Bedrijfsleven wil niet opdraaien voor kosten Europese landbouwbeleid; Voedingsindustrie blijft bij exportrestitutie

DEN HAAG, 28 nov. - Een Nederlandse koekjesfabrikant die zijn biscuitjes naar de Verenigde Staten exporteert, een zuivelcooperatie met afzet van melkpoeder in Nigeria en een bierbrouwer die de markt in het Verre Oosten bewerkt: ze krijgen allemaal geld terug van de Europese Gemeenschap.

In hun exportprodukten zijn namelijk agrarische grondstoffen verwerkt en aangezien de prijs die de EG aan de boeren garandeert hoger is dan de wereldmarktprijs, kopen de voedselverwerkende industrieen hun grondstoffen op de Europese markt in tegen een kunstmatig hoge prijs. Het verschil tussen de prijzen binnen de EG en op de wereldmarkt wordt door de Gemeenschap bijgepast in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Ook de exporteurs in de voedsel- en agrarische industrieen profiteren daarvan. Anders zouden ze immers in een ongelijke concurrentiepositie komen te verkeren met industrieen buiten de EG, die hun grondstoffen tegen de lage wereldmarktprijzen kunnen inkopen.

Deze zogenoemde exportrestituties staan ter discussie in de Uruguay-ronde, de onderhandelingen over handelsliberalisatie in het kader van de GATT, het algemene akkoord inzake tarieven en handel. De Uruguay-ronde moet volgende week in Brussel worden afgesloten.

De voedselverwerkende industrie verkeert daarbij in een tweeslachtige positie. Als grote industriele bedrijfstak is ze voorstander van handelsliberalisatie en vindt ze het aanbod van de Europese Gemeenschap om de steun aan de landbouw te verminderen, op onderdelen schromelijk tekort schieten. Maar als verwerker van landbouwprodukten houdt ze vast aan een van de meest omstreden aspecten van het Europese landbouwbeleid, de exportrestituties.

'De industrie heeft niet gevraagd om hoge grondstoffenprijzen en toeslagen aan de boeren', zegt mr. J. A. Banz, voorzitter van de Verenigde Nederlandse voedsel- en agrarische industrie (VAI) en afkomstig van Heineken NV waar hij is belast met Europese zaken.

In de VAI zijn branche-organisaties georganiseerd van uiteenlopende sectoren zoals bakkerijen, maalderijen, brouwerijen, dranken, margarine en suikerverwerkende industrieen, de vleeswaren- en zuivelindustrie. De voedingsmiddelenindustrie, een van de belangrijkste Nederlandse industrietakken, was vorig jaar goed voor 16 procent (133.000 werknemers) van de industriele werkgelegenheid, 26,6 procent (73,4 miljard gulden) van de industriele omzet en 21,4 procent (38 miljard gulden) van de industriele export van Nederland.

'De VAI bemoeit zich niet met het Europese landbouwbeleid', zegt voorzitter Banz. 'Maar wij hebben wel meningen over de gevolgen die de landbouwpolitiek heeft voor de industrie.'

Die mening is ondubbelzinnig: zolang het Europese landbouwbeleid is gebaseerd op kunstmatig hoge interne prijzen, wil de industrie het te veel betaalde bedrag voor agrarische grondstoffen afkomstig uit de EG terugkrijgen. 'Exportrestituties vormen een wezenlijk onderdeel van het Europese landbouwbeleid', zegt Banz. 'In feite doet de industrie aan voorfinanciering van het landbouwbeleid. Die voorschotten moeten worden terugbetaald.'

De EG hanteert garantieprijzen voor een groot aantal produkten, zoals granen, zuivelprodukten en suiker. Afhankelijk van de verschillende landbouwprodukten die worden verwerkt, heeft een bedrijf bij export naar een land buiten de EG recht op restituties. Bij koekjes gaat dat bijvoorbeeld om boter, suiker, graan en melk. Iedere keer als een bedrijf de samenstelling van zijn produkt verandert, of als de wereldmarktprijzen stijgen of dalen, moeten de exportrestituties worden aangepast.

