NATUURKUNDEHOOFDSTAD

De hoofdstad wordt geassocieerd met alfa en gamma, niet met beta. Iedereen kent het Concertgebouw en het Muziektheater, het Rijks- en het Amsterdams Historisch museum, de Beurs en de Bijenkorf, Carre en Tuschinski. Bij de Universiteit van Amsterdam denkt men aan het Maagdenhuis, de Lutherse kerk en de Oudemanhuispoort, misschien ook aan het gebouw van de Letterenfaculteit of van de Psychologie, maar niet aan de beta-faculteit op het Roeterseiland noch aan het Wetenschappelijk Centrum Watergraafsmeer. 'Studeren doe je in de Stad', niet in de buitenwijken. Het Cultureel Supplement van deze krant wordt in Amsterdam gemaakt, maar de wetenschapsbijlage komt uit Rotterdam.

Natuurkunde wordt geassocieerd met het beroemde Natuurkundig Laboratorium van Philips en dus met Eindhoven. Ook hebben veel Nederlanders wel eens gehoord van het Kamerlingh-Onneslaboratorium in Leiden, waar voor de oorlog enkele Nobelprijzen werden gewonnen. Sommige mensen weten dat de knapste levende fysicus in Nederland hoogleraar is aan de Rijksuniversiteit Utrecht.

Natuurkunde dat vinden de meeste Amsterdammers te moeilijk. Sommigen vinden het zelfs overbodig. Amsterdam zou best zonder kunnen. Ook zonder natuurkundige laboratoria zou Amsterdam nog steeds Amsterdam zijn.

De faculteit Natuur- en Sterrenkunde van de Universiteit van Amsterdam scoorde het slechtst bij de Verkenningscommissie Natuurkunde Onderzoek van zes jaar geleden. Het verhaal gaat dat bij het kwartetten in Slot Zeist Van Kemenade, de toenmalige collegevoorzitter van de UvA, de faculteit natuur- en sterrenkunde heeft willen inleveren voor behoud van de politiek-sociale faculteit in Amsterdam. In het kader van taakverdeling en concentratie leek dit nog niet eens zo'n gek voorstel, maar minister Deetman weigerde.

Gelukkig maar, want ' Amsterdam is het belangrijkste centrum voor natuurwetenschappelijk onderzoek in Nederland' zo schrijft de Commissie Kennisinfrastructuur Amsterdam aan burgmeester Van Thijn in een rapport dat binnenkort zal verschijnen. Voor de fysica zijn, per Nederlandse lokatie, de publikaties geteld die in de jaren '79 tot '89 door aldaar werkende wetenschappers zijn gepubliceerd in de internationale vakliteratuur. Hierbij zijn alleen tijdschriftartikelen geteld - geen rapporten, conferentiebijdragen of patenten.

De figuur laat zien dat Amsterdam met 3500 publikaties veruit de grootste producent is in de Nederlandse natuurkunde. Eindhoven, met het beroemde Natuurkundig Laboratorium van Philips en de Technische Universiteit samen, is een goede tweede, vlak voor Utrecht, Groningen en Leiden. Delft met zijn Technische Universiteit, TNO en bedrijven als Oldelft, produceert nog niet de helft van de output van Amsterdam.

Niet alleen in de natuurkunde is Amsterdam de andere steden de baas. In de chemie staat Amsterdam een, Utrecht twee, Leiden drie, en in de medische wetenschappen steekt Amsterdam met kop en schouders boven de rest uit.

Kwantiteit is natuurlijk niet alles. Tegenwoordig is ook kwaliteit tot op zekere hoogte te meten. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de Science Citation Index, die aangeeft hoe vaak een bepaald wetenschappelijk artikel wordt aangehaald in publikaties van anderen. Bovendien kan men aan elk artikel een bepaalde waarde toekennen, gemeten naar de waarde van het tijdschrift waarin het gepubliceerd staat.

Op deze manier gemeten doet de Nederlandse natuurkunde het boven verwachting goed. Staan wij op de elfde plaats van de wereldranglijst waar het gaat om produktiviteit, gemeten naar kwaliteit komen wij op de zevende plaats. En binnen de Nederlandse universitaire natuurkunde staat, naar kwaliteit gemeten, Amsterdam op eenzame hoogte.

De laboratoria waar het natuurkundig onderzoek in Amsterdam plaatsvindt zijn van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit, de FOM-laboratoria voor Atoom- en Molecuulfysica en voor Kern- en Hoge Energiefysica, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium en de bedrijfslaboratoria van Koninklijke/Shell en van Fokker. Hun output is niet alleen wetenschappelijke publikaties maar ook en vooral goed opgeleide jonge mensen.

Het onderzoek in de universitaire natuurkunde en bij de FOM-laboratoria in de Watergraafsmeer wordt gedaan door enkele honderden onderzoekers in opleiding. Voor de meesten van hen is het de eerste baan waar ze met groot enthousiasme aan beginnen zonder enig motivatieprobleem. Zij werken op contractbasis meestal voor vier jaar en moeten in die tijd voldoende resultaten boeken om op hun onderzoek te kunnen promoveren. Geen wonder dat de produktiviteit hoog is.

Bovendien komen er tegenwoordig grote aantallen onderzoekers uit het buitenland op de Amsterdamse laboratoria werken. In de zestiger jaren was het aantal buitenlandse gasten op ons laboratorium slechts 3 per jaar, in de zeventiger jaren steeg het aantal naar 9 en in de tachtiger jaren werden het 19 per jaar. Op een totale laboratoriumbevolking van 80 wetenschappelijke medewerkers hebben wij dit jaar 20 buitenlanders die gemiddeld een half jaar blijven. Hun land van herkomst is in de eerste plaats de USA, de Sovjet-Unie is een goede tweede, gevolgd door Japan, pas daarna komen de Westeuropese landen.

De onderzoekers uit het buitenland bevorderen de produktiviteit juist omdat zij maar voor enkele maanden op ons laboratorium verblijven. Zij willen natuurlijk niet met lege handen naar huis, dan zou alle moeite zowel voor hen als voor ons tevergeefs zijn geweest. Dus wordt er door beide partijen extra hard gewerkt zodat aan het eind van het bezoek niet alleen het onderzoek klaar is maar ook de publikatie. Zo komt het dat meer dan een derde van onze output geschreven wordt samen met auteurs uit het buitenland.

Amsterdam heeft een grote aantrekkingskracht op buitenlanders. Wij krijgen jaarlijks veel meer aanvragen dan wij verwerken kunnen. Ondanks alle negatieve publiciteit over drugs-verslaafden en onveiligheid, over hondepoep en verkeers-opstoppingen, over verloedering en hoge huren, is de hoofdstad populair en komt men liever naar Amsterdam dan naar Eindhoven of Delft.

Die grote aantrekkingskracht geldt ook voor een bepaald slag jonge mensen uit eigen land. Zij komen vanuit Utrecht, Eindhoven, Groningen en zelfs Leiden en worden op slag Amsterdammer, of eigenlijk zijn zij het al. Na hun opleiding in Amsterdam moeten zij plaatsmaken voor een andere promovendus en een baan vinden in een ander laboratorium meestal buiten de hoofdstad.

De Commissie Kennisinfrastructuur Amsterdam beveelt burgemeester Van Thijn aan te bevorderen dat meer kennisintensieve bedrijven uit het buitenland de hoofdstad kiezen als vestigingsplaats. Waarom alleen buitenlandse bedrijven? Als mijnheer Timmer zijn Philips werkelijk wil veranderen, als hij wil winnen, dan moet hij geen mensen ontslaan maar hun produktiviteit te verhogen. In zijn beroemde Natuurkundig Laboratorium kan dat door het te verhuizen naar de natuurkundehoofdstad. Misschien wil Van Kemenade, die nu burgemeester van Eindhoven is, weer bemiddelen.

    • Frans W. Saris