Groot Joods archief herontdekt in Litouwen; Het leven in de sjtetl, joodse enclaves in een dikwijls vijandige wereld, werd bepaald door geloof, berusting en angst.

In 1988 ontmoette Samuel Norich, directeur van het YIVO institute for Jewish Research te New York, in Warschau de Litouwse jood Emanuel Zinger. Zinger deed al enkele jaren onderzoek naar de geschiedenis van het Litouwse jodendom. Hij vertelde Norich dat in Vilnius omvangrijke en deels onbekende joodse archieven lagen opgeslagen. Vorig jaar bezocht Norich Litouwen, in gezelschap van Marek Web, hoofdarchivaris van het YIVO.

Ik spreek Web in de sombere en onvermijdelijk rommelige leeszaal van het YIVO in New York, gevestigd in een statig pand aan Fifth Avenue, aan de rand van Central Park. Enigszins gehaast doet Web, een dag voor vertrek naar zijn geboorteland Polen, zijn verhaal.

Web: ' We werden naar de Boekkamer gebracht, een bibliotheek in een voormalig Franciscaner klooster in Vilnius, recht tegenover het gebouw van de toenmalige communistische partij. Vier pakketten waren uitgestald op tafel, in pakpapier en vastgebonden met touw. We maakten ze open en ze bleken origineel materiaal te bevatten van het vooroorlogse YIVO, het Jiddisjer Wisnsjaftlecher Institut in Wilno, zoals Vilnius destijds heette toen het nog een Poolse stad was', vertelt Web. ' Er waren gegevens van veldonderzoek dat in de jaren twintig en dertig onder Poolse joden is verricht, religieuze teksten, autobiografische opstellen van joodse jongeren, historische ooggetuigenverslagen van de pogroms in de Oekraine in 1919 en brieven van Max Weinreich, een befaamd jiddisj linguist en een van de oprichters van YIVO. We waren verrast dat we zoveel aantroffen, dat er zoveel bewaard was gebleven. Materiaal dat niemand in vijftig jaar had gezien.' Het was een uitzonderlijke vondst: veertig- a vijftigduizend pagina's documenten en ongeveer 200.000 exemplaren van verschillende publicaties. Web trof een erfenis die verloren was gewaand - de nalatenschap van wat eens de omvangrijkste joodse gemeenschap in de Diaspora was, de Oosteuropese joden, de Ostjuden.

Het YIVO institute for Jewish Research in New York is het belangrijkste onderzoeks- en documentatiecentrum voor de geschiedenis en cultuur van het Oosteuropese jodendom. De bibliotheek bevat meer dan 350.000 delen; het archief telt ongeveer 22 miljoen documenten en foto's. Het is de grootste collectie Jiddisj materiaal ter wereld. Het Max Weinreich Centre for Advanced Jewish Studies verzorgt universitair onderwijs, op graduate niveau, in de Jiddisje taal en literatuur, en in de joodse geschiedenis, etnografie en cultuur.

Het instituut in New York is de voortzetting van het YIVO in Wilno dat in 1925 werd opgericht, in 'het Jeruzalem van Litouwen' zoals het werd genoemd. Een belangrijk deel van het huidige bestand is in de jaren twintig en dertig in Polen en Litouwen verzameld.

Al in de oorlog begon het New Yorkse YIVO met projekten om de herinnering aan het Oosteuropese jodendom - waarvan de vernietiging nog onbekend was - levend te houden. De Amerikaanse joden van Oosteuropese origine werden opgeroepen persoonlijke spullen na te laten aan het instituut. Enkele jaren later gingen zamlers (verzamelaars) op pad voor de YIVOcampagne 'Archives on Jewish Lives under the Nazis', waarmee ze een van de belangrijkste documentaties over de holocaust opbouwden. Het instituut bezit een omvangrijk archief over de joodse immigratie in de Verenigde Staten. De wortels van veel Amerikaanse joden liggen in Oost-Europa.

De oprichters van het YIVO in Wilno beschouwden het Jiddisj, dat zich pas in de loop van de achttiende eeuw tot een volwaardige taal ontwikkelde, als de 'nationale' joodse taal en zagen het als een instrument dat kon dienen bij de culturele verheffing van het joodse volk. Het was een omstreden standpunt. Anderen meenden dat de bijzondere culturele ontwikkeling van het Oosteuropese jodendom tot stilstand was gekomen in het begin van deze eeuw. Het zou een anachronisme zijn geworden onder de druk van emancipatie en assimilatie.

Jiddisj, samengesteld uit Duitse, Slavische en Hebreeuwse elementen, was de taal van de Ostjuden. Het kernland van de Oosteuropese joden was de Pale, het grondgebied in het westelijk deel van het voormalige Russische keizerrijk, van de Oostzee tot aan de Zwarte Zee, waar bijna vijf miljoen joden gedwongen waren te leven.

Dit Oosteuropese jodendom was meer dan een geografisch bepaalde eenheid - het was een levenswijze, of beter, in het Duits, een Kulturgemeinschaft: een omvangrijke, afgesloten, traditionele en arme gemeenschap. ' Ik ben een Ostjude', laat de schrijver Joseph Roth de hoofdpersoon in zijn roman Hotel Savoy zeggen, ' en wij hebben overal ons huis waar wij onze doden hebben begraven.'

De afzondering van de Ostjuden contrasteerde scherp met de assimilatie en secularisatie van de Westeuropese joden. Het overgrote deel van het Oosteuropese jodendom woonde in de steden en in de marktplaatsen op het Russische en Poolse platteland, de sjtetl. Ze leefden van de kleine handel en nijverheid, en vormden de schakel tussen heer en boer, tussen stad en platteland, tussen moderniteit en achterlijkheid. Het leven in de sjtetl, joodse enclaves in een dikwijls vijandige wereld, werd bepaald door geloof, berusting en angst.

' In de sjtetl was de toekomst het einde van het verleden', schrijft Joachim Riedl in Die Judische Welt van gestern 1860-1938 Text- und Bildzeugnisse aus Mitteleuropa (Wenen, 1990). ' De wegen uit de sjtetl leidden naar de gehele wereld. De wegen in de sjtetl liepen in een cirkel. De cirkel des doods.'

De Ostjuden waren kwetsbaar en machteloos tegenover de krachten van buiten die hun leven en uiteindelijk hun lot, de ondergang, zouden bepalen. Voor de Oosteuropese joden was de holocaust een catastrofe in de letterlijke zin van het woord, een volksramp.

Onkundig van het onheil dat hun stond te wachten, stelden de oprichters van het YIVO zich het behoud van de nalatenschap van de Ostjuden ten doel. Een belangrijk deel van de documentatie werd bijeengebracht door de zamlers. Zij stroopten de steden en dorpen af, verrichtten veldonderzoek, verzamelden documenten, en brachten geld bijeen.

In 1935 werd bij het YIVO een Aspirantur opgezet, waar joodse studien werden gedoceerd. Een van de studenten was een jonge Amerikaanse, Lucy Dawidowicz. Zij verbleef een jaar lang in Wilno, vanaf augustus 1938, en publiceerde onlangs haar herinneringen aan het YIVO in From that time and place. A memoir 1938-1947 (New York 1989). Dawidowicz hechtte een bijna mythische waarde aan de Jiddisje taal en cultuur. Het zou de garantie zijn voor het voortbestaan van de joodse identiteit in een moderne, geseculariseerde wereld. En Wilno, de 'hoofdstad van Jiddisjland', zoals Dawidowicz schrijft, leek de beste plaats deze cultuur te ontwikkelen. ' Je hoorde jiddisch op straat, in de winkels, op de markt.'

Haar aanvankelijke sentimentaliteit werd echter vrij spoedig getemperd. Jiddisj was de taal van de proste jidn, de gewone jood, en die leefde in bittere, vernederende armoede. Het jiddisj floreerde omdat armoede en anti-semitisme de Poolse joden geen ander keuze lieten. ' Alles wat ik liefhad in Wilno was gebaseerd op een verrotte, wegkwijnende fundering', merkte Dawidowicz.

In augustus 1939, enkele weken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, vertrok Dawidowicz uit Wilno. Terug in New York drong het nieuws over de ramp die zich in Europa voltrok langzaam door. Wilno kwam na de Poolse deling aanvankelijk onder Litouws en later onder Sovjet-bewind. Het YIVO werd in een strak cultureel en ideologisch keurslijf geperst en enkele medewerkers werden gearresteerd en gedeporteerd, maar het archief en de bibliotheek bleven intact.

Pas na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, in juni 1941, hield het Jiddisjer Wisnsjaftlechter Institut op te bestaan. De collectie viel in handen van de Einsatzstab Rosenberg, een bureau onder leiding van de Rijksminister voor de Bezette Oostgebieden, Alfred Rosenberg. Een deel van het materiaal werd naar Duitsland verscheept, ten behoeve van het NSDAP-instituut voor de Bestudering van het Jodenvraagstuk in Frankfurt; de rest zou moeten worden vernietigd. In de loop van 1942 kwam het daartoe bestemde deel van de verzameling, drie miljoen items, aan in Duitsland. Na de oorlog werd het door het Amerikaanse leger in beslag genomen en, na aandringen van het YIVO in New York en met hulp van het State Department, naar de Verenigde Staten vervoerd. Dit materiaal uit Wilno, ongeveer de helft van het originele bestand, is de kern van de huidige documentatie van het New Yorkse YIVO institute for Jewish Research.

' We zijn er altijd van uitgegaan dat de rest van onze archieven en bibliotheek, op een paar stukken na, inderdaad vernietigd was', vertelt Web, ' en het is ons nog steeds niet geheel duidelijk hoe het materiaal dat we vorig jaar in Vilnius aantroffen de oorlog heeft kunnen overleven.'

Waarschijnlijk is het tijdens de Duitse bezetting in het getto verstopt, onder de neus van de Nazi's. Na de oorlog, vertelt Web, is het opgenomen in de verzameling van het Joods Staatsmuseum dat in '45 in Vilnius werd opgericht, maar vier jaar later al werd gedwongen de deuren te sluiten. In 1953, tijdens het zogeheten 'dokterscomplot', het hoogtepunt van de anti-semitische campagne in de Sovjet-Unie, werd vanuit Moskou de opdracht gegeven de archieven te vernietigen.

' Het hoofd van de Boekkamer, Antanas Ulp, geen jood, raadpleegde daarop een paar van zijn joodse vrienden uit de dagen van het Rode Leger, en vroeg hen naar de betekenis van de documenten', aldus Web. ' Welke kon hij afgeven en welke moesten per se bewaard blijven? Ze vertelden hem dat het zonder uitzondering waardevol materiaal was en dat niets zou mogen worden vernietigd. Op de een of andere wijze is Ulp erin geslaagd de archieven te redden.'

Op microfilm

Marek Web is het afgelopen anderhalf jaar vier keer in Vilnius geweest om met de autoriteiten te onderhandelen over de bestemming van deze archieven. Het YIVO in New York was aanvankelijk van zins het archief - feitelijk bezit van het instituut - op micro-film te zetten en de originelen naar de Verenigde Staten over te brengen. Dat ging niet door.

' De Litouwse autoriteiten zijn bijzonder behulpzaam, maar ze weigeren vooralsnog te erkennen dat het materiaal eigendom van het YIVO is. Op dit moment onderhandelen we over een andere oplossing, ' aldus Web. ' Al het materiaal is toegankelijk en zal worden gefilmd. De kopieen komen hier in New York, terwijl de originelen in Litouwen blijven en zullen worden gebruikt voor de inrichting van een joods museum in Vilnius.'

Het YIVO is niet de enige instantie die van de politieke veranderingen in Oost-Europa gebruik maakt en poogt toegang te verwerven tot archieven die lange tijd ontoegankelijk bleken. ' Ook Yad Vashem en het U. S. Holocaust Memorial te Washington zijn actief in Oost-Europa', merkt Web op, ' we hebben afgesproken dat we elkaar niet in de wielen zullen rijden.'