Herfstcynisme en onvrede bij Senaat aan begin jaren '90

DEN HAAG, 28 nov. - Het is najaarsuitverkoop in Den Haag. De bladeren vallen en de politiek maakt aan het begin van de jaren negentig de rekening op. Premier Lubbers beschreef zaterdag de boedel van de jaren tachtig. Gisteren ondernamen diverse senatoren een poging tijdens de algemene beschouwingen in de Eerste Kamer. Het thema: verstarring en vervreemding - de absurditeiten en anachronismen in het Nederland van na de Koude Oorlog kwamen in optocht voorbij.

Het was een mooi gezicht, voor wie van een cultuur-pessimistische voorlezing houdt. Vooral senator Vis (D66) presenteerde een bijzondere vorm van herfstcynisme. Terwijl de internationale ontwikkelingen over elkaar heen buitelen (Muur, Golf, Europa) is Nederland bevroren in de eigen problemen: financieringstekort, milieuschuld, normvervaging, bestuurlijke malaise. Met het einde van de Koude Oorlog wordt pas goed duidelijk wat het kapitalisme ons heeft gebracht. 'Misschien is onze manier van produceren en consumeren in laatste instantie voortgekomen uit het gegeven dat we ook niet verder hoefden te kijken dan het IJzeren Gordijn'. We zijn in een 'meedogenloos destructief kapitalisme' verzeild geraakt, dat belust is op snelle winst en blind voor persoonlijke verantwoordelijkheid. Ergo: staatsschuld en milieuvervuiling, met de rekening voor een generatie 'die nu nog geen stemrecht heeft maar het straks allemaal mag betalen'.

Het is overigens niet zo dat dit meedogenloos kapitalistische systeem zonder verdiensten is gebleven. Vis somde ze op. Je hebt in Nederland eerder een fax dan een recept van de oogarts (vijf maanden wachttijd). High definition tv is hier eerder beschikbaar dan gescheiden huisvuil. De Nederlander zit ook sneller in een databank dan in een ziekenhuis. 'De Koude Oorlog heeft ook bij ons geleid tot een aantal karikaturen van de eigenlijk bedoelde idealen'. In elk geval heeft het zelf-corrigerend vermogen van de Nederlandse samenleving zich in de 'kazernecultuur van de Koude Oorlog' niet goed ontwikkeld. Het wordt nu tijd om ons af te vragen welke discussies we allemaal niet met het Oostblok hebben gevoerd 'omdat we vonden dat ze ondergeschikt waren aan het mondiale meningsverschil'.

Hij rekende ook af met de jaren zestig. Die hebben niet de verbeelding aan de macht gebracht maar de manager. De burger liet zich wijsmaken dat Nederland een B. V. was waarin alleen marktconform kon worden gewerkt. De overheid zou ons intussen van onze problemen verlossen. Dat is volgens Vis een illusie gebleken. De D66-senator noemt onzekerheid 'de dominante kwaliteit' van dit decennium. Hij ziet daarvan een bevestiging in het toenemend aantal jongeren dat in de WAO terecht komt. 'Het is niet voor niks dat juist zoveel jonge mensen psychisch afknappen. De existentie-vraag leeft daar dieper dan ooit bij onze generatie'. Als centrale problemen noemde hij werkloosheid en milieuvervuiling. Vis waarschuwde tegen onrust zaaiende grote overheidsprojecten, zoals de voorgenomen schaalvergroting in het onderwijs. 'Je kunt onmogelijk volhouden dat dat een wens is die uit het volk is voortgekomen'. Typisch een voorbeeld van de managerial style van overheidsbestuur die alleen recht doet aan de eigen werkelijkheid van Den Haag. 'Als de pedagogie op het departement zwaarder zou wegen dan de economie dan zou het niet zover zijn gekomen'.

Ook CDA-fractievoorzitter Kaland was gegrepen door een oudejaarsgevoel. Hij bezag de ineenstorting van Oost-Europa door de bril van de Engelse cultuurfilosoof George Steiner. Die had geschreven: 'Alle politiek in een geseculariseerde samenleving is uiteindelijk vraatzuchtig. Slechts het religieuze voorbehoud kan weerstand bieden. Het is dan ook geen toeval dat de christelijke traditie - in haar zuivere vorm - een pessimistisch mensbeeld paart aan de kritiek op de hoogmoed van de politiek die haar grenzen niet kent'. Oost-Europa was aan die vraatzucht tenonder gegaan. Maar ook de christen-democraten in Nederland hebben te weinig hun grenzen gekend, bekende Kaland. Dat heeft mede geleid tot vervreemding en desillusie bij de burger. Zo zijn er onderwerpen waarvan in de afgelopen decennia is vast komen te staan dat de politiek ze niet aankan noch aandurft. Kaland noemde het almaar groeiende beroep op de sociale zekerheid en de visquota. 'Wij zullen meer macht aan de samenleving moeten durven overlaten', vond hij. De vuistdikke nota's die het kabinet over ontwikkelingssamenwerking en ouderenbeleid schreef vond hij dan ook 'niet getuigen van zelfbeperking'. Het gaf hem de indruk dat Den Haag meer zorgen heeft dan de burger zelf.

Ook bij de PvdA was een gevoel van onvrede met de voortkabbelende Haagse routine te bespeuren. Fractieleider Schinck haakte aan bij de filosoof Hans Magnus Enzenberger die het begrip 'politici van de terugtocht' heeft geintroduceerd. Volgens Schinck ontbreekt het daaraan in Den Haag - politici die wel de bakens durven verzetten en wel over de horizon van een kabinetsperiode durven heenkijken. Zo'n staatssecretaris van natuurbeheer zou het manifest van de werkgroep-De Zeeuw, met ideeen voor een radicale hervorming van de landbouw, niet meteen in de prullenbak hebben gemikt zoals Gabor deed. Zo'n minister van financien zou de accijnsverhoging voor benzine niet onmiddellijk hebben laten vallen omdat dat niet zo goed uitkwam met de prijs van het openbaar vervoer. Zo'n minister van economische zaken zou de proefboringen in het IJsselmeer niet laten doorgaan en de kolencentrale op de Maasvlakte afzeggen. Maar ja, wat wil je in een wereld die volgens Schinck 'een kindertop houdt en verklaart het beste te willen voor de jeugd in de hele wereld. Maar wie ziet hoe in Amerika honderdduizenden kinderen verpauperen en dat stelt tegenover de tientallen miljoenen per dag voor een militaire operatie in de Golf, ziet het absurde van de heersende kijk op het bestaan'.