Gebiologeerd door meisjes van zestien

Tentoonstelling: Theo Dobbelmann (1906-1984), t/m 2/12 in Commanderie van Sint Jan, Franse Plaats 3, Nijmegen. Geopend: di t/m za 10-17 uur, zo 13-17 uur. Monografie door B. Asselbergs en G. Willems, fl. 12,50.

Pentekeningen, lino's, plastieken van gips, brons en terracotta, ingekraste keramiektegels, foto's, alles toont een en hetzelfde onderwerp: heel jonge, langbenige, smalheupige meisjes, alleen of met een eveneens zeer prille vriendin. Het haar is opgebonden in een paardestaart of a la Audrey Hepburn in zorgvuldige pieken geknipt, zeer 'jaren vijftig', ook in de illustraties bij de eind negentiende-eeuwse gedichtencyclus Les amies van Paul Verlaine.

Die 'meisjes van zestien' biologeerden Theo Dobbelmann, een Nijmeegse fabrikantenzoon aan wie het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan een expositie wijdt.

De expositie toont pijnlijk duidelijk dat Dobbelmanns artistieke kwaliteiten niet boven een sympathieke middelmaat uitgingen. Noch de keramische tuinvaas met een Frans citaat uit het Hooglied, noch de bronzen vrouwspersonen rechtvaardigen de tamelijk breed opgezette tentoonstelling. Dat doet het grafische werk evenmin. De aardige, maar onkritische monografie die zojuist is verschenen, stelt dat Dobbelmann voor alles de 'modelleur van gevoelige beeldjes' was. Ik verdenk de beide auteurs niet van boos opzet, maar een ongenadiger typering van de zoetelijke, ongearticuleerde plastiekjes lijkt niet mogelijk.

Toch is Theo Dobbelmann van belang geweest voor de Nederlandse keramiek. Hij studeerde in het Zwitserse Fribourg scheikunde en promoveerde daar in 1936 op een dissertatie over de structuurformule van de kleurstof indigo. Daarna werkte hij in Nederland als chemicus. Pas na de oorlog maakte hij de overstap naar de beeldende kunst. Hij richtte een pottenbakkerij op en ging lesgeven aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. Beginnende keramisten bracht hij vanuit zijn chemische achtergrond technologische kennis bij.

In 1955 kreeg Dobbelmann een belangrijk aanbod. De Delftse aardewerkfabriek De Porceleyne Fles wilde, in navolging van wat bijvoorbeeld in de Finse Arabia-fabrieken gebeurde, een afdeling beginnen waar keramische unica werden gemaakt. Daar kregen jonge keramisten de gelegenheid onder zijn organisatorische en technische supervisie alle mogelijke experimenten uit te voeren, los van commerciele voorwaarden. In 1977 werd de afdeling gesloten, maar toen was de 'Experimentele Afdeling' al een befaamd begrip in de keramistenwereld. Dat is grotendeels aan Dobbelmann te danken.

Dobbelmann introduceerde en ontwikkelde in Delft het destijds in Nederland vrijwel onbekende engobe-procede. Hierbij wordt een dunne laag kleislib van een afwijkende kleur op een object aangebracht. Met een scherp voorwerp krast of tekent de keramist een voorstelling in de slib waardoor de kleur van de onderliggende klei te voorschijn komt.

Zeker bij de eerste lichting keramisten, onder wie Lies Cosijn en Kees van Renssen, leidde deze engobe-techniek tot prachtige resultaten. De gelukkige combinaties van boeiende schaal- en doosvormen en het zeer persoonlijke kunstenaarshandschrift hebben er veel toe bijgedragen dat keramiek uit de sfeer van artistiekerige bloemvazenwinkels werd verlost en (in de woorden van Dobbelmann zelf) een medium werd waarin vrije kunstenaars hun zeggingskracht en intenties vorm konden geven.

In Nijmegen staan een paar vitrines met - niet eens bijzonder sterke - voorbeelden van de Delftse engobe-keramiek. Dobbelmanns 'eigen' huldeblijken aan jonge vrouwen steken er schamel bij af.