Oost-Timor: het wingewest van Indonesie; Wel onderwijs en wegen, maar geen investeringen en werk

DILI, 27 nov. - 'De kwestie-Oost-Timor is niet in de eerste plaats een veiligheidsprobleem, maar een sociaal-economisch vraagstuk. De Indonesiers hebben wegen aangelegd en onderwijs gebracht, maar geen werk. De onvrede van de plaatselijke bevolking richt zich tegen alle nieuwkomers: tegen de Indonesische soldaten en ambtenaren en tegen de handelslui die na de opening Oost-Timor overspoelden.'

De buitenlandse pater weet waar hij het over heeft. Al meer dan twintig jaar werkt hij in deze voormalige Portugese kolonie aan beroepsonderwijs voor Oosttimorese jongeren. 'Wij houden hen voor: integratie in Indonesie of onafhankelijkheid - in beide gevallen moeten jullie een vak leren om sterker te staan in de toekomst.' Sterk staan zij vooralsnog niet, de middelbare scholieren en studenten van Oost-Timor die hun opleiding kregen na de inlijving in Indonesie (1976). Niemand hier ontkent dat de onderwijssituatie sindsdien aanzienlijk is verbeterd. In de koloniale tijd bekommerden de Portugezen zich alleen om de opleiding van hun eigen kinderen, al of niet van Oosttimorese moeders. Het handjevol scholen voor de autochtonen (destijds 98 procent van de bevolking) was het werk van missionarissen. Nu gaan de meeste kinderen naar school, maar het Indonesische onderwijs volgt het landelijke curriculum en draagt voornamelijk algemene kennis over.

Schoolverlaters zoeken een baan in de stad, maar de enige werkgever van betekenis is het provinciale bestuursapparaat. Dat is bezet door Indonesiers van elders en Oosttimorezen die na 1975 de Indonesische kant kozen en zit potdicht. Sinds de 'opening' in januari van dit jaar zijn buitenlandse investeerders welkom in Oost-Timor, maar die beschouwen het gebied nog steeds als een veiligheidsrisico en kijken de kat uit de boom.

In 1986 ging in de hoofdstad Dili de Universiteit van Oost-Timor van start, een particuliere instelling onder katholieke leiding. Rector Weriono, een Javaanse jezuiet uit Yogjakarta, vertelt dat aanvankelijk de meerderheid van de studenten uit Oost-Timor kwam. Hun opleidingsniveau bleek echter onvoldoende; velen konden het niet bijbenen en vielen uit de boot. Nu komt meer dan de helft van de ruim duizend studenten uit andere delen van Indonesie, waar de concurrentie om studieplaatsen moordend is. De kans dat zij na voltooiing van hun opleiding in Oost-Timor blijven, is gering. Van de resterende studenten bestaat de helft uit provinciale ambtenaren die in de avonduren cursussen bestuurskunde volgen.

Er gaapt een brede sociale kloof tussen de oorspronkelijke bewoners van Oost-Timor en wat zij met nauw verholen afkeer pendatang (vreemdelingen) noemen. Oost-Timor behoort tot de armste provincies van Indonesie. Van de 650.000 Oosttimorezen (het cijfer dateert van 1987) leeft bijna 60 procent beneden de armoedegrens; zij moeten zien rond te komen met minder dan 180.000 rupiah per jaar - dat is nog geen vijftig cent per dag. In de stad vormen zij de onderste sociale laag; taxichauffeurs, visventers en krantenverkopers. De goedkoopste maaltijden worden bereid door Oosttimorezen in met de hand voortgeduwde keukentjes op wielen.

Dan is er de kleine inheemse elite, die over het algemeen van gemengd Portugees-Timorese afkomst is en nog in de koloniale tijd is opgeleid. Degenen die niet zijn uitgeweken naar Portugal of Australie zijn doorgaans werkzaam in het lokale bestuur. Het gaat hier om (ex-)leden van de UDT en de Apodeti, de twee partijen die zich in 1975 vezetten tegen het onafhankelijkheidsstreven van het Fretilin. De huidige gouverneur van Oost-Timor, Mario Viegas Carrascalao, die dertien jaar in Lissabon studeerde, is UDT-lid. Zijn twee voorgangers waren nog aanhangers van de inmiddels ontbonden Apodeti, die destijds ijverde voor aansluiting bij Indonesie.

Een enkele Oosttimorees heeft geprofiteerd van de Portugese exodus in 1975 en drijft nu een hotel in Dili. Een inheemse middenstand is nagenoeg afwezig: bijna alle winkels en eethuizen in Dili en Baucau zijn eigendom van Chinezen, Javanen of immigranten uit Sulawesi (Celebes), die sinds de opening in groten getale zijn binnengestroomd.

Het grote geld in Oost-Timor wordt verdiend in de import van luxe consumptieartikelen en in de uitvoer van lokale landbouwprodukten, voorop de beroemde Dili-koffie. De activiteiten in deze lucratieve sectoren zijn met de nodige geheimzinnigheid omgeven, maar dit jaar werd een tipje van de sluier opgelicht. In maart brachten sociale wetenschappers van de eerbiedwaardige Gajah Mada-universiteit in Yogjakarta verslag uit van een onderzoek dat zij in de loop van 1989 deden in de plattelandsdistricten Aynaro en Ermera, waar de meeste Oosttimorese koffie wordt verbouwd.

De conclusies van het rapport, dat slechts in een beperkte kring van bestuurders, wetenschappers en militairen circuleert, waren niet mis. De onderzoekers schreven over een 'diep oorlogstrauma' onder de bevolking, zij repten van een 'overdosis' aan militairen in Oost-Timor en karakteriseerden de Timorese volkshuishouding als een 'oorlogseconomie'. 'Dat werd ons niet in dank afgenomen door het leger', zegt professor Mubyarto, econoom uit Yogjakarta en leider van het onderzoeksteam. 'Toch is dit de normale technische term voor een economie waar het marktmechanisme niet vrijelijk werkt, omdat er sprake is van niet-economische interventie en monopolistische praktijken.' Mubyarto geeft een voorbeeld van 'buiten-economische dwang': 'Vorig jaar ging een groot deel van de koffie-oogst verloren omdat de boeren van het leger geen toestemming kregen om de struiken te verzorgen en de bonen te oogsten. Zij voerden veiligheidsargumenten aan, maar Aynaro en Ermera liggen ver van de laatste onrusthaarden.' De professor acht het 'heel wel mogelijk' dat 'individuele militairen' geld verdienen aan de koffiehandel.

'Tijdens de oorlog ontstond een klein aantal monopolies', vertelt Mubyarto. Hij wil daar niet al te diep op ingaan, maar het rapport spreekt boekdelen. Op pagina 92 lezen wij: 'De regering vond dat ze dank verschuldigd was aan de onderneming PT Dhenok Haitimas (letterlijk: mokkeltje met een hart van goud) Inc., omdat die de integratie-oorlog had gefinancierd. De aanzienlijke concessies die deze onderneming kreeg, bezorgde haar een monopoliepositie in de economie en de handel van Oost-Timor.' Het onderzoeksverslag beschrijft uitvoerig hoe Dhenok zijn alleenrecht gebruikt om de boeren af te schepen met een armzalige prijs voor hun koffie.

Het rapport vermeldt ten slotte dat alle grond die het Portugese leger ooit heeft onteigend van Timorese boeren in 1979 werd overgenomen door de ABRI, de Indonesische strijdkrachten, die het vervolgens in beheer gaven aan de PT Salazar. Deze onderneming, die volgens waarnemers een dekmantel is van de ABRI, heeft zijn kantoor in Dili, vanwaar de landbouwprodukten naar elders worden verscheept.

Behalve de zwakke economische positie van de autochtone bevolking, baart ook de demografische ontwikkeling veel Oosttimorezen zorgen. De schattingen van het aantal oorlogsslachtoffers - door gevechtshandelingen, executies, ziekten en hongersnood - lopen uiteen, Amnesty International meent dat van 1976 tot 1980 zo'n 200.000 mensen de dood vonden, maar Australische mensenrechtenorganisaties houden het dodental op 100.000. Officiele Indonesische statistieken wijzen uit dat de bevolking van Oost-Timor tussen 1973 en 1980 met meer dan 70.000 terugliep.

De Indonesiers voeren ook hier hun nationale campagne voor gezinsplanning. Echtparen die hun kindertal beperkt houden tot twee kunnen rekenen op mooie premies. Inmiddels is Oost-Timor opengesteld en stromen grote aantallen vreemdelingen de provincie binnen, volgens een ruwe schatting is de verhouding tussen 'nieuwkomers' en autochtonen nu al een op twee. 'Als dit zo doorgaat', aldus een buitenlandse priester, 'kan de regering binnenkort zonder enig risico een referendum uitschrijven in Oost-Timor'.