De verrekening van de exportrestituties vergt een enorme administratie, die in Nederland wordt afgewikkeld door de agrarische produktschappen. Deze treden op als de betalingskantoren voor het Brusselse landbouwbeleid. Vorig jaar verstrekten de drie grootste produktschappen ruim vijf miljard gulden aan exportrestituties: het Produktschap voor zuivel 3,3 miljard, het Produktschap voor akkerbouw ruim 1,5 miljard en het Produktschap voor vee en vlees 250 miljoen gulden. Dat geld gaat voor een aanzienlijk deel naar de voedingsmiddelenindustrie.

De Verenigde Staten zijn felle tegenstanders van exportrestituties die door de Amerikanen als subsidies worden gebrandmerkt. Banz bestrijdt dat: 'Het is geen subsidie, maar een gelijktrekker tussen de interne en de wereldprijs.' Zonder exportrestituties zou de Europese voedselverwerkende industrie een concurrentienadeel hebben op de wereldmarkt.

De Europese Gemeenschap heeft na moeizame onderhandelingen in de Uruguay-ronde aangeboden om de landbouwsteun met 30 procent te verminderen, waarbij het steunniveau van 1986 als uitgangspunt wordt genomen. Voor de Verenigde Staten en de Cairns-groep van veertien landbouw-exporterende landen is dat veel te weinig. De VS hebben voorgesteld om de komende zes jaar de interne steun met 75 procent, de exportrestituties op landbouwgrondstoffen met 90 procent en op voedingsmiddelen zelfs met 100 procent te verminderen.

Dat is voor de VAI onaanvaardbaar. Als de vermindering van de interne steun achterblijft bij de vermindering van de exportrestituties, zou de Europese industrie geen compensatie krijgen voor het verschil tussen de interne en de wereldmarktprijzen. 'Dan zou het bedrijfsleven opdraaien voor de kosten van het Europese landbouwbeleid en de boeren subsidieren', waarschuwt Banz. Daarom vindt de VAI dat er een lineair verband moet blijven bestaan tussen de afbraak van de interne steun en van de exportrestituties. Dat is ook het standpunt van de EG.

In het EG-bod om de steun aan de agrarische sector te verminderen, is onder zware Franse druk de voorwaarde opgenomen dat de Europese import van graanvervangende produkten zal worden belast met heffingen van 12 en 6 procent en dat de invoer van deze produkten moet worden beperkt. Het gaat vooral om maisgluten en sojaschroot, produkten waarvoor de EG tot nu toe geen invoerheffingen kent. Ook de invoer van palmolie en oliezaden zal worden beperkt. Deze zogenoemde 'rebalancing' is een regelrechte, nieuwe protectionistische maatregel die landbouwprodukten uit de Derde wereld en uit de VS van de Europese markt weert.

'Het is in strijd met de geest van de GATT en de Uruguay-ronde', erkent Banz. Maar hij is voorzichtig in zijn afwijzing: in de VAI is niet alleen de margarine-industrie georganiseerd die gebaat is bij de import van goedkope tropische palmolie, maar ook de zuivelindustrie die beducht is voor deconcurrentiepositie van dure roomboter.

Dit standpunt geeft aan hoe de voedselverwerkende industrie op twee gedachten hinkt. Aan de invoerkant is men gebaat bij goedkope importen, bij de export wil men handhaving van de exportrestituties op eindprodukten. Zolang het Europese landbouwbeleid bestaat, moet het integraal gehandhaafd blijven en mogen er geen onderdelen uitgelicht worden, meent VAI-voorzitter Banz. Hij weet wel een alternatief, maar dat is van een heel andere orde: radicale afschaffing van het prijsbeleid van de EG en vervanging door een inkomensbeleid voor de boeren.