreden. Tegen de vijf mannen werd in juli 1987 vervolging ingesteld en gisteren werd de zaak ter behandeling op de zitting gebracht. Fungerend rechtbankpresident mr T. van der Schroeff oordeelde daarom dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was.

De Wit meent dat de vertraging vooral voor rekening komt van de rechter-commissaris die op dit moment formeel de leiding heeft over het vooronderzoek. 'Door het niet ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie worden wij verantwoorlijk gesteld voor de tijd die de rechter-commissaris neemt voor het gerechtelijk vooronderzoek. Als wij dan toch verantwoordelijk zijn, moet het OM ook de prioriteiten van de rechter-commisaris kunnen bepalen', aldus De Wit, die in de toekomst voor de rechter-commissaris een rol als 'procesbegeleider' ziet weggelegd die alleen geschillen beslecht tussen OM en verdediging. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de rechter-commissaris alleen optreedt naar aanleiding van strikte opdrachten van het OM of op verzoek van de verdediging. In dit zogeheten systeem van 'mini-instructies' is het optreden van de rechter-commissaris aan banden gelegd waar hij nu nog de mogelijkheid heeft naar eigen inzicht op te treden. De zogeheten klankbordgroep van het OM is warm voorstander van de mogelijkheid van de mini-instucties. De klankbordgroep bereidt het advies voor van de procureurs- generaal aan de minister van justitie over het rapport van de commissie-Moons. Deze commissie werd twee jaar geleden ingesteld door de toenmalige minister van justitie mr. F. Korthals Altes om het gerechtelijk vooronderzoek te moderniseren. Enige maanden geleden kwam de commissie-Moons met een serie voorstellen die onder meer de rechter-commissaris ruimere bevoegdheden geeft bij het afluisteren van telefoon, ook zou het OM onder voorwaarden zonder tussenkomst van de rechter-commissaris over kunnen gaan tot het doorzoeken van woningen.

De discussie over het leiderschap van het vooronderzoek plaatste De Wit tijdens een onlangs in Zutphen gehouden conferentie over voorstellen van de commissie-Moons in het kader van een 'identiteitscrisis' van het openbaar ministerie. Hij juicht het rapport van de commissie-Moons toe op punten waar het opsporing en vervolging 'ontdoet van onnodige al te zeer knellende banden' van het gerechtelijk vooronderzoek in zijn huidige vorm. Tegelijk pleit hij voor verdergaande bevoegdheden van het het OM. Onder verwijzing naar de magistratelijke kant van de functie van officier van justitie (bijvoorbeeld in sepotbeleid, transactiebeleid en wegzendbeleid) benadrukt hij de voordelen van een officier van justitie die het overzicht heeft gedurende het vooronderzoek.

De compensatie voor de rechtsbescherming van de burger moet volgens De Wit worden gezocht in de verdere versterking van het onderzoek ter zitting. Dat is volgens hem een ontwikkeling die onder invloed van 'Angelsaksische rechtsmodellen' en Europese jurisprudentie toch al in gang is gezet. In het voetspoor van anderen stelt De Wit ook dat nergens met zoveel woorden in de wet is vastgelegd dat de rechter-commissaris de leiding heeft over het vooronderzoek. Meer terzijde merkt hij op dat rechter-commissarissen in de praktijk veelal onervaren rechters zijn 'in onzekerheid niet altijd even duidelijk'.