Thatcher en haar bondgenoten

In vele commentaren op het aftreden van Margaret Thatcher wordt de indruk gegeven alsof zij over Europa zou zijn gevallen: ze zou niet Europees genoeg geweest zijn en daarom zou haar partij haar hebben laten vallen. Maar die interpretatie is onjuist. Zij is gevallen omdat een groot deel van de Conservatieve Lagerhuisleden vreesden dat zij hun zetel zouden verliezen als Thatcher bij de volgende verkiezingen weer lijsttrekker zou zijn.

Maar vond dat gevaar van zetelverlies zijn oorzaak dan niet in het feit dat veel kiezers die traditioneel conservatief stemmen (of bij de drie laatste verkiezingen conservatief hadden gestemd), ontevreden waren geworden over Thatchers anti-Europese beleid? Ook die interpretatie lijkt me onjuist. Ze gaat ervan uit dat 'Europa' een overwegende rol speelt bij de kiezers, en dat is niet zo - in Engeland evenmin als in de andere Europese landen.

Overal zijn het motieven van binnenlandse politiek die - en vooral wanneer die zijn portemonnee raken - bepalend zijn voor het stemgedrag van de kiezer. In Engeland zijn dat op het ogenblik de poll tax en de inflatie, en niet 'Europa'. Wat 'Europa' betreft, staat de meerderheid van de Britten instinctief eerder aan Thatchers kant dan aan die van de 'Europeanen'.

Maar of die interpretatie die veelal aan Thatchers val wordt gegeven, nu goed of fout is - in elk geval heeft haar val de 'Europeanen' (in Engeland en elders) veel vreugde bereid. Of die vreugde gegrond is, moet afgewacht worden. Het zou wel eens kunnen zijn dat het Europese beleid van zelfs Michael Heseltine - die als de meest 'Europese' van de drie kandidaten voor het premierschap wordt beschouwd - in wezen niet veel zal verschillen van dat van Thatcher.

Wat waarschijnlijk wel zal verschillen, is de toonaard waarin de Britten hun Europese beleid - ook als dat niet of nauwelijks van dat van Thatcher zou zijn te onderscheiden - zullen verdedigen. Te verwachten is dat dit op een omfloerster wijze zal gebeuren dan zij placht te doen: met meer plichtplegingen jegens het ideaal der Europese eenheid en minder gehamer op de nationale soevereiniteit.

Of dit winst zou zijn? Voor de politiek, die evenveel hecht aan symbolen als aan de werkelijkheid, misschien wel. Maar ook voor het intellectuele debat over Europa? Dat is eerder gediend met duidelijke, soms zelfs met aangezette tegenstellingen dan met een oecumenische sfeer van algemeen welbehagen, waarin alle tegenstellingen verdoezeld worden.

Wat dat betreft was de beruchte rede die mevrouw Thatcher op 20 september 1988 in het Europacollege te Brugge - het heilige der heiligen - uitsprak verfrissend. Hoe men ook over de politieke inhoud ervan moge oordelen, ze zette tenminste de puntjes op de i. Het is misschien juist dat wat de meeste politici heeft geschokt. Die hebben geen behoefte aan een intellectueel debat en nog minder aan puntjes op de i.

Ze hadden daar in dit geval nog minder behoefte aan omdat wat Thatcher openlijk in Brugge verdedigde - het opkomen voor het nationale belang - in feite dagelijkse praktijk is van de politici. Alleen komen ze er, in Europees verband, niet zo openlijk voor uit en verhullen ze dat liever in fraaie Europese geloofsbelijdenissen (of - en dat komt ook vaak voor - vereenzelvigen ze, volkomen oprecht, het nationale met het Europese belang).

Dat Thatcher meer geestverwanten onder de Europese politici heeft dan ze zelf wel beseffen, blijkt uit recente uitlatingen van M. A. M. Woltgens, fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer. Evenmin als de conservatieve Thatcher blijkt de sociaal-democraat nationale verworvenheden te willen opgeven ter wille van een Europese eenheid (het verschil tussen Thatcher en hem is alleen dat de verworvenheden waaraan Woltgens hecht, niet dezelfde zijn als die waaraan Thatcher haar hart verpand heeft).

In Trouw van 22 november wordt Woltgens als volgt geciteerd: 'Het sociaal-economische beleid zal meer gecoordineerd moeten worden, akkoord. Maar ik ben niet zover dat er geen ruimte is voor een eigen invulling. Sommige landen zullen een expansiever beleid moeten voeren, andere juist niet. Ik ben zeer voor Europa, maar niet voor een geharmoniseerd en genivelleerd Europa. (...) Nederland heeft een aantal verworvenheden die ik niet zou willen opofferen voor een Europees sociaal en financieel-economisch beleid.

'Het zou dramatisch zijn als we met z'n allen besluiten het gemiddelde in Europa aan alle lidstaten als norm op te leggen. A-historisch ook. Bovendien denk ik dat het draagvlak voor verdere Europese integratie dan ook snel weg is. We worden niet van vandaag op morgen een Verenigde Staten van Europa; wat historisch gegroeid is, moet je vooral ook zo laten.'

Dit is op sommige punten bijna woordelijk wat Thatcher twee jaar geleden in Brugge gezegd heeft. In beginsel, zij het niet in de uitvoering van dat beginsel, zijn Woltgens en Thatcher het dus met elkaar eens. En om dat, als 't ware, nog eens aan te dikken heeft hij, zo lees ik in deze krant op 24 november, in een rede te Amsterdam onlangs gezegd dat 'te gemakkelijk wordt aangenomen dat een klein land als Nederland bij voorbaat belang heeft bij federale meerderheidsbesluitvorming' (ik citeer hier het verslag).

Woltgens heeft gelijk, maar het is vloeken in de kerk wat hij doet, want sinds jaar en dag gelooft Nederland van zichzelf dat het de beste leerling is in de federale klas. Woltgens gooit een steen in deze poel van zelfbegoocheling, en dat is verfrissend - om dezelfde reden waarom Thatchers rede in Brugge verfrissend was. Maar Thatcher werd destijds daarvoor veroordeeld. En Woltgens? Dat moeten we afwachten.

Intussen worden de grenzen van een onafhankelijk Nederlands sociaal en financieel-economisch beleid niet zozeer bepaald door de Europese Gemeenschap als wel door de economische afhankelijkheid van dat 'kleine Nederland' jegens Duitsland. Dat beseft Woltgens ook, want in Amsterdam zei hij tevens (en ik citeer weer het verslag):

'Of Europa aan de leiband komt te lopen van een Frans-Duits directorium hangt niet in de eerste plaats van een institutionele regeling af, maar van politieke druk en tegendruk.' Heel juist, maar waar moet die tegendruk vandaan komen? Van Engeland? Zo ja, dan is Woltgens nog meer bondgenoot van Thatcher, al is ze er niet meer, dan hijzelf beseft.