Honderd fotografen schuiven het IJzeren Gordijn open

Tentoonstelling: Foto's uit Oost-Europa, 100 fotografen. In: Beurs van Berlage, Amsterdam; t/m 9 dec; ma t/m zo 11-17 uur.

Een paar geleden zou de monstertentoonstelling van 1500 Oosteuropese foto's in de Beurs van Berlage niet mogelijk zijn geweest. Maar nu, ruim een jaar na het openen van de Berlijnse muur, kunnen Oosteuropese fotografen ongehinderd laten zien hoe het leven achter de muur werkelijk was.

Ook de dramatische politieke veranderingen in Oost-Europa - van met de demonstaties in Polen begin jaren tachtig tot en met de bloedige opstand tegen Ceausescu in Roemenie - zijn in de Beurs uitgebreid gedocumenteerd. En de afbraak van de Muur zelf, van de kleine openingen op 9 november 1989 tot de gapende gaten van een paar maanden later, is er natuurlijk eveneens te zien.

De mederwerkers Musee de l'Elysee uit Lausanne, die de tentoonstelling hebben samengesteld, willen aan de hand van het werk van honderd fotografen uit de Sovjet-Unie, Roemenie, Bulgarije, Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije en de voormalige DDR laten zien, dat Oost-Europa geen 'eenheidscultuur' is, maar een 'grote rijkdom aan verscheidenheid' kent. In de Beurs ontbreekt dan ook het socialistisch realisme dat voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor het eenvormige beeld dat wij hebben van Oost-Europa.

Er hangen geen foto's die laten zien dat 'het leven steeds beter, steeds vrolijker wordt', zoals Stalin eens zei. Bovendien hebben vooral in Hongarije en Tsjechoslowakije veel fotografen de realiteit, socialistisch of niet, helemaal de rug toegekeerd om hun eigen werkelijkheid te scheppen. Zo heeft de Tsjechische fotograaf Rude Prekop de rug van een naakte man voorzien van lange takken. Stekelvarken heet hij.

In de documentaires, waaruit de tentoonstelling voor het grootste gedeelte bestaat, tonen de Oosteuropese fotografen een voorkeur voor het moeilijke leven van de niet-bevoorrechten. Hedendaagse gevangenissen en oude strafkampen zijn een geliefd onderwerp van de fotografen, die vaak clandestien hun werk moesten doen. Ze maakten hierbij inderdaad gebruik van een grote verscheidenheid aan benaderingen. Bohdan Holomicek maakte op zijn zwerftochten door Tsjechoslowakije een soort snapshots, vaak snel genomen vanuit zijn auto en zonder enige opsmuk. De Duitser Jens Rotzsch ging daarentegen uiterst zorgvuldig te werk wanner hij de bijeenkomsten van de Freie Deutsche Jugend en militairen in beeld bracht. Het gebruik van flitslicht overdag en de felle kleuren van de kleding van de figuren geven zijn foto's een onwezenlijke sfeer.

Maar ondanks de grote verschillen in benadering maakt de tentoonstelling een eenvormige indruk. De realiteit van het communisme blijkt net zo monotoon als het socialistisch realisme. Natuurlijk is het uiterlijk van de nomaden in Tatarstan anders dan dat van de zigeuners in Bulgarije, maar overal heerst het verval. De gebouwen in Oost-Berlijn zijn net zulke bouwvallen als die in Riga, al heeft Egon Spuris in het laatste geval de grauwheid tot iets moois weten te maken. De hoofden van de mijnwerkers in de DDR zijn net zo vuil en verweerd als die van de olieboorders in Siberie. De fabrieken zijn overal in Oost-Europa even goor en vervallen - je begrijpt niet dat er nog iets wordt geproduceerd in die chaotische ruimtes.

De grafstenen op het Joodse kerkhof in Karczev, niet ver van Warschau, zijn even troosteloos als de schepen op de bodem van wat eens het Aralmeer was. En zelfs de interieurs met hun aftandse meubelen en versleten gordijnen lijken in Oost-Europa op elkaar. De foto's zijn steeds anders, maar leiden tot dezelfde conclusie: ontsnappen aan het verval was onmogelijk.