Veel vragen over rol van CIA bij Gladio Turkije

ISTANBUL, 27 nov. - Weinigen twijfelen eraan dat het bliksembezoek dat CIA-directeur William Webster onlangs aan Ankara bracht in verband stond met het oplaaien van de Gladio-affaire (de geheime sabotage-sectie van de NAVO), die nu ook in Turkije de gemoederen bezighoudt. Juist in dit land, waar terroristische activiteiten zo'n grote rol hebben gespeeld en nog steeds aan de orde van de dag zijn, komt onherroepelijk de vraag boven of en in hoeverre de CIA daarbij betrokken is geweest.

Omdat terrorisme bijdroeg tot de staatsgrepen van 1971 en 1980, komt, niet voor de eerste maal, aan de orde of dit 'produkten' van de CIA zijn geweest. Zelfs de staatsgreep van 1960 komt opnieuw onder de loupe, want er zijn nu aanwijzingen dat het Gladio-project hier al in 1953 in werking trad, een jaar na Turkijes toetreding tot de NAVO, en twee jaar voordat in Griekenland het desbetreffende akkoord werd getekend tussen de CIA en het Atheense ministerie van defensie. Sinds de jaren vijftig functioneerde er in Turkije, volgens onthullingen van diverse ingewijden en betrokkenen, een 'Departement voor Bijzondere Oorlogvoering' (DBO), gefinancierd door de CIA, in Ankara ondergebracht in het gebouw waar ook de Amerikaanse militaire missie in was gevestigd. Van Turkse zijde waren alleen de MIT (Turkse geheime dienst) en een select groepje officieren erbij betrokken. Doel was, als in andere landen, het bestrijden van communistische krachten na een eventuele Russische overrompeling. Daartoe waren ook geheime wapenarsenalen aangelegd. Contra-guerrilla

Maar deze organisatie lijkt allengs, in de jaren zeventig toen het in de steden onrustig werd, te zijn overgegaan in wat 'contra-guerrilla' kwam te heten. De doelstelling werd verbreed tot het bestrijden van alle binnenlandse, linkse organisaties die de kop hadden opsteken, onder andere door middel van infiltratie.

Officieren die in de organisatie waren ingewijd speelden na de coup van maart 1971 een actieve rol bij het verhoren en folteren van meer of minder bekende linkse figuren, waarvoor Vila Ziverbey in een Aziatische voorstad van Istanbul het centrum werd. Samenwerking met burgerlijke elementen uit de fascistische 'Partij van Nationalistische Actie' onder ex-kolonel Turkes werd daarbij steeds nauwer.

Daarnaast werd de tactiek van het in diskrediet brengen van linkse organisaties toegepast. In september 1971 verscheen in het, min of meer vertrouwelijke, Tijdschrift voor de Strijdkrachten een artikel van Cihat Akyol, die in deze periode de 'derde voorzitter' van het DBO zou zijn geweest. 'Om de propaganda succesvol te doen zijn, worden in veel gevallen komplotten in praktijk gebracht. Daaronder ressorteren verkrachtingen, plunderingen en moorden. De indruk moet worden gewekt dat deze door linkse rebellen zijn begaan Om het volk van de verzetsbeweging af te brengen, moeten de strijdkrachten in naam van een verzetsbeweging daden bedrijven die de grenzen van bruutheid overschrijden.'

Allerlei gewelddaden van de jaren zeventig, die toen reeds in de geur van mysterie stonden, komen nu opnieuw in de aandacht te staan. Raadselachtig was bij voorbeeld de brand in Istanbuls pas gebouwde Operagebouw, kort voor de militaire interventie van 1971, waarvoor een linkse groep aanvankelijk aansprakelijk werd gesteld, die later moest worden vrijgesproken. Ook in de voorgeschiedenis van de staatsgreep van 1980 waren er bloedige gebeurtenissen die toen reeds onverklaarbaar waren. Als ernstigste de slachting op Istanbuls centrale plein Taksim na de 1 mei-viering van 1977, waarbij een salvo van onbekende herkomst leidde tot een paniek waarin 36 mensen de verstikkingsdood vonden. Officieel wordt links nog altijd verantwoordelijk geacht voor deze gang van zaken.

Koerden

Nog een stap verder, en sommige gewelddaden van de laatste tijd, zoals bloedige aanslagen in Koerdische dorpen, waarvoor de PKK (de Arbeiderspartij Koerdistan die een guerrilla voert) de verantwoordelijkheid met klem afwijst, komen in een ander daglicht te staan. Mogen we het linkse weekblad Yuzyil (Eeuw), waarvan het vorige nummer in beslag werd genomen, geloven, dan was de tegenwoordige secretaris-generaal van president Turgut Ozal, Kemal Yamak, tussen 1971 en 1974 de chef van het DBO. Na de staatsgreep van 1980 werd hij belast met de supervisie op de beruchte Koerden-gevangenis in Diyarbarkir.

Reeds zijn allerlei vragen gesteld over de affaire in het parlement. President Ozal en premier Akbulut, maar ook de rechtse oud-premier Demirel en de tegenwoordige opperbevelhebber Torumtay hebben zich nog nauwelijks over de affaire uitgelaten. Opvallend stil houden zich ook oud-president Evren, leider van de coup van 1980 en Turkes, inmiddels alweer leider van een nieuwe ultra-rechtse partij. Deze laatste ontkende elke samenwerking met een 'contra-guerrilla', maar gevraagd naar connecties met het DBO antwoordde hij: 'Geen commentaar'.

Spraakzamer betoonde zich de sociaal-democratische oud-premier Ecevit. Deze verklaarde voor het eerst met het DBO geconfronteerd te zijn kort na zijn machtsaanvaarding in 1974. Hij had elke financiering geweigerd, maar de kwestie werd spoedig overschaduwd door de invasie op Cyprus, waaraan later DBO-functionarissen nieuw prestige bleken te hebben ontleend.

Toen hij in 1978 opnieuw aantrad als premier, merkte hij hoe nauw het DBO met het fascistische netwerk van Turkes was gelieerd. Zijn pogingen de organisatie uit de illegaliteit te halen, stuitten op onwil van de toenmalige opperbevelhebber Evren en andere hoge officieren, die volhielden dat zij uit 'goedwillende patriotten' bestond.