Recht

Karel van het Reve schrijft dat hij bijna de enige is die vindt dat de vrijheid van meningsuiting niet door wetten beperkt zou moeten worden. Ik denk dat het waar is. Bijna iedereen houdt van de vrijheid. In het algemeen tenminste. In concrete gevallen vinden we al gauw dat verwerpelijke meningen verboden moeten worden. Het standpunt van Van het Reve is excentriek geworden. Het lijkt het standpunt van iemand die zich steviger in zijn schoenen voelt staan dan anderen. Hij zal er wel van doordrongen zijn dat woorden hem niet kunnen deren, omdat hij zelf altijd betere woorden zal kunnen vinden. Je moet ook vertrouwen hebben dat er een brede kloof tussen woorden en daden is.

Karel van het Reve is de absolute meetlat waar we onze eigen vrijheidslievendheid aan kunnen afmeten. Zou ik, net als hij, de belediging van volksgroepen en hun totems uit het wetboek van strafrecht willen schrappen? Ja, dat denk ik wel. Maar een oproep tot geweld gaat me te ver, dat moet strafbaar zijn. Ik schipper een beetje, zoals de meesten. Je zou kunnen zeggen dat iemand niet door woorden gewond kan worden, maar alleen door wapens. Als er naar de wapens wordt gegrepen, dient de ME in te grijpen, zegt Van het Reve streng en beslist. Het is duidelijk dat dit argument vooral kracht heeft in een maatschappij waar gewelddadigheden over het algemeen worden bestraft. Als dat niet zo is wordt de onschuld van het opruiende woord dubieuzer. Het verschil tussen woord en daad wordt kleiner. Pamfletschrijvers worden opgepakt als stenengooiers door de straten trekken. Geen communistisch manifest in de etalages van de stad als buiten in de bergen de guerrilla's zich verschuilen. In de Tweede Wereldoorlog werd de vrijheid van meningsuiting in Engeland min of meer afgeschaft.

Je kan een principetje afleiden. Een taboe wijst op een gevaar. Wie lacht om een taboe van anderen maakt duidelijk dat hij zich zelf veilig acht. Omgekeerd wijst vrijheid van meningsuiting op een gevaar dat bedwongen is.

Feilloos is het principe helaas niet. In Amerika wordt veel drukte gemaakt over 'obsceniteit'. Waarom eigenlijk? Het is moeilijk te begrijpen welk gevaar de Amerikanen hiermee willen bezweren. Ze begrijpen het zelf ook niet zo goed meer, de obsceniteit blijft meestal ongestraft.

Toch werkt het principe wel eens. Er is vaak opgemerkt dat Nederland een unieke vrijheid kent: de vrijheid om individuen straffeloos te beledigen en te belasteren. Niet als er duidelijke financiele schade veroorzaakt wordt. De VARA schijnt nog steeds in een miljoenenprocedure verwikkeld te zijn omdat er heel lang geleden een exploderende limonadefles op de televisie is vertoond. Maar als het gaat om aantasting van de goede naam, dan is er in het Nederlandse rechtsstelsel voor het slachtoffer geen eer te behalen. Hoge rechtskosten, nooit een flinke schadevergoeding, hoogstens een onopvallende rectificatie. In Amerika en Engeland zijn tijdschriften en schrijvers geruineerd nadat ze wegens laster waren aangeklaagd. In Nederland is dat ondenkbaar.

Het zou moeten betekenen dat de eer en goede naam van het individu in Nederland zo veilig is dat bescherming door de rechtspraak overbodig is. Laten we eens aannemen dat het waar is. Hoe moeten we dat dan uitleggen? Een banale verklaring zou zeggen dat de Nederlander geen eer en goede naam heeft, in tegenstelling tot de Amerikaan, de Engelsman en de Fransman. Zijn eer zit in zijn portemonnee en die moet dan ook door het recht beschermd worden. De rest is ijdeltuiterij van aanstellers die het te hoog in hun bol hebben. Dat zou passen in het traditionele Nederland-beeld. Kop niet boven het maaiveld, doe maar gewoon, u kent het wel. Er is ook een vriendelijker interpretatie mogelijk, die uitgaat van de diepe vroomheid van het Nederlandse volk. De Nederlandse eer hoeft niet door de rechter beschermd te worden tegen belastering, omdat hij daarvoor onkwetsbaar is. De eer van de Nederlander ligt in zijn rechtschapenheid en zijn flinkheid, hij kan niet aangetast worden door wat andere mensen zeggen en niet verdedigd worden door een wereldlijke rechter. Die kan de financiele zaken tussen mensen regelen. Voor de bescherming van eer is hij niet toegerust. Dat komt ook overeen met een traditioneel beeld. De Gouden Eeuw. Wakkere mannen prevelen dat alles in handen ligt van de Heer en ondertussen leveren ze in hun onwankelbare godsvrucht en trotse nederigheid toch dekselse prestaties en op de zeven zeeen spijkeren ze de Spaanse matrozen met hun oren aan de mast.

Een beetje een archaisch beeld, dat wel. De Nederlander voelt zich helemaal niet meer door een onwankelbaar godsvertrouwen beschermd tegen het gekakel van de menigte. Daarom loopt hij steeds vaker naar de rechter en krijgt voortdurend de kous op de kop. Hij is aan het verkeerde adres. De rechtspraak is nog niet aangepast aan de kleinzerigheid van de moderne mens.

Rent de fiere leeuw naar de directeur van het wildpark om te klagen dat hij beledigd is door de platworm? Ondenkbaar. Het bloed moet Gerrit Komrij wel onder de nagels weggetreiterd zijn dat hij de tekstgeleerde T. van Dijk wil aanklagen. Al jaren beschuldigt die man de halve wereld van racisme en niemand heeft nog zo diep willen bukken dat hij hem oppakte en voor de rechter zette. Het is ook een riskante zaak. De officier kan seponeren. Laat die schrijvende kermisklanten het maar onder elkaar regelen, zal hij misschien denken. (Ongeveer zoals de Franse agent die na de moordaanslag op W. F. Hermans geruststellend aan zijn superieuren meldde dat er slechts een paar Hollanders slaags waren.) En als de rechtszaak doorgaat is het een loterij. Komrij wil niet voor racist worden uitgemaakt. Ik kan me voorstellen dat zijn handen jeuken. Maar het woord racist heeft duizend betekenissen gekregen. Een baby in de wieg kan nu racist zijn, onbewust en onschuldig, slachtoffer van de erfzonde.

Wie wil bewijzen dat hij geen racist is begeeft zich in een heksenproces. Hij kan niets winnen, zelfs niet als er door de rechter zou worden vastgesteld dat hij geen heks is. Een flink geldbedrag zou mooi zijn, maar dat wordt toch niet toegekend. En de eer valt niet te behalen voor een rechtbank. Die zit in de onverschilligheid waarmee de leeuw langs de worm stapt en hem niet vertrapt.