Samenwerkende universiteiten; De vereniging is een compromis. Niet zo verdeeld als de Akademische Raad, maar ook niet erg slagvaardig.

Vrijdag vierde de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten het eerste lustrum. Na vijf jaar is nog steeds niet helemaal duidelijk wat de rol van de vereniging moet zijn.

De meeste bezoekers waren het niet eens met het thema van het symposium dat de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) vrijdag ter gelegenheid van haar eerste lustrum had georganiseerd. Vond 'het post-initieel onderwijs' nog wel enige weerklank bij de vele aio's en onderzoekers, voor de 'vaste' en wat grijzere bevolking van het universitaire congrescircuit gold dat niet. Het lustrumcongres had, zo verklaarden zij in de koffiepauzes, de rol van de VSNU als werkgeversorganisatie moeten zijn. Of de gevolgen van de grotere autonomie van de universiteiten voor de positie van de vereniging.

Eigenlijk vond alleen ir. W. C. M. van Lieshout, voorzitter van het Nijmeegse college van bestuur en een van de aartsvaders van de VSNU, het nog te vroeg voor een discussie over de rol van de vereniging. ' Er wordt wel veel over veranderingen gesproken, maar iedereen heeft daarbij wat anders voor ogen.' Zijn collega in Amsterdam, collegevoorzitter drs. J. K. M. Gevers, vond zo'n discussie daarentegen hard nodig. Anders zal, vreest hij, politiek Den Haag nauwelijks bereid zijn meer aan de universiteiten zelf over te laten. Zolang de belangen van de afzonderlijke universiteiten duidelijke standpunten in de weg staan, is Den Haag er niet van verzekerd dat de VSNU de universiteiten goed zal vertegenwoordigen.

Met dit gebrek aan een eigen gezicht lijkt de VSNU enigszins op zijn voorganger, de Academische Raad, die de bijnaam had de 'grootste paperclip van Nederland' te zijn. Deze raad moest namens de gezamenlijke universiteiten spreken en adviseren. Of, wat vollediger: behalve adviseren moest de Academische Raad een schakel vormen tussen zowel de universiteiten onderling als tussen de universiteiten en de maatschappij. Maar in de senaatskamer van het Utrechtse academiegebouw, waar men placht te vergaderen, deed de raad vaak niet meer dan de standpunten en meningen van de 13 universiteiten bundelen en deze naar de minister zenden.

Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat de reacties wat laconiek waren toen in september 1983 minister Deetman voorstelde de advies- en overlegstructuur in het hoger onderwijs drastisch te veranderen en daarbij de Academische Raad - en het daar omheen cirkelende circuit van (in)formele overlegorganen - op te heffen. De minister wilde heldere verhoudingen. Daarom maakte hij ook de verstrengeling van de overleg- en adviesfunctie van zowel Academische Raad als HBO-Raad ongedaan. Voor het advies kwam er de Adviesraad voor het Hoger Onderwijs (ARHO). Voor het overleg kregen de universiteiten in januari 1985 de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten.

Aan de oprichting ging een jaar vol heftig gekrakeel vooraf. Wat tijdens dat jaar is gezegd, zou uiteindelijk in sterke mate de status, bevoegdheden en slagvaardigheid van de VSNU bepalen. Belangrijkste hierbij is de nooit afgeronde discussie tussen de toenmalige werkgroepleden over de vraag of de vereniging een krachtig, misschien zelfs intermediair orgaan moest worden dat namens de universiteiten met de minister zou kunnen onderhandelen.

De meesten waren tegen zo'n soort vereniging. Zij wilden een VSNU die zou proberen de universiteiten op een lijn te krijgen, maar die er niet te zwaar aan zou tillen als dat zo nu en dan niet mocht lukken. Een universiteit zou altijd afzonderlijk kunnen proberen in Zoetermeer of Den Haag extra geld te krijgen.

In de discussie speelden persoonlijke belangen een dominerende rol: de uitgesproken voorstanders van de ene dan wel de andere invalshoek waren immers ook belangrijke kandidaten voor het voorzitterschap van de Vereniging. Tenslotte is de VSNU een compromis tussen beide stromingen geworden. Niet zo verdeeld als de Academische Raad, maar ook niet zo sterk en eendrachtig als sommigen hadden gewenst.

Zeurderig en wereldvreemd

Nu, vijf jaar later, blijkt deze vorm niet de meest ideale. In februari van dit jaar stelde een lid van de universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam dat ' het college van bestuur veel meer weerstand moet bieden aan de minister, bij voorkeur samen met andere universiteiten. De VSNU is niet daadkrachtig genoeg. Dat is een club van collegeleden die doorvergaderen tot er een voor elke universiteit aanvaardbaar compromis is bereikt.' Volgens het raadslid kon er dan ook geen sprake van zijn dat de Universiteit van Amsterdam meer contributie aan de vereninging ging betalen.

De kritiek in de Amsterdamse universiteitsraad kwam niet als een verrassing. In de afgelopen vijf jaar is er vanuit vrijwel alle universiteiten over het functioneren van de VSNU geklaagd. Bureaucratisch, verdeeld, traag, politiek onbenullig, zeurderig en wereldvreemd zijn maar enkele van de steekwoorden die regelmatig in de universitaire wereld vielen te beluisteren.

Maar ook buiten de universiteiten viel de waardering tegen. Menigmaal werd in de Tweede Kamer het onmachtige optreden van de VSNU gehekeld. Het was de VVD-fractie die dit voorjaar betwijfelde of je de universiteiten met zo'n vereniging wel meer vrijheid kunt toevertrouwen.

In mei stelde het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiarda Beckman Stichting, in haar nota over het hoger onderwijs in de jaren negentig de HBO-Raad ten voorbeeld aan de VSNU. Tussen die twee was er een 'levensgroot verschil': ' Een slagvaardige HBO-Raad die alleen al om die reden een uitstekende tegenspeler van de centrale overheid is, daartegenover een VSNU, die in snel tempo Academische Raad-achtige trekken is gaan vertonen, een organisatie derhalve waarin deelbelangen het zicht op het gezamenlijk belang vertroebelen.' En van oud-minister Deetman is bekend dat hij tijdens moeizaam overleg met de universiteiten de vereniging regelmatig aanduidde met het acroniem VNSU, de Vereniging van Niet Samenwerkende Universiteiten.

Gezamenlijk manifest

November 1990 blijkt dat negatieve gevoel langzaamaan iets minder te zijn geworden. En dat is dan dankzij de manier waarop de universiteiten onder leiding van de vereniging de kwaliteitsbeoordeling van het onderwijs op poten hebben gezet - ook al is nog niet duidelijk wat de universiteiten met de resultaten zullen doen. Ook is de VSNU bezig de kwaliteitsbeoordeling van het onderzoek - tot voor kort georganiseerd door het ministerie - naar zich toe te trekken. Tenslotte oogst de samenwerking tussen de verschillende faculteiten in het zogeheten discipline-overleg waardering.

Dat het de VSNU vorig jaar lukte alle universiteitsbesturen het manifest te laten ondertekenen waarin werd gevraagd om meer geld voor de universiteiten, is verrassender dan het lijkt. Met name de vraag of het wel zo verstandig was alle aandacht te concentreren op het geld, hield de bestuurders lang verdeeld. Voorzitter Gevers van het college van bestuuur van de Universiteit van Amsterdam was een van van de tegenstanders. Hij vond het ' een verkeerde tactiek om steeds maar weer te klagen dat de maatschappij te weinig geld in de universiteiten steekt, als je niet kunt aantonen dat de grenzen van het aanvaardbare zijn bereikt. Wanneer je zegt dat er op de universiteiten schandelijk is bezuinigd, maar tegelijk met terechte trots verklaart dat je betere prestaties hebt geleverd, mag je niet verwachten dat iemand echt gevoelig is voor je geklaag.'

Volgens Gevers' collega Van Lieshout luidde het manifest niettemin een nieuwe periode in het bestaan van de VSNU in. Hij noemt het 'de tweede fase'. Van Lieshout, die eerder ook betrokken was bij de oprichting van de HBO-Raad, constateert dat in beide organisaties de aandacht zich in de eerste jaren vooral concentreerde op de vereniging zelf, op het wennen aan het idee van een organisatie met een gemeenschappelijk belang.

Want, daarover laat Van Lieshout geen twijfel bestaan, ' de VSNU kan alleen opereren als zij rust op een breed draagvlak van en binnen de universiteiten. Sinds mei 1989 (toen de vereninging haar manifest publiceerde, red.) ontstaat er geleidelijk aan meer oog voor belangenbehartiging door de VSNU. Nu moeten we die taak verder accentueren. En dat zal zeker gevolgen hebben voor de manier waarop binnen de vereniging beslissingen worden genomen.' Volgens Van Lieshout zal het vetorecht van de afzonderlijke universiteiten op den duur verdwijnen. ' Dan beslissen we niet langer op basis van unanimiteit, wat elke universiteit het vetorecht geeft, maar op grond van een meerderheid, voor mijn part een gekwalificeerde.'

Van Lieshout verwacht derhalve een slagvaardiger vereniging, maar geen VSNU die tussen minister en universiteiten in voor de universiteiten belangrijke beslissingen neemt. De CDA'er Van Lieshout wil niets weten van een intermediaire organisatie (het middenveld) die voor een deel doet wat de overheid behoort te doen - maar dan zonder democratische controle. Hij ziet al evenmin iets in het overhevelen of delegeren van bevoegdheden van de universiteiten naar de VSNU, wel verwacht hij dat ze op den duur veel meer aan de vereniging zullen gaan mandateren.

Toch lijkt - als universiteiten en hogescholen daadwerkelijk meer vrijheid krijgen - een discussie over de VSNU als intermediaire organisatie onontkoombaar. Gevers meent dat de behoefte aan zo'n organisatie toeneemt naarmate de autonomie van de instellingen groter wordt. Hij verwijst daarbij naar het buitenland, waar dergelijke organisaties veel doen van wat hier de overheid tot haar taak rekent. ' De universiteiten moeten zelf doen wat ze zelf kunnen doen, en dat niet overlaten aan de overheid. Want dan gebeurt het niet door mensen die uit de universiteiten afkomstig zijn.'

En in de bundel Deregulering in het hoger onderwijs? (red. P. M. Langbroek en D. W. Ruiter, Lemma, Culemborg) schrijft de Groningse bedrijfskundige prof.dr. M. R. van Gils dat met het oog op de internationale onderwijsmarkt niet valt te ontkomen aan een intermediaire organisatie in het hoger onderwijs. Universiteiten krijgen te maken met belangen die het niveau van de afzonderlijke instellingen overschrijden. ' Hier kan de kracht van de intermediaire organisaties nu en in de toekomst liggen. Strategisch gezien geen eenvoudige operatie, maar wel een noodzakelijke uitdaging', aldus Van Gils.