Bevolkingsgroei weerlegt statistieken; CBS gist nog naar oorzaken van toename geboorten

ROTTERDAM, 28 nov. - We hebben het dus toch gefikst. Eind jaren zeventig dacht het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nog dat de Nederlandse bevolking de grens van 15 miljoen nimmer zou overschrijden. Nog voor of uiterlijk vlak na de eeuwwisseling zou de bevolking in aantal gaan afnemen.

Inmiddels is duidelijk dat Nederland reeds dit jaar 15 miljoen inwoners telt en het is zo goed als zeker dat dit aantal de komende tien a vijftien jaar met nog eens een miljoen zal stijgen. Volgens de laatste, begin deze week gepubliceerde CBS-berekeningen zal de bevolking pas na het jaar 2020 gaan dalen, vanaf een maximum dat nu op 16,5 miljoen wordt geraamd.

Het heeft er alle schijn van dat het 'bevolkingsvraagstuk' nu veel minder leeft dan in de jaren zeventig. In 1972 toog zelfs een Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk aan het werk die begin 1977 haar rapport uitbracht, Bevolking en welzijn in Nederland. De regering kreeg de aanbeveling te streven naar 'een zo spoedig mogelijke beeindiging van de natuurlijke bevolkingsgroei', mits op lange termijn een stabiele bevolking kon worden gerealiseerd. Het effect van immigratie moest volgens de commissie tot het uiterste worden beperkt.

Het was de tijd van de 'grenzen aan de groei'. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) publiceerde in november 1977 haar rapport De komende vijfentwintig jaar, waarin voor het eerst de schadelijke gevolgen van de produktiegroei voor het milieu samenhangend werden beschreven. Maar het tij keerde. Er kwam een tweede oliecrisis, de werkloosheid steeg explosief en wie nog over groeigrenzen repte werd als buitenissig versleten. Het toekomstrapport dat de WRR in 1987 publiceerde heette Ruimte voor groei. Over de noodzaak te streven naar 'een zo spoedig mogelijke beeindiging van de natuurlijke bevolkingsgroei' praat bijna niemand meer.

Prognoses maken is lastig, en dat geldt niet alleen voor demografen. Voorspellingen voor de komende vijfentwintig jaar zeggen vaak meer over het tijdstip waarop wordt geprognosticeerd dan over de toekomst.

In 1964 voorspelde het CBS dat Nederland in het jaar 2000 liefst 21 miljoen inwoners zou tellen. Helaas voor de statistici in Voorburg (en gelukkkig voor Nederland) bereikte de naoorlogse geboortengolf juist in dat jaar een toppunt van 250.000 borelingen. Daarna trad een drastische daling in. Het CBS had zo'n scherpe afname niet voorzien en sloeg de plank faliekant mis.

In de jaren tachtig deed zich, maar dan in veel beperkter mate, het omgekeerde voor. De CBS-prgnoses gingen weer omhoog. Het geboortecijfer, dat in 1973 onder de 200.000 was gezakt, vervolgens in de tweede helft van de jaren zeventig stabiel bleef (op circa 175.000), en daarna in het begin van de jaren tachtig opnieuw daalde (170.000 in 1982/1983), begon vanaf 1984 plotseling weer te stijgen. Sinds 1983 is het aantal geboorten geleidelijk toegenomen tot naar schatting 195.000 in 1990.

Naar de exacte oorzaken blijft het gissen. Joop de Beer, chef van de afdeling Bevolkingsprognoses van het CBS, noemt er twee. Ten eerste het feit dat de meisjes die in de naoorlogse geboortengolf werden geboren nu de leeftijd hebben om kinderen te krijgen. Ten tweede de mogelijkheid dat in de jaren zeventig veel van deze vrouwen het krijgen van kinderen hebben uitgesteld zodat die in de jaren tachtig werden geboren. Zo beschouwd zou de recente geboortengolf een tijdelijk fenomeen zijn.

Tenzij de Nederlandse vrouw gewoon meer kinderen wil, bijvoorbeeld niet twee maar drie. Daarvoor zijn wel enige indicaties, want niet alleen het aantal eerstelingen, maar ook het aantal tweede, derde en vierde kinderen lijkt toe te nemen.

De invloed van niet-Nederlandse geboorten op het totale geboortencijfer blijft vooralsnog gering, omdat het aantal niet-Nederlandse vrouwen nog altijd relatief beperkt is. Wat niet wegneemt dat het gemiddeld kindertal per vrouw bij Turkse vrouwen en vooral Marokkaanse veel hoger ligt dan bij Nederlandse vrouwen. Maar tevens blijkt uit de statistieken dat deze cijfers de afgeloppen vijftien jaar drastisch zijn gedaald. Sinds 1977 daalde het aantal kinderen per Turkse vrouw van 5,1 naar 3,2. Het aantal kinderen per Marokkaanse vrouw daalde nog sterker: van 8,1 naar 5,0.

Wat het meest opvalt bij de jongste bevolkingsprognoses zijn de immigratiecijfers. Vorig jaar verwachtte het CBS nog dat het saldo van emigratie en immigratie in de jaren negentig zou zorgen voor een overschot van ruim 200.000. Nu wordt gerekend met een surplus van 300.000. De Beer en de zijnen gaan er daarbij vanuit dat het jaarlijks emigratiesaldo over een paar jaar weer zal dalen tot 25.000. Of die daling zal optreden is de vraag. Met uitzondering van het begin van de jaren tachtig, toen de immigratie onder invloed van de economische teruggang ineenschrompelde, heeft het CBS het aantal immigranten bijna voortdurend onderschat. Voor 1990 en 1992 wordt gerekend met een overschot van bijna 50.000 immigranten.

In de perceptie van veel Nederlanders is Nederland 'vol'. In de Gouden Eeuw woonde hier amper een miljoen mensen, en pas omstreeks 1800 werd de grens van twee miljoen gepasseerd. Maar nog veel forser dan het aantal inwoners steeg het ruimtegebruik per inwoner. Anderhalve eeuw geleden, toen Nederland voor het eerst gedetailleerd in kaart werd gebracht (op een schaal van 1: 50.000), waren niet alleen de dorpen maar ook de steden kleine vlekken op een grote groene kaart. In een weids landschap zorgden bochtige weggetjes langs rivieren en vaarten voor de verbindingen. Nu zijn tal van dorpen door steden opgeslokt, zijn steden aan elkaar gegroeid en wordt het nog resterende landschap door een nog steeds dichter wordend netwerk van lokale, provinciale en rijkswegen doorkruist. Toch groeit de bevolking weer